Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:776

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
23-001981-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Malmedy. Veroordeling van een voormalig gemeenteambtenaar voor het aannemen van giften in ruil voor tegenprestaties (ex art. 363 Sr) en valsheid in geschrifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001981-15

Datum uitspraak: 11 maart 2020

TEGENSPRAAK


Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 mei 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-740332-11 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op 16 oktober 1961,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 12 en 21 december 2017, 10 april 2019, 27 en 28 juni 2019, 4, 6 en 7 november 2019, 9 en 10 januari 2020 en 26 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 4

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor feit 4, omdat door het Openbaar Ministerie is gehandeld in strijd met het beginsel van equality of arms en daarmee het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdediging heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd, dat het Openbaar Ministerie in deze procedure niet zelfstandig en evenmin op (herhaald) verzoek van de verdediging ontlastende stukken betreffende de inhuur van personeel door de [gemeente 1] heeft toegevoegd aan het dossier, dat aan een opdracht van het hof die stukken te achterhalen niet is voldaan en dat potentieel ontlastende stukken inmiddels niet meer (bij de gemeente) aanwezig zijn, zodat de verdachte zijn standpunten niet nader kan onderbouwen. Voor zover er gedurende de procedure wel ontlastende stukken aan het dossier zijn toegevoegd, is dat in zo’n laat stadium geweest dat de verdediging reeds gehoorde (belastende) getuigen daarmee niet heeft kunnen confronteren. De verdachte is zodoende belet zijn onschuldscenario effectief te laten onderzoeken, dan wel vorm te geven.

Bij de beantwoording van de vraag of het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is geschonden, is beslissend of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Het is daarom van belang het feitelijk verloop van de strafproces en hetgeen van de zijde van de verdediging aan onderzoek is gevraagd (samengevat) uiteen te zetten.

Het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en (onder andere) de medeverdachte [medeverdachte 1] is gestart op 14 februari 2011 en afgerond in februari 2012. Voor de dagvaarding in eerste aanleg heeft de officier van justitie op 17 april 2013 aan de rechter-commissaris gevorderd een regiebijeenkomst te organiseren. Deze vordering is voor de rechter-commissaris aanleiding geweest de raadslieden van alle verdachten aan te schrijven met de vraag naar hun onderzoekswensen. De verdediging van deze verdachte heeft vervolgens verzocht bepaalde getuigen en medeverdachten te horen, welk verzoek door de rechter-commissaris op 24 september 2013 (met uitzondering van één getuige) is toegewezen. Daarna is voornamelijk op initiatief van het Openbaar Ministerie en de verdediging van de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: de medeverdachte) het dossier aangevuld met stukken betreffende de inhuur van personeel. Blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 22 januari 2015 zijn na het horen van de getuigen geen nadere onderzoekswensen namens de verdachte ingediend.

Op 7 april 2015 is de rechtbank begonnen met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen (onder andere) de verdachte. Voorafgaand daaraan heeft de toenmalige raadsman van de verdachte op 17 maart 2015 een brief aan de rechtbank gestuurd met een aantal bijlagen, waaronder stukken betreffende de inhuur van personeel. Op 1 mei 2015 heeft de rechtbank vonnis gewezen.

In hoger beroep heeft de Rijksrecherche, na een verzoek van de verdediging van de medeverdachte

[medeverdachte 1] , nader onderzoek verricht naar een aantal inhuurdossiers. Daarvan is op 30 november 2017 proces-verbaal opgemaakt en zijn opnieuw stukken betreffende de inhuur aan het dossier toegevoegd.

In hoger beroep is namens de verdachte twee keer verzocht om inzage in het volledige onderzoeksdossier. De eerste keer (december 2017) heeft het hof dat verzoek bij gebreke van een voldoende onderbouwing afgewezen. De tweede keer heeft het hof het verzoek uitvoeriger gemotiveerd afgewezen, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzittingen van 10 en 17 april 2019. Samengevat hield die beslissing in dat de verdediging in eerste aanleg nimmer heeft verzocht om inzage in het volledige onderzoeksdossier en dat ook ten tijde van het verzoek in hoger beroep niet is gebleken van de noodzaak bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen. Daarbij overwoog het hof:

- het hof betrekt ten slotte in zijn beoordeling dat voorstelbaar is dat op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde de verdediging, ook in hoger beroep en zelfs na een eerdere afwijzing van een gelijkluidend verzoek, de mogelijkheid moet worden geboden inzage te krijgen in een nog voorhanden zijnde onderzoeksdossier. Daartoe mag van de verdediging wel worden verwacht dat zij op zodanige beginselen een gemotiveerd beroep doet. In dat verband geldt dat de verdediging heeft aangevoerd dat zij ‘op grond van de beginselen van een eerlijk proces de mogelijkheid moet hebben om controle uit te oefenen op de door het openbaar ministerie gemaakte selectie (het hof begrijpt: van de stukken van het procesdossier)’. Het hof is van oordeel dat deze motivering, mede in het licht van de omstandigheid dat de verdediging in eerste aanleg geen gebruik heeft gemaakt van de haar toekomende mogelijkheden, te kort schiet, zodat het verzoek – voor zover hierop gestoeld – eveneens moet worden afgewezen;

- nu de advocaat-generaal zich bereid heeft verklaard de Rijksrecherche onderzoek te laten doen naar eventueel in het onderzoekdossier aanwezige e-mailcorrespondentie, verzoekt het hof de advocaat-generaal dit onderzoek te laten doen – voor zover die correspondentie ziet op de inhuur van personeel zoals ten laste gelegd en voor zover die ontbreekt in het procesdossier – en daarvan een proces-verbaal te laten opmaken. Naar aanleiding daarvan kan de raadsvrouw de advocaat-generaal om inzage en zo nodig om toevoeging van relevante e-mailberichten aan het procesdossier verzoeken;

Het hiervoor genoemde onderzoek is door de Rijkrecherche uitgevoerd en heeft geresulteerd in twee aanvullende processen-verbaal, met bijlagen (met betrekking tot de inhuur), van 1 en 8 mei 2019.

Ter terechtzitting van 27 en 28 juni 2019 is op verzoek van de verdediging de medeverdachte uitvoerig als getuige gehoord, onder andere over de inhuur. De verdediging heeft daarnaast opnieuw om aanvullend onderzoek gevraagd, waarop het hof (onder andere) als volgt heeft beslist:

- ad. I) Bij nadere bestudering van de processen-verbaal van bevindingen van 1 en 8 mei 2019 van verbalisant C.J.A. Schilder, blijkt dat de Rijksrecherche niet enkel heeft gezocht in stukken die op een daartoe strekkende vordering door de [gemeente 1] zijn verstrekt, maar in het volledige dossier. Aan de eerder door het hof gegeven opdracht is dus reeds uitvoering gegeven en om die reden wordt het verzoek afgewezen;

- ad. II) Het hof acht noodzakelijk en in het belang van de verdediging dat:

ten eerste de verdediging inzage krijgt in alle reeds gevonden e-mailberichten in het onderzoeksdossier voor zover die zien op de inhuur van het personeel zoals tenlastegelegd (behalve [werknemer 8] en [werknemer 9] ) en

ten tweede de Rijksrecherche de [gemeente 1] middels een daartoe strekkende vordering verzoekt om – voor zover nog aanwezig – alle interne e-mailberichten en alle

e-mailcorrespondentie met externe bedrijven met betrekking tot de vacatures die uiteindelijk zijn vervuld door de personen die op de tenlastelegging staan vermeld (behalve [werknemer 8] en [werknemer 9] ), aan te leveren. Het hof verzoekt de advocaat-generaal de Rijksrecherche hiertoe opdracht te geven;

Naar aanleiding hiervan heeft de advocaat-generaal op 14 augustus 2019 twee (reeds eerder opgemaakte) aanvullende processen-verbaal van 18 april 2019 met bijlagen betreffende de inhuur van [werknemer 3] en [werknemer 2] aan de verdediging en (later ook) het hof toegestuurd. Verder heeft het genoemde onderzoek door de Rijksrecherche geresulteerd in twee aanvullende processen-verbaal van 15 en 31 oktober 2019, met bijlagen betreffende de inhuur.

