Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:806

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
200.268.636/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.268.636/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/290151 / JU RK 19-1181

beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (hierna: de vader);

- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) (hierna: de kinderrechter) van 29 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 4 november 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 29 augustus 2019.

2.2

De GI heeft op 6 december 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts ingekomen een journaalbericht van de zijde van de moeder van 8 december 2019, ingekomen op 9 december 2019.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door mevrouw [X] van het Leger des Heils;

- de gezinsmanager namens de GI, vergezeld door een collega;

- de heer W. Daalderop namens de raad;

- de vader.

De pleegouders van [de minderjarige] , die als informant door het hof zijn opgeroepen, zijn niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is [de minderjarige] geboren [in] 2017. De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 20 december 2018 van de kinderrechter is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.

In het kader van de ondertoezichtstelling is [de minderjarige] op 10 april 2019 met spoed uit huis geplaatst, in een netwerkpleeggezin (bij tante moederszijde). De verleende spoedmachtiging is bij beschikking van 19 april 2019 gehandhaafd en aansluitend is een machtiging verleend tot 7 augustus 2019.

3.3

Bij beschikking van 25 juli 2019 van de kinderrechter is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 september 2019 en is het verzoek van de GI ten aanzien van de resterende duur van de verlenging aangehouden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 7 september 2019 verlengd tot 20 december 2019.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de GI af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op verzoek van de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen (art 1:265c, lid 2 BW).

5.2

Hoewel de appeltermijn van de beschikking van 11 april 2019 (waarbij de spoedmachtiging uithuisplaatsing is verleend) is verlopen, hecht de moeder er waarde aan te stellen dat [de minderjarige] onterecht (met spoed) uit huis is geplaatst. Deze machtiging is verleend op basis van een anonieme melding inhoudende dat de moeder dronken op straat is gesignaleerd, samen met [de minderjarige] . [de minderjarige] verbleef toen echter bij de zus van de moeder. De moeder en de vader hebben dus niet de in het kader van de ondertoezichtstelling gemaakte veiligheidsafspraken geschonden aangezien zij niet in aanwezigheid van [de minderjarige] alcohol hebben genuttigd.

De vader heeft een alcoholprobleem, maar de moeder niet. Zij werkt en zij heeft een sociaal netwerk. Ook [de minderjarige] heeft geen problemen. Er is derhalve geen sprake van ernstige zorgen die een uithuisplaatsing rechtvaardigen, zo stelt de moeder.

Evenmin is sprake van een situatie waarin de ouders te weinig doen om optimaal te profiteren van de geboden hulpverlening, zoals de kinderrechter heeft overwogen. De ouders hebben relatietherapie, de moeder heeft [de minderjarige] ingeschreven bij een peuterspeelzaal, zij heeft de cursus Peuter in Zicht gevolgd en de vader heeft zich laten opnemen ter behandeling van zijn alcoholverslaving. Daarnaast accepteren de ouders de inmenging van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. De GI dient volgens de ouders echter eerst te overleggen met hen over de inzet van hulpverlening, hetgeen zij verzuimt. De GI wenst dat de ouders een traject volgen bij Fivoor, maar overlegt daar niet over. De ouders dienen in het belang van hun kind te worden gerespecteerd in hun autonomie. De moeder wijst in dat verband op het wettelijke en het professionele kader. Aan de geadviseerde relatietherapie en verslavingsondersteuning werken de ouders mee.

De moeder is het voorts oneens met de overweging van de kinderrechter dat zij en de vader te weinig moeite doen om hun huidige patronen te doorbreken, daarbij kritiekloos de stellingen van de GI overnemend. Het laatste incident met huiselijk geweld dateert van maart 2018. Sindsdien schakelt de moeder zelf de politie in als escalatie dreigt.

Tot slot komt de moeder op tegen de uitbreiding van de grondslag van de ondertoezichtstelling met zorgen over de opvoedsituatie van de moeder. De persoon van de moeder is nooit een zorg geweest, maar nu verlangt de GI dat de moeder een psychologisch onderzoek laat verrichten op eigen kosten, wat de moeder weigert.

De moeder wijst op artikel 8 EVRM en op de artikelen 3 en 9 IVRK.

5.3

De GI heeft de voorgeschiedenis van de uithuisplaatsing geschetst, waarin sprake is geweest van problemen met alcoholgebruik bij zowel de vader als de moeder, ernstig huiselijk geweld en detentie van beiden als gevolg daarvan. De GI ziet een patroon bij de ouders waarin zij hulpverlening mijden. Een psychologisch onderzoek van de moeder wordt noodzakelijk geacht, evenals systeemtherapie en individuele therapie voor beide ouders, maar de ouders weigeren daaraan mee te werken, vooral uit een gebrek aan vertrouwen. De hulp die de ouders zelf inschakelen, zoals relatietherapie van ouderlingen uit hun geloofsgemeenschap en begeleiding van een maatschappelijk werker, acht de GI onvoldoende. Sinds december 2018 is het Leger des Heils betrokken bij de ouders, maar de hulpverlening verloopt moeizaam omdat het lastig is om afspraken te maken met de ouders en zij zich er voorts niet altijd aan houden. De ouders laten weinig zien van hun thuis- en opvoedsituatie. Het Leger des Heils vermoedt een ambivalente hechting bij [de minderjarige] .