Ter terechtzitting van 4 november 2019 heeft het hof reeds overwogen dat uit de aanvullende processen-verbaal van 1 en 8 mei 2019 blijkt, dat de Rijksrecherche in de digitale bestanden, die in het kader van het onderliggende onderzoek in beslag zijn genomen bij de [gemeente 1] , door middel van een zoekprogramma een selectie heeft gemaakt uit een hoeveelheid van ruim 2000 e-mailberichten die een ‘hit’ opleverden. De Rijksrecherche heeft deze selectie gemaakt voor de namen van de ingehuurde personen zoals tenlastegelegd. Bij het aanvullende onderzoek dat heeft geresulteerd in de aanvullende processen-verbaal van oktober 2019 heeft de Rijksrecherche ook gezocht op de ‘functie’ en is een aantal andere mails betreffende de inhuur aan het dossier toegevoegd.

Ondanks het voorgaande heeft de verdediging ter terechtzitting van 4 november 2019 nogmaals om een inzage gevraagd, ditmaal in de ruim 2000 gevonden mailbestanden om daar een eigen zoekslag in te kunnen maken. Het hof heeft daaromtrent als volgt overwogen:

- De opdracht die het hof op 27 juni 2019 aan de advocaat-generaal heeft gegeven is, mede in het licht van eerdere beslissingen van het hof daarover, adequaat uitgevoerd. Het hof heeft (ten eerste) noodzakelijk geacht dat de verdediging inzage zou krijgen in alle reeds gevonden e-mailberichten in het onderzoekdossier en heeft deze opdracht beperkt tot de inhuur van personeel zoals tenlastegelegd. Conform de opdracht heeft de Rijksrecherche daarom een selectie gemaakt uit alle aangetroffen berichten en heeft alle e-mailberichten over de inhuur beschikbaar gesteld aan de verdediging. De Rijksrecherche heeft in een aanvullend proces-verbaal uitgelegd hoe die selectie tot stand is gekomen. De Rijksrecherche heeft de selectie vervolgens nog uitgebreid; er is niet alleen gezocht op naam, maar ook op functie. De raadsvrouw heeft verzocht de zaak aan te houden en heeft daartoe aangevoerd dat zij, ter controle van het onderzoek door de Rijksrecherche, een eigen zoekslag wil maken in het onderzoekdossier. Het hof wijst haar verzoek af, gelet op de wijze waarop de Rijksrecherche de opdracht heeft uitgevoerd en op hetgeen de raadsvrouw aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd;

- Het hof heeft op 27 juni 2019 (ten tweede) noodzakelijk geacht dat de Rijksrecherche middels een vordering ex artikel 126nd Sv de [gemeente 1] zou verzoeken om alle interne e-mailberichten en e-mailcorrespondentie met externe bedrijven aan te leveren inzake de vacatures die uiteindelijk zijn vervuld door de personen zoals vermeld op de tenlastelegging. Gezien het aanvullend proces-verbaal van 15 oktober 2019 van de verbalisant Schilder, heeft de integriteitscoördinator van de gemeente [getuige 5] op 14 oktober 2019 bericht ‘dat de gevorderde informatie niet aanwezig was’. Het hof verzoekt de advocaat-generaal, in geval sprake is van een schriftelijke reactie van [getuige 5] naar aanleiding van de vordering, deze zo spoedig mogelijk aan het dossier toe te voegen.

In vervolg op de vraag naar de schriftelijke reactie van [getuige 5] is zij ter terechtzitting van 6 november 2019 als getuige gehoord. Zij heeft onder andere verklaard:

Er is gezocht in het gedigitaliseerde archief. Het ging om e-mailberichten over de inhuur. Het gedeelte dat niet digitaal beschikbaar was heb ik op papier gekregen, op een karretje. Dat waren dossiers op alfabetische volgorde. Ik heb gezocht op achternaam en ook op functie, maar ik vond niets dat betrekking had op hetgeen in de vordering is gevraagd.

Ik heb gezocht in het digitale en het papieren gedeelte en daar heb ik geen offertes aangetroffen van detacheringsbedrijven, niet in e-mailberichten en evenmin in andere documenten. Ik vond niets.

Al het voorgaande houdt samengevat in dat de verdediging in eerste aanleg weinig inspanning heeft verricht om stukken met betrekking tot de inhuur boven water te krijgen. Het dossier is in dat stadium wel uitgebreid, maar dat was vooral door toedoen van het Openbaar Ministerie en de verdediging van de medeverdachte. Pas in hoger beroep heeft de verdediging verzocht om inzage in het volledige onderzoeksdossier. Dat verzoek was te ongespecificeerd en in een laat stadium. Niettemin is op initiatief van de advocaat-generaal en daarna in opdracht van het hof, vanwege de verzoeken van de verdediging, wel aanvullend onderzoek verricht en heeft de verdediging de resultaten daarvan ontvangen. Mede op grond daarvan heeft de verdediging inhoudelijk verweer kunnen voeren tegen de beschuldiging betreffende omkoping – kort samengevat – in relatie tot de inhuur van personeel van bedrijven van de medeverdachte door de [gemeente 1] . Alles afwegende komt het hof dan ook tot het oordeel dat de verdachte een effectieve verdediging heeft kunnen voeren en het strafproces tegen hem, in zijn geheel beschouwd, eerlijk is verlopen. Het verweer wordt verworpen.

Verzoek tot inzage

De verdediging heeft in het pleidooi het verzoek herhaald tot inzage in alle e-mails in het onderzoeksdossier voor zover die zien op de inhuur van personeel zoals ten laste is gelegd. Het hof wijst dat verzoek, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, af.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – dat:

1.
[Zaaksdossier 1: vervalsen ontslagbesluit [gemeente 2] ]

hij in of omstreeks de maand september 2006, althans in of omstreeks de periode van 01 september 2006 tot en met 15 januari 2007, te Hoofddorp, [gemeente 1] , in elk geval in Nederland,

- ( pagina ZD 01:105) een besluit van de [gemeente 2] , gedateerd op 04 mei 1999,

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid van dat besluit hierin dat:

- daarin valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat de Burgemeester en wethouders van de [gemeente 2] hem, verdachte, op 04 mei 1999 op zijn verzoek ontslag zouden hebben verleend uit zijn functie van [functie] ;

3.
[Zaaksdossier 2: valse factuur van [bv 7] .]

hij op of omstreeks 13 mei 2007 te Wijchen en/of te IJsselstein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- ( pagina ZD 02:128) een factuur van [bv 7] , d.d. 13 mei 2007, genummerd: 2007007, gericht aan de [gemeente 1] ,

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, althans valselijk heeft doen opmaken of heeft doen vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid van die factuur hierin dat:

- op die factuur valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat (door personeel van [bv 7] ) voor een bedrag van 7.000,- euro "Aanvullende begeleidende activiteiten volgens afspraak" voor de [gemeente 1] zouden zijn verricht;

4.
[Zaaksdossier 10: Aannemen 13 giften van [medeverdachte 1] / [bv 2] ./ [bv 3] .]