De GI is van mening dat de ouders [de minderjarige] momenteel geen veilige opvoedsituatie bieden. Door hun middelengebruik en het huiselijk geweld is de situatie niet stabiel en zijn de ouders onvoldoende beschikbaar, zowel in emotioneel als in fysiek opzicht. Deze problemen zijn structureel van aard, de ouders zien onvoldoende de ernst ervan in en mijden noodzakelijke zorg. De moeder bagatelliseert de problemen en legt deze voorts buiten zichzelf.

Nu de zorgen nog bestaan en er geen zicht is gekomen op de opvoedsituatie van de moeder, betoogt de GI dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog aanwezig zijn.

5.4

De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij behandeld is voor zijn alcoholverslaving in de Brijder Kliniek en dat hij nu begeleid woont in de Brijder Kliniek.

5.4

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, omdat er nog steeds twijfels zijn over de veiligheid van [de minderjarige] bij de ouders thuis. Daarnaast rechtvaardigen de zorgen over de hechting van [de minderjarige] aan zijn ouders en de weigering van de moeder om aan de geboden hulpverlening mee te werken, de verlenging van de uithuisplaatsing.

5.5

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat een aantal psychosociale problemen speelt bij de ouders. Vaststaat dat de vader een alcoholprobleem heeft en dat sprake is van relatieproblematiek, die in het verleden meerdere malen heeft uitgemond in huiselijk geweld en in het verlengde daarvan heeft geleid tot tijdelijke huisverboden en detentie, van zowel de vader als de moeder. Gebleken is dat [de minderjarige] aanwezig is geweest bij ruzies (en geweld) tussen zijn ouders. Met de GI deelt het hof de zorg dat de ouders door hun persoonlijke problemen wisselend beschikbaar waren voor [de minderjarige] toen hij nog bij hen woonde. Zeker gezien zijn jonge leeftijd heeft [de minderjarige] beschikbare opvoeders nodig. Gelet op voornoemde zorgen heeft de kinderrechter terecht en op goede gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd.

Naar het oordeel van het hof zijn de gronden voor de uithuisplaatsing ook nu nog aanwezig. Weliswaar heeft de moeder met goed gevolg de cursus Peuter in Zicht voltooid, is de vader behandeld voor zijn alcoholverslaving (om welke reden de moeder hun relatie een nieuwe kans wil geven), wonen de ouders gescheiden van elkaar en is de moeder met een maatschappelijk werker bezig haar schulden in kaart te brengen, maar naar het oordeel van het hof bieden voornoemde verbeteringen een onvoldoende waarborg dat het gezinssysteem veilig is voor [de minderjarige] . Daarvoor is niet alleen nodig dat sprake is van meer bestendigheid van voornoemde verbeteringen, maar ook dat de moeder meer inzicht geeft in haar situatie. Doordat zij de noodzakelijk geachte hulpverlening uit wantrouwen weigert en niet volledig samenwerkt met de GI (door bijvoorbeeld vaak af te zeggen), althans met het door de GI ingezette Leger des Heils, is ondoorzichtig hoe de thuissituatie van de moeder is terwijl daarover wel vragen zijn gezien de hiervoor genoemde problemen. Dat neemt niet weg dat, zeker indien de ouders gescheiden blijven wonen, de mogelijkheden van terugplaatsing serieus dienen te worden onderzocht. In dat verband wenst het hof de GI in overweging te geven om te bezien of er andere mogelijkheden zijn dan individuele therapie om de moeder te helpen, gelet ook op de constatering van de GI dat het structurele wantrouwen van de moeder een dieperliggende oorzaak lijkt te hebben waarvoor specialistische hulpverlening vereist is.

De moeder heeft nog gesteld dat het verkrijgen van zicht op de opvoedsituatie niet tot de doelen van de ondertoezichtstelling behoorde, maar het hof stelt vast dat de kinderrechter bij het uitspreken van de ondertoezichtstelling in de beschikking van 20 december 2018 heeft overwogen dat de met de ouders gemaakte veiligheidsafspraken moeilijk te monitoren zijn, omdat de ouders weinig inzicht geven en moeilijk bereikbaar zijn.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat - anders dan de moeder stelt - de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is. Die inbreuk is immers noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [de minderjarige] . Om diezelfde reden moet ook het beroep van de moeder op artikel 3 en 9 IVRK worden verworpen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem), afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. A.N. van de Beek en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, bijgestaan door mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.