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2008 tot en met 31 december 2009 te Hoofddorp, [gemeente 1] , in elk geval in Nederland, als ambtenaar (clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] ),

één of meer gift(en) en/of één of meer belofte(n) van [medeverdachte 1] en/of [bv 2] (hierna te noemen: [bv 2] .) en/of [bv 3] (hierna te noemen: [bv 3] .),

te weten:

- ( pagina AV2:1005) een giraal geldbedrag van 17.825,-- euro (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 28 april 2008; corresponderende factuur: 2008/FMC0001 op pagina AV1:008, onderwerp: advies- en bemiddelingswerkzaamheden voor de afdeling Directievoering, Toetsing, Beheer en Onderhoud) en/of

- ( pagina AV2: 844) een giraal geldbedrag van 5.911,92 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 08 juli 2008; corresponderende factuur: 2008/LS0201 op pagina AV1:014, onderwerp: bemiddeling/advies inzake Stadsbeheer Den Haag) en/of

- ( pagina AV2: 846) een giraal geldbedrag van 7.486,29 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 15 september 2008; corresponderende factuur: 2008/LS0203 op pagina AV1:027, onderwerp: bemiddeling/advies inzake Asset Management) en/of

- ( pagina AV2: 848) een giraal geldbedrag van 28.870,59 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 17 november 2008; corresponderende factuur: 2008/LS0205 op pagina AV1:028, onderwerp: bemiddeling/advies en diverse besprekingen Asset Management) en/of

- ( pagina AV2:1009) een giraal geldbedrag van 19.596,-- euro (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 22 december 2008; corresponderende factuur: 2008/FMC0003 op pagina AV1:009, onderwerp: bemiddelings- en acquisitie werkzaamheden met name t.b.v. de regio Rotterdam/Dordrecht/Barendrecht) en/of

- ( pagina AV2: 852) een giraal geldbedrag van 17.992,80 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 11 maart 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0301 op pagina AV1:039, onderwerp: diverse besprekingen inzake Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] ) in januari 2009) en/of

- ( pagina AV2: 853) een giraal geldbedrag van 14.161,-- euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 06 april 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0302 op pagina AV1:044, onderwerp: diverse nabesprekingen inzake afronding Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] ) in februari 2009) en/of

- ( pagina AV2: 856) een giraal geldbedrag van 10.710,-- euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 01 juni 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0305 op pagina AV1:045, onderwerp: diverse besprekingen ihkv acquisitie mogelijkheden m.b.t. de "Nieuwe Gemeente "Bonaire, St Eustatius en Saba (BES) in de periode febr-april 2009) en/of

- ( pagina AV2: 860) een giraal geldbedrag van 23.631,02 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 14 september 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0308 op pagina AV1:046, onderwerp: adviezen met betrekking tot de door [bv 2] nieuw op te zetten afdeling Beheer en Onderhoud: DTBO) en/of

- ( pagina AV2: 862) een giraal geldbedrag van 24.811,50 euro (overgemaakt op de bankrekening van LibertéSelect B.V. op 19 oktober 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0310 op pagina AV1:061, onderwerp: diverse besprekingen ihkv onderhoudsaspecten m.b.t. het project "Hubertus" tunnel te Den Haag en het project Maas terras te Dordrecht) en/of

- ( pagina AV2:1014) een giraal geldbedrag van 20.424,-- euro (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 09 november 2009; corresponderende factuur: 2009/FMC0001 op pagina AV1:010, onderwerp: tariefdifferentiatie in de afvalstoffenheffing (DIFTAR)) en/of

- ( pagina AV2:1015) een giraal geldbedrag van 18.078,-- euro (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 16 november 2009; corresponderende factuur: 2009/FMC0002 op pagina AV1:011, onderwerp: programma VORT (Veiligheid en Onderhoud RijksTunnels) en/of

- ( pagina AV2: 866) een giraal geldbedrag van 41.352,50 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 14 december 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0314 op pagina AV1:076; onderwerp: Prospecting Noord-Brabant/Limburg)

heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) hem werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden

tengevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening als clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2), en/of teneinde hem te bewegen om al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening als clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] iets te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

te weten:

- het (op andere dan zakelijke gronden en/of met voorkeursbehandeling en/of zonder het aanbestedingsbeleid van de [gemeente 1] (correct) toe te passen en/of met voorbijgaan aan (concurrentie)belangen van andere (consultancy)bedrijven) (doen) verstrekken van (een) werk- en/of adviesopdracht(en) aan [bv 2] . en/of [bv 3] . door of namens de cluster Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1]

(waaronder:

* de opdracht tot het inventariseren van benodigde zaken/personen voor de realisatie van een boomkwekerij ( [bv 2] ; pagina AV2:120/121) en/of

* de opdracht(en) tot het uitvoeren van een Quickscan inzake en/of het uitbrengen van een advies inzake en/of het bijwonen van besprekingen in het kader van WSW/WWB ( [bv 3] ; pagina AV2:51/455/454) en/of

* het opstellen van een notitie inzake Flexibel en slagvaardig contracteren ( [bv 3] ; pagina. AV2:453)) en/of

- het (op andere dan zakelijke gronden en/of met voorkeursbehandeling en/of zonder het aanbestedingsbeleid van de [gemeente 1] (correct) toe te passen en/of met voorbijgaan aan (concurrentie)belangen van andere (consultancy)bedrijven) (doen) inhuren van personeel van en/of via [bv 2] . en/of [bv 9] . (hierna te noemen: [bv 9] en/of [bv 10] ten behoeve van de cluster Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1]

(waaronder:

* [werknemer 1] ( [bv 2] ; pagina AV2:131/163) en/of

* [werknemer 2] ( [bv 2] ; pagina AV2:069) en/of

* [werknemer 3] ( [bv 2] ; pagina AV2:054) en/of

* [werknemer 4] ( [bv 2] ; pagina AV2:046/022) en/of

* [werknemer 5] ( [bv 2] ; pagina AV2:034,037) en/of

* [werknemer 6] ( [bv 2] ; pagina AV2:036/024) en/of

- het bewerkstelligen dat en/of arrangeren dat en/of stimuleren dat en/of het uitoefenen van druk en/of invloed opdat, het cluster Ontwerp, Voorbereiding en Realisatie van de [gemeente 1]

* [werknemer 7] ( [bv 2] ; pagina AV2:64/67) van en/of via [bv 2] .

(op andere dan zakelijke gronden en/of met voorkeursbehandeling en/of zonder het aanbestedingsbeleid van de [gemeente 1] (correct) toe te passen en/of met voorbijgaan aan (concurrentie)belangen van andere (consultancy)bedrijven) zou inhuren;

5.
[Zaaksdossier 09: Aannemen 3 giften van [medeverdachte 2] / [bv 6] ]

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2009 tot en met 31 december 2009 te Hoofddorp, [gemeente 1] , in elk geval in Nederland, als ambtenaar (clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] ),

één of meer gift(en) en/of één of meer belofte(n) van [medeverdachte 2] en/of [bv 6] , te weten:

- ( pagina AV2:864) een giraal geldbedrag van 23.841,65 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 09 november 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0309 op dossierpag. ZD 09:686, onderwerp: 1e fase Beeldkwaliteitplannen en gemeentelijke onderhoudstrategieën in Zuid-Holland) en/of

- ( pagina AV2:866) een giraal geldbedrag van 28.675,43 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 02 december 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0311 op dossierpag. ZD 09:687, onderwerp: Meerjaren structuurplannen en vraag gestuurd beheer en onderhoud) en/of

- ( pagina AV2:867) een giraal geldbedrag van 53.864,16 euro (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 17 december 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0313 op dossierpag. ZD 09:688, onderwerp: Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord- en Zuid-Holland)

heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) hem werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden,

tengevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening als clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2), en/of

teneinde hem te bewegen om al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening als clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] iets te doen of na te laten (lid 1 sub 1), bestaande dit doen of nalaten uit:

- het verstrekken van een of meer (werk-, advies- en/of uitvoerings)opdrachten (waaronder in ieder geval de opdracht Uitvoering Verhardingsmaatregelenpakket 2008-2010; pagina ZD 09:140) aan [bv 5] Dienstverlening Buitenruimte B.V., in de wetenschap dat [bv 5] Dienstverlening Buitenruimte B.V. deze opdracht(en), althans een deel of delen daarvan, zou gunnen en/of verstrekken aan [bv 6] en/of

- het bewerkstelligen dat en/of arrangeren dat en/of stimuleren dat en/of uitoefenen van invloed opdat de (de directeur van) [bv 5] (op andere dan zakelijke gronden en/of bij voorkeursbehandeling) werk-, advies- en/of uitvoeringsopdracht(en) aan [bv 6] zou gunnen en/of verstrekken;

6.
[Zaaksdossier 09 en 10: 16 valse facturen verstuurd aan [bv 6] en [bv 2] ]

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2008 tot en met 31 december 2009 te Hoofdorp, [gemeente 1] , in elk geval in Nederland, één of meer factu(u)r(en), te weten

- ( pagina AV1:008) een factuur van [eenmanszaak 1] , d.d. 17 april 2008, genummerd: 2008/FMC0001, ten bedrage van 17.825,-- euro en/of

- ( pagina AV1:014) een factuur van [bv 1] , d.d. 04 juli 2008, genummerd: 2008/LS0201, ten bedrage van 5.911,92 euro en/of

- ( pagina AV1:027) een factuur van [bv 1] , d.d. 01 september 2008, genummerd: 2008/LS0203, ten bedrage van 7.486,29 euro en/of

- ( pagina AV1:028) een factuur van [bv 1] , d.d. 08 november 2008, genummerd: 2008/LS0205, ten bedrage van 28.870,59 euro en/of

- ( pagina AV1:009) een factuur van [eenmanszaak 1] , d.d. 14 december 2008, genummerd: 2008/FMC0003, ten bedrage van 19.596,-- euro en/of

- ( pagina AV1:039) een factuur van [bv 1] , d.d. 01 maart 2009, genummerd: 2009/LS0301, ten bedrage van 17.992,80 euro en/of

- ( pagina AV1:044) een factuur van [bv 1] , d.d. 23 maart 2009, genummerd: 2009/LS0302, ten bedrage van 14.161,00 euro en/of

- ( pagina AV1:045) een factuur van [bv 1] , d.d. 23 mei 2009, genummerd: 2009/LS0305, ten bedrage van 10.710,00 euro en/of

- ( pagina AV1:046) een factuur van [bv 1] , d.d. 01 september 2009, genummerd: 2009/LS0308, ten bedrage van 23.631,02 euro en/of

- ( pagina ZD 09:686) een factuur van [bv 1] , d.d. 29 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0309, ten bedrage van 23.841,65 euro en/of

- ( pagina AV1:061) een factuur van [bv 1] , d.d. 14 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0310, ten bedrage van 24.811,50 euro en/of

- ( pagina AV1:010) een factuur van [eenmanszaak 1] , d.d. 30 oktober 2009, genummerd: 2009/FMC0001, ten bedrage van 20.424,00 euro en/of

- ( pagina AV1:011) een factuur van [eenmanszaak 1] , d.d. 10 november 2009, genummerd: 2009/FMC0002, ten bedrage van 18.078,00 euro en/of

- ( pagina ZD 09:687) een factuur van [bv 1] , d.d. 11 november 2009, genummerd: 2009/LS0311, ten bedrage van 28.675,43 euro en/of

- ( pagina ZD 09:688) een factuur van [bv 1] , d.d. 07 december 2009, genummerd: 2009/LS0313, ten bedrage van 53.864,16 euro en/of

- ( pagina AV1:076) een factuur van [bv 1] , d.d. 07 december 2009, genummerd: 2009/LS0314, ten bedrage van 41.352,50 euro

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid/valsheden van die factu(u)r(en) hierin dat:

- op de factuur, d.d. 17 april 2008, genummerd: 2008/FMC0001, ten bedrage van 17.825,00 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de maanden februari tot en met april van 2008 75 uren na 19.00 uur en 65 uren (anderzins) zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "advies- en bemiddelingswerkzaamheden voor de afdeling Directievoering, Toetsing, Beheer en Onderhoud" en/of

- op de factuur, d.d. 04 juli 2008, genummerd: 2008/LS0201, ten bedrage van 5.911,92 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de periode februari tot en met juni 2008 36 uren na 19.00 uur zou hebben besteed inzake Bemiddeling/advies inzake Stadsbeheer Den Haag" en/of

- op de factuur, d.d. 01 september 2008, genummerd: 2008/LS0203, ten bedrage van 7.486,29 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de weken 27 tot en met 33 van 2008 32 uren na 19.00 uur en in het weekend en 15 uren (anderzins) zou hebben besteed aan besprekingen en/of werkzaamheden inzake "Bemiddeling/advies inzake Asset Management" en/of

- op de factuur d.d. 08 november 2008, genummerd: 2008/LS0205, ten bedrage van 28.870,59 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de weken 34 tot en met 45 van 2008 97 uren na 19.00 uur en in het weekend en 87 uren (anderzins) zou hebben besteed aan besprekingen en/of werkzaamheden inzake "Bemiddeling/advies en diverse besprekingen Asset Management" en/of

- op de factuur, d.d. 14 december 2008, genummerd: 2008/FMC0003, ten bedrage van 19.596,00 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in het vierde kwartaal van 2008 92 uren na 19.00 uur en 60 uren (anderzins) zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "advies-, bemiddelings- en acquisitie werkzaamheden met name t.b.v. de regio Rotterdam/Dordrecht/Barendrecht" en/of

- op de factuur, d.d. 01 maart 2009, genummerd: 2009/LS0301, ten bedrage van 17.992,80 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in januari 2009 108 uren zou hebben besteed aan besprekingen en/of werkzaamheden inzake "Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] )" en/of

- op de factuur, d.d. 23 maart 2009, genummerd: 2009/LS0302, ten bedrage van 14.161,00 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in februari 2009 85 uren zou hebben besteed aan "Diverse nabesprekingen inzake "afronding Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] )" en/of

- op de factuur , d.d. 23 mei 2009, genummerd: 2009/LS0305, ten bedrage van 10.710,00 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de periode februari tot en met april 2009 72 uren zou hebben besteed aan "Diverse besprekingen ihkv acquisitie mogelijkheden m.b.t. de 'Nieuwe Gemeente' Bonaire, St Eustatius en Saba (BES)" en/of

- op de factuur, d.d. 01 september 2009, genummerd: 2009/LS0308, ten bedrage van 23.631,02 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de periode juni, juli en augustus 2009 66 uren na 19.00 uur en in het weekend en 88 uren (anderzins) zou hebben besteed aan besprekingen en advisering "t.b.v. Locatiekeuze (Rotterdam), Marktpotentie, Werven MBO-ers/HBO-ers, Diverse pagina's t.b.v. de nieuw op te zetten DTBO-website,etc" en/of

- op de factuur, d.d. 29 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0309, ten bedrage van 23.841,65 euro, valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de periode juli en augustus 2009 70 uren na 19.00 uur en in het weekend en 83 uren (anderzins) zou hebben besteed aan bijeenkomsten en/of werkzaamheden inzake "1e fase Beeldkwaliteitplannen en gemeentelijke onderhoudsstrategieën in Zuid-Holland" en/of

- op de factuur, d.d. 14 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0310, ten bedrage van 24.811,50 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in het 3e kwartaal van 2009 75 uren na 19.00 uur en in het weekend en 84 uren (anderzins) zou hebben besteed aan diverse besprekingen en advisering "t.b.v. Project 'Hubertus' tunnel te Den Haag en project Maas terras te Dordrecht" en/of

- op de factuur, d.d. 30 oktober 2009, genummerd: 2009/FMC0001, ten bedrage van 20.424,00 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de maanden juni tot en met september van 2009 148 uren na 19.00 uur en in het weekend zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "de vormen, systemen, branche onderzoek, resultaten en effecten, juridische aspecten, toepasbaarheid en flankerend beleid van tariefdifferentiatie in de afvalstoffenheffing DIFTAR" en/of

- op de factuur, d.d. 10 november 2009, genummerd: 2009/FMC0002, ten bedrage van 18.078,00 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de maanden september en oktober van 2009 131 uren na 19.00 uur en in het weekend zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "het inbedden van het VORT in de Taskforce Tunnels, Uitvoeren van het programma, Ontwikkelen van kaders en standaarden, Eisen tbv doorstroming en veiligheid, bouwkundige elementen, installaties, bediening, Inspecties en condities, Contracteringsfilosofie en Taakverdeling (Centraal of Decentraal) van het Programma VORT" en/of

- op de factuur, d.d. 11 november 2009, genummerd: 2009/LS0311, ten bedrage van 28.675,43 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de periode september en oktober 2009 94 uren na 19.00 uur en in het weekend en 89 uren (anderzins) zou hebben besteed aan bijeenkomsten en/of werkzaamheden inzake "Meerjaren structuurplannen en vraag gestuurd beheer en onderhoud" en/of

- op de factuur, d.d. 07 december 2009, genummerd: 2009/LS0313, ten bedrage van 53.864,16 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat het gefactureerde bedrag zou toezien op een "voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid-Holland" en/of

- op de factuur, d.d. 07 december 2009, genummerd: 2009/LS0314, ten bedrage van 41.352,50 euro valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in het 3e en 4e kwartaal van 2009 210 uren na 19.00 uur en in het weekend en 47 uren (anderzins) zou hebben besteed aan "werkzaamheden in het kader van samenstellen data base".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft aan de hand van haar schriftelijke requisitoir gemotiveerd uiteengezet dat de verdachte veroordeeld kan worden voor alle hem ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in hoger beroep aan de hand van haar pleitnota, met bijlagen, algehele vrijspraak bepleit en heeft daartoe, kort en zakelijk weergeven, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5: primair is geen sprake van het aannemen van giften, subsidiair had de verdachte geen wetenschap dat deze hem werden gedaan met betrekking tot zijn bediening, meer subsidiair is de verdachte niet bewogen tot het verrichten van een tegenprestatie en meest subsidiair heeft hij niet gehandeld in strijd met zijn plicht.

Ten aanzien van feit 6: de (mate van) valsheid van de facturen kan niet worden vastgesteld en de verdachte had geen opzet op het vervalsen van de facturen, dan wel op het als echt en onvervalst gebruiken daarvan.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het onder de feit 1 en 3 tenlastegelegde.

Beoordeling

Toetsingskader

De strafbaarstelling van passieve ambtelijke omkoping is als volgt geformuleerd in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dat ten tijde van het tenlastegelegde als volgt luidde1:

1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:

1°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

2°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;

3°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

4°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd, een feit begaat als in het eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.

3. Hij die een feit als omschreven in het eerste lid begaat in verband met zijn hoedanigheid van minister, staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde, burgemeester, wethouder of lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Het vertrouwen in het openbaar bestuur kan worden beschadigd door vertegenwoordigers van de overheid die grenzen van integer handelen overschrijden, maar ook door personen buiten de overheid die tot dergelijk gedrag aanzetten.2 Het rechtsgoed dat deze strafbepaling beoogt te beschermen kan worden omschreven als publiek vertrouwen in het objectief en zakelijk functioneren van ambtenaren.

Voor strafbaarheid op grond van artikel 363 Sr is voldoende dat de ambtenaar op het moment dat hij de gift aanneemt, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die gift hem is gedaan om hem te bewegen in de toekomst iets te doen of na te laten. Vereist is alleen, met andere woorden, dat de ambtenaar wist of moest vermoeden wat het doel van die gift was; het met de gift beoogde handelen of nalaten in zijn bediening (de tegenprestatie) hoeft niet daadwerkelijk te zijn gevolgd. Doorslaggevend is het kennelijke doel of de uiterlijke strekking van de gift. Voorwaardelijk opzet is daarbij toereikend.

Voor strafbaarheid van (passieve) ambtelijke omkoping is dus vereist dat de gift in relatie staat tot een (beoogde) ambtelijke tegenprestatie. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan echter worden afgeleid dat noch bij passieve, noch bij actieve omkoping een direct verband is vereist tussen een gift en een wederdienst; de ambtenaar hoeft niet daadwerkelijk door de gift te zijn bewogen tot het leveren van een concrete prestatie. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat artikel 177 Sr ook ziet op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar om daardoor een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan of te onderhouden, met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. Deze voorkeursrelatie hoeft in de tenlastelegging en bewezenverklaring niet nader te worden uitgelegd; aan het begrip ‘in zijn bediening iets doen of nalaten’ komt voldoende feitelijke betekenis toe. De omstandigheid dat de concrete tegenprestatie tussen partijen vaak onuitgesproken blijft, vermindert geenszins de strafwaardigheid van actieve of passieve omkoping.

In de rechtspraak is een ruime uitleg gegeven aan de woorden ‘in strijd met zijn plicht’. Het accepteren van giften die kunnen leiden tot een voorkeursbehandeling is in strijd met de plicht van de ambtenaar om objectief, neutraal en zakelijk te zijn in zijn taakuitoefening en valt daarmee onder het bereik van bovenstaand artikel.

Inleiding

De verdachte heeft begin jaren ’80 een MTS-opleiding weg- en waterbouw afgerond. Daarna heeft hij een aantal opleidingen gevolgd van technische aard en op het gebied van (overheids)management. Zijn cv vermeldt werkervaring bij een aannemersbedrijf, bij diverse gemeenten en bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De verdachte is met ingang van 1 december 2006 als ambtenaar aangesteld in de functie van clustermanager bij het cluster Beheer en Onderhoud (B&O) van de [gemeente 1] (hierna: de gemeente), met een dienstverband van 36 uur per week. Hij was eindverantwoordelijk voor alles wat zich afspeelde binnen het cluster, dat was onderverdeeld in vier gespecialiseerde teams met elk een teammanager. De verdachte gaf zodoende leiding aan ongeveer 80 personen. Hij was uit hoofde van zijn functie budgethouder en had onder meer als taak het fiatteren en ondertekenen van facturen voor geleverde diensten. De direct leidinggevende van de verdachte was tot 31 december 2007 groepsmanager [leidinggevende 1] . Na een reorganisatie was dat vanaf 1 april 2008 de directeur [leidinggevende 2] .

De verdachte was uit hoofde van zijn functie ook de ambtelijke opdrachtgever voor [bv 5] (hierna: [bv 5] ). [bv 5] is een zelfstandige vennootschap die het feitelijke beheer en onderhoud van de buitenruimte van de [gemeente 1] verzorgde. Op 19 augustus 2008 hebben B&W van de gemeente besloten – met terugwerkende kracht – vanaf 1 januari 2008 een 100 procent belang te verwerven in [bv 5] . Nadat de gemeente enig aandeelhouder is geworden, is de omzet van [bv 5] verdubbeld tot circa € 12 miljoen in 2009. Die stijging vloeide nagenoeg geheel voort uit opdrachten vanuit het cluster B&O. [medeverdachte 3] was vanaf 1 oktober 2006 statutair directeur van [bv 5] .

In de functie van clustermanager B&O heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode verschillende opdrachten gegeven aan [bv 2] (hierna: [bv 2] ) en aan [bv 3] (hierna: [bv 3] ).

De medeverdachte was destijds enig aandeelhouder, bestuurder en werknemer van [bv 3] , een onderneming die de directie voert over de dochtermaatschappijen van [bv 4] . [bv 2] is een dochter van [bv 4] . Namens [bv 4] voerde [bv 3] , in de persoon van de medeverdachte, de directie over [bv 2] . Deze vaststellingen leiden ertoe, dat het hof hierna de bedrijven [bv 2] en [bv 3] ook zal aanduiden als bedrijven van [medeverdachte 1] , al begrijpt het hof dat formeel niet [medeverdachte 1] , maar [bv 4] voor 100% eigenaar was van [bv 2] . Overigens werden de aandelen in [bv 4] qua zeggenschap gehouden door Stichting Administratiekantoor [bv 4] waarvan [medeverdachte 1] , samen met de heer [bestuurder] , bestuurder was. [bv 3] ontving van [bv 4] management fees.

In de tenlastegelegde periode zijn binnen het cluster B&O diverse personen ad interim te werk gesteld. Zij waren veelal ingehuurd van/gedetacheerd door [bv 2] , [bv 3] of daaraan gelieerde bedrijven die daarmee in de jaren 2008 en 2009 ruim € 1 miljoen aan omzet genereerden.

De verdachte heeft ten tijde van zijn dienstverband als ambtenaar in de tenlastegelegde periode namens de onderneming [bv 1] (hierna: [bv 1] ) en de eenmanszaak [eenmanszaak 1] (hierna: [eenmanszaak 1] ) facturen verzonden voor beweerdelijk geleverde diensten en adviezen aan bedrijven van de medeverdachte. Van deze bedrijven was de verdachte directeur/enig aandeelhouder respectievelijk eigenaar, en enig werknemer.

[bv 1] en [eenmanszaak 1] factureerden in deze periode ook aan een onderneming waaraan [bv 5] werk uitbesteedde: [bv 6] (hierna: [bv 6] ). [medeverdachte 2] was middellijk enig bestuurder van [bv 6] .

[bv 6] en [bv 3] hebben op hun beurt in de tenlastegelegde periode facturen verstuurd en betaald gekregen voor beweerdelijk geleverde diensten en adviezen aan [bv 5] .

In 2007 heeft een medewerker van de gemeente gemeld dat de verdachte zich niet aan de aanbestedingsregels zou houden. Eind december 2009 is door een onderaannemer van [bv 5] melding gemaakt van fraude, corruptie en valsheid in geschrift tegen onder meer de verdachte en tegen [medeverdachte 3] . Op 6 januari 2010 is aan de verdachte door Burgemeester en Wethouders van de gemeente buitengewoon verlof verleend. Op 17 februari 2010 is hem met onmiddellijke ingang strafontslag aangezegd, naar aanleiding van het verstrekken van valse informatie in verband met het verkrijgen van zijn aanstelling als ambtenaar (feit 1). De gemeente heeft [bv 11] Bedrijfsrecherche ingeschakeld om de fraudemeldingen nader te onderzoeken. Tevens is na het vertrek van de verdachte een overzicht van uitgaven door het cluster B&O in 2008 en 2009 opgesteld (hierna: de spendanalyse). Op 10 mei 2010 heeft [aangever] , de gemeentesecretaris van de [gemeente 1] , bij de politie aangifte gedaan tegen de verdachte. Enkele maanden daarna is het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de aangifte overgenomen door de Rijksrecherche.

Feiten 1 en 3

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat hij het in feit 1 genoemde ontslagbesluit vals heeft opgemaakt. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdachte in hoger beroep, op de vraag of hij de factuur van [bv 7] vals heeft opgemaakt, geantwoord dat een deel van de omschrijving op de factuur niet juist is. Gelet op deze verklaringen van de verdachte, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, komt het hof tot het oordeel dat feit 1 en feit 3 kunnen worden bewezen.

Feit 5

Het hof bespreekt eerst feit 5 omdat daarbij het meest in het oog springt met welk gemak de verdachte, als ambtenaar, betalingen accepteert van bedrijven die voor hun opdrachten mede afhankelijk zijn van de [gemeente 1] . Daar komt bij dat de [medeverdachte 2] deze betalingen onomwonden heeft laten boeken als kosten op een project dat [bv 6] van [bv 5] ten behoeve van de [gemeente 1] heeft gekregen.

Hiervoor is al overwogen dat de [gemeente 1] voor 100% eigenaar is geworden van [bv 5] . De voornaamste opdrachtgever van [bv 5] was de gemeente. [bv 5] voerde de opdrachten echter niet enkel uit met eigen personeel, maar huurde daarvoor ook andere bedrijven in, waaronder [bv 6] .

[medeverdachte 2] , de (middellijk) directeur van [bv 6] , heeft bij de Rijksrecherche verklaard dat hij [medeverdachte 3] , directeur van [bv 5] , heeft gevraagd hoe hij de verdachte kon benaderen. Hij wist dat de verdachte voor de gemeente werkte en dat hij een eigen ‘bedrijfje’ had. Op 11 juni 2009 hebben [medeverdachte 2] , de verdachte en [medeverdachte 3] gezamenlijk een ‘uitsmijtertje gegeten’. [medeverdachte 2] heeft in het najaar van 2009 drie betalingen gedaan aan [bv 1] , voor een totaalbedrag van € 106.381,24.

Het hof stelt vast dat er geen reële opdrachten of andersoortige overeenkomsten ten grondslag hebben gelegen aan deze drie betalingen. Het hof acht daartoe allereerst van belang dat [bv 6] deze betalingen in haar boekhouding heeft verwerkt als kosten van het project P9259. Dit project betreft ‘Verhardingsmaatregelen 2008-2010’. Uit deze omstandigheid blijkt dat [medeverdachte 2] deze betalingen zag als ‘kostenpost’ voor de opdracht die hij van [bv 5] ontving en die betrekking had op de verhardingsmaatregelen binnen de [gemeente 1] . [medeverdachte 2] heeft geen plausibele verklaring gegeven voor het boeken van de betalingen aan [bv 1] als kosten voor het project ‘Verhardingsmaatregelen 2008-2010’.

Daar komt bij dat niet aannemelijk is geworden dat deze betalingen voortvloeiden uit werkelijk tussen [bv 6] en [bv 1] gesloten overeenkomsten. Het hof overweegt over deze gestelde overeenkomsten het volgende.

Betaling 1 (Factuur 2009/LS0309)

[bv 6] heeft op 9 november 2009 een geldbedrag van € 23.841,65 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] . Deze betaling zou zijn gedaan naar aanleiding van de factuur van [bv 1] van 29 oktober 2009 met nummer 2009/LS0309. [medeverdachte 2] heeft bij de Rijkrecherche daarover verklaard, dat hij de verdachte heeft gevaagd een ‘beeldkwaliteitsplan’ voor hem uit te werken. Op deze factuur is vermeld dat de verdachte 153 uur heeft besteed aan ‘1e fase Beeldkwaliteitsplannen en gemeentelijke onderhoudsstrategieën in Zuid-Holland’.

De verdachte heeft [medeverdachte 2] een document van 15 pagina’s aangeleverd met als titel ‘Beheer Kwaliteitsplan in de Openbare Ruimte’. De verdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard dat hij zijn kwaliteitsplan voor 80 à 90 procent zelf heeft geproduceerd en het dus zijn ‘intellectueel eigendom’ is. De verdachte heeft bij de Rijksrecherche zodoende voorgewend dat hij werk heeft verzet als tegenprestatie. In een later stadium heeft de verdachte daaraan nog toegevoegd, dat zijn rapport erg lijkt op een rapport van de onderneming [bv 12] , omdat de basis van zijn rapport en het rapport van [bv 12] dezelfde is. De systematiek is dezelfde, aldus de verdachte.

De Rijksrecherche heeft het product van [bv 1] / [verdachte] echter vergeleken met een rapport van [bv 12] met als titel ‘Integraal beheerkwaliteitplan’ van oktober 2009 dat [bv 12] in opdracht van de verdachte zelf had opgemaakt voor het cluster Beheer en Onderhoud. De rapporten zijn woordelijk vrijwel identiek. In het rapport dat de verdachte [medeverdachte 2] heeft toegezonden, ontbreken passages en zinnen die in het oorspronkelijke rapport van [bv 12] waren opgenomen.

Betaling 2 (Factuur 2009/LS0311)

Op 2 december 2009 heeft [bv 6] een geldbedrag van € 28.675,43 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] . Deze betaling komt overeen met het bedrag op een factuur van [bv 1] van 11 november 2009 met nummer 2009/LS0311. Op deze factuur is vermeld dat de verdachte 183 uur heeft besteed aan ‘Meerjaren structuurplannen en vraag gestuurd beheer en onderhoud’.

[medeverdachte 2] heeft over deze factuur tegenover de Rijksrecherche verklaard, dat hij van [bv 5] de opdracht kreeg een inventarisatie te maken van de openbare verharding voor de gemeente. Hij heeft de verdachte gevraagd foto’s aan te leveren. De verdachte heeft deze foto’s en andere gegevens uitgewerkt in een rapport. De verdachte heeft bij de Rijkrecherche echter anders verklaard dan [medeverdachte 2] ; in het kader van de tweede fase van het Beheerkwaliteitsplan, heeft hij diverse zaken opgevraagd en gelezen, zoals bestekken en beleidsplannen. Hij heeft geen fysiek product aangeleverd. Nadat [medeverdachte 2] was geconfronteerd met deze verklaring van de verdachte, volhardde [medeverdachte 2] dat het ging om werkzaamheden door de verdachte ten behoeve van de inventarisatie van de openbare verharding. Het hof stelt dan ook vast dat [medeverdachte 2] en de verdachte tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de achtergrond van deze betaling. Deze omstandigheid wijst er op dat er tussen [bv 1] en [bv 6] geen reële overeenkomst bestond waaruit een betalingsverplichting voor [bv 6] voortvloeide.

Betaling 3 (Factuur 2009/LS0313)

[bv 6] heeft op 17 december 2009 een geldbedrag van € 53.864,16 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] . Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de factuur van [bv 1] van 7 december 2009 met nummer 2009/LS0313. Op deze factuur is vermeld dat [bv 1] het factuurbedrag in rekening brengt als ‘Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord- en Zuid-Holland’. [medeverdachte 2] heeft over deze factuur bij de Rijksrecherche verklaard, dat de verdachte personeel zou aanleveren ten behoeve van de opdracht van [bv 5] ten aanzien van de verhardingsmaatregelen, maar dat is niet gebeurd. De opdracht is niet doorgegaan; de factuur was een voorschot. De verdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard, dat hij twee mensen zou leveren en dat hij daar een voorschot voor wilde hebben. Uiteindelijk heeft hij niets geleverd. De verdachte heeft verklaard dat hij andere werkzaamheden heeft verricht tegenover deze betaling, voor een project genaamd ‘machinaal straten’. Geconfronteerd met het laatste deel van deze verklaring van de verdachte, heeft [medeverdachte 2] geantwoord dat deze verklaring van de verdachte niet waar is. Het hof stelt dan ook vast, dat de verdachte en [medeverdachte 2] met betrekking tot de grondslag van de betaling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Niet geloofwaardig is bovendien, dat [bv 1] en [bv 6] reeds voor of op 7 december 2009 een overeenkomst hadden gesloten tot inhuur van personeel voor een onderaannemingscontract dat eerst ruim een week later tussen [bv 5] en [bv 6] werd gesloten. De verklaring van de verdachte dat de bij [bv 6] aangetroffen factuur is vervangen door een andere factuur voor andere werkzaamheden is evenmin geloofwaardig. Die tweede factuur is volgens de verdachte de factuur die is aangetroffen op de externe harde schijf van de verdachte. Het hof acht echter van belang dat deze factuur op 7 december 2009 is gedateerd en als omschrijving heeft: ‘Diverse bijeenkomsten, voorbesprekingen, afspraken en advisering t. b.v. project 9259’. Gefactureerd worden uren die door [bv 1] ten behoeve van het [bv 6] -project 9259 zouden zijn gemaakt in het 3e en 4e kwartaal. Zoals al eerder is benoemd, was project 9259 het project Verhardingsmaatregelen 2008-2010. Door [bv 1] kunnen in het derde en vierde kwartaal van 2009 geen werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van het project Verhardingsmaatregelen omdat, belangenverstrengeling nog daargelaten, de overeenkomst aangaande dit project tussen [bv 5] en [bv 6] pas op 16 december 2019 werd gesloten.

Het hof stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de betalingen door [bv 6] aan [bv 1] geen nakomingen betreffen van verplichtingen die uit een zakelijke overeenkomst voortvloeiden. Zonder aannemelijk geworden verklaring die tot een ander oordeel moet of zou kunnen leiden, kan het niet anders dan dat deze betalingen feitelijk giften waren van [bv 6] aan de verdachte. Dat deze betalingen via de bankrekening liepen van [bv 1] maakt geen verschil voor de waardering van dit bewijs. De verdachte heeft als natuurlijke persoon en tevens ambtenaar betalingen aangenomen van [bv 6] .

‘Tegenprestaties’

Op 11 juni 2009 hebben, zoals hierboven reeds genoemd, [medeverdachte 2] , de verdachte en [medeverdachte 3] elkaar ontmoet. Uit de administratie van [bv 5] blijkt dat door dat bedrijf vanaf 12 juni 2009 een reeks aan opdrachten is gegeven aan [bv 6] voor een bedrag van in totaal € 495.267,94. Op 9 december 2009 heeft de gemeente, in de persoon van de verdachte, [bv 5] de opdracht gegeven tot Uitvoering Verhardingsmaatregelenpakket 2008-2010 voor een totaalbedrag van € 878.000. Een deel van dit project, groot € 533.200, is op 16 december 2009 door [bv 5] gegund aan [bv 6] als onderaannemer. De laatste betaling van [bv 6] aan [bv 1] is een dag later gedaan.

Het is hof is, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de giften van [bv 6] aan [bv 1] , en daarmee aan de verdachte, geen ander doel hadden dan te bewerkstelligen dat [bv 6] opdrachten, die de [gemeente 1] aan [bv 5] verstrekte, geheel of gedeeltelijk mocht uitvoeren. De verdachte heeft in dit verband nog verklaard dat hij geen enkele zeggenschap had over [bv 5] . Dat is formeel juist, in de zin dat de verdachte geen aanstelling bij of vertegenwoordigingsbevoegdheid had voor [bv 5] . [bv 5] ontving echter in de jaren 2008-2009 het leeuwendeel van haar omzet van de gemeente, meer specifiek van de cluster Beheer & Onderhoud. De verdachte was naar eigen zeggen als clustermanager ambtelijk opdrachtgever voor [bv 5] . Dat hij zodoende invloed kon uitoefen op de aan (en door) [bv 5] te verstrekken opdrachten, blijkt ook uit de verklaringen van [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat (buiten de bestekken om) al het extra werk van [bv 5] binnenkwam via de directeur [medeverdachte 3] . Die stemde dat dan weer af met “ [verdachte] ” (het hof begrijpt: de verdachte). Het gros van die werkzaamheden kwam volgens [getuige 1] voort uit contact tussen “ [verdachte] ” en de wethouders en burgemeester.

De verdachte heeft nog verklaard dat het ‘Verhardingsmaatregelenpakket’ niet uit zijn koker kwam, maar uit die van wethouder [getuige 2] om de winst van [bv 5] te drukken. Nog daargelaten of dat juist is, betekent dat niet dat daarmee (door [getuige 2] ) was bepaald dat [bv 6] die opdracht zou krijgen.

Door van [bv 6] betalingen te aanvaarden en als clustermanager Beheer & Onderhoud zijn invloed op [bv 5] aan te wenden in relatie tot aan [bv 6] te verstrekken opdrachten, heeft de verdachte [bv 6] een voorkeursbehandeling gegeven. Mede gezien het hiervoor beschreven toetsingskader heeft hij daarmee evident gehandeld in strijd met zijn plicht als ambtenaar. Het hof is daarom van oordeel dat het onder 5 tenlastegelegde kan worden bewezen.

Feit 4

De medeverdachte heeft op 21 november 2011 een ordner overhandigd aan de Rijksrecherche met daarin kopiefacturen van [eenmanszaak 1] en [bv 1] , gericht aan [bv 2] of [bv 3] met daarachter, voor zover beschikbaar, de onderliggende door de verdachte geproduceerde stukken. Blijkens het proces-verbaal van zijn verhoor op 15 juli 2011 heeft de medeverdachte met deze overhandiging beantwoord aan een verzoek van de Rijksrecherche om alle opdrachten aan en facturen en producten van de verdachte, via [bv 1] of anderszins, vrijwillig aan de Rijksrecherche te verstrekken. De ordner bevat geen schriftelijke opdrachten, offertes of verzoeken tot offerte.

Kopieën van deze facturen en daarop betrekking hebbende stukken en bijlagen zijn ook bij de verdachte aangetroffen, op zijn woonadres of in een opslagbox in Alphen aan den Rijn.

In een periode van 19 maanden heeft de medeverdachte op basis van 13 van de aangetroffen facturen een totaalbedrag van ruim € 250.000 (incl. BTW) betaald aan de verdachte. Het standpunt van zowel de verdachte als de medeverdachte is, dat de op de facturen van (de ondernemingen van) de verdachte omschreven werkzaamheden en uren daadwerkelijk zijn verricht en gemaakt en dat sprake was van overdracht van – in bedrijfseconomische zin – waardevol advies, ‘kennis en kunde’.

Door de verdachte gemaakte uren

De partner van de verdachte met wie hij samenwoonde, [getuige 3] , heeft verklaard dat in de periode dat de verdachte bij de gemeente werkte het aantal uren dat hij voor zijn eigen bedrijven werkte beperkt bleef tot twee á drie avonden per week, steeds maximaal 2 of 3 uur. Daartoe rekende zij ook de uren voor netwerken, lunch, en dergelijke. Zij telde daarbij niet mee het aantal uren dat de verdachte aanwezig was bij Raadsvergaderingen. Voorts heeft zij verklaard: ‘Ik heb altijd het idee gehad dat het meer om een leukigheid ging, om het erbij te doen en een eigen bedrijfje te hebben. Het gaat dan ook zeker niet om een bedrijf met een omzet van tonnen. (…). Kijk ik naar de periode dat [verdachte] nog werkte in de Haarlemmermeer, dan kan ik zeggen dat hij dag en nacht werkte voor de gemeente. Een omzet van een ton zou logischerwijs dan helemaal niet kunnen’.

De aanvankelijk leidinggevende van de verdachte, [leidinggevende 1] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte lange dagen maakte voor de gemeente en dat hij regelmatig op zijn vrije vrijdag en in het weekend werkte. [leidinggevende 1] had de indruk dat de verdachte ‘dag en nacht’ voor de gemeente werkte en dat de bedrijven van de verdachte ‘slapend’ waren; de verdachte had het te druk met zijn werkzaamheden binnen de gemeente.

[leidinggevende 2] , de opvolger van [leidinggevende 1] , heeft verklaard dat zijn indruk was dat de verdachte meer werkte dan 36 uur; hij werkte namelijk ook buiten de reguliere werktijden.

De verdachte heeft verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode, naast zijn relatie met [getuige 3] en zonder dat zij daarvan op de hoogte was, een relatie onderhield met een andere vrouw. Deze vrouw heeft dat beaamd en heeft verklaard dat de verdachte in die periode ook met haar regelmatig tijd doorbracht.

Verklaring van de medeverdachte

De medeverdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – als getuige in de zaak tegen de verdachte – steeds verklaard dat hij de verdachte heeft betaald voor de uren die zij, bijna iedere dag na werktijd en soms ook in het weekend, samen pratend over verschillende onderwerpen, hebben doorgebracht. De medeverdachte maakte geen voorafgaande afspraken met de verdachte over het aantal te declareren uren. Hij is, zo verklaarde hij, geen lezer en had daarom geen enkele behoefte aan het ontvangen van stukken. Hij heeft verklaard dat hij ‘verhalen’ wilde horen van de verdachte en dat hij daar ‘geld voor over had’. De medeverdachte heeft – zoals hieronder nog nader zal worden geduid – niet of nauwelijks concreet en per factuur kunnen aangeven welk advies hij nodig had en hoe hij de ‘verhalen’ van de verdachte heeft kunnen gebruiken ten behoeve van zijn bedrijfsvoering. De opdrachten aan de verdachte zijn, volgens zowel verdachte als de medeverdachte, steeds mondeling gegeven.

Betaling 1 en 9

[bv 2] heeft op 28 april 2008 € 17.825,00 overgemaakt op de privé bankrekening van de verdachte, overeenkomstig de factuur 2008/FMC0001 van 17 april 2008 met als onderwerp ‘advies- en bemiddelingswerkzaamheden voor de afdeling Directievoering, Toetsing, Beheer en Onderhoud’.

Op de factuur is aangegeven dat de verdachte 75 uur na 19.00 uur of in het weekend en 65 uur anderszins heeft besteed aan werkzaamheden met betrekking tot deze factuur in de maanden februari tot en met april 2008. Inzake deze factuur is geen door de verdachte geproduceerd stuk aangetroffen in de map die door de medeverdachte aan de Rijksrecherche is overhandigd.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni 2019 – als getuige – verklaard dat hij de verdachte heeft betaald voor adviesgesprekken inzake de inhoudelijke verandering van de al bestaande afdeling Directie, Toezicht, Beheer en Onderhoud (hierna te noemen: DTBO) en dat hij 140 uren daarvoor niet te veel vond.

[getuige 4] (hierna te noemen [getuige 4] ), destijds werkzaam bij [bv 2] , heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij sinds 2004 en ook in 2007 en 2008 bij [bv 2] de afdeling DTBO runde. Hij heeft geen rol gespeeld bij de inschakeling van de verdachte, de betaling of de beoordeling van de kwaliteit van het geleverde werk en hij heeft evenmin resultaat gezien of bemerkt van de werkzaamheden van de verdachte.

[bv 2] heeft op 14 september 2009 € 23.631,02 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 1 september 2009 met nummer 2009/LS0308 met als onderwerp ‘adviezen met betrekking tot de door [bv 2] nieuw op te zetten afdeling Beheer en Onderhoud: DTBO’. Op de factuur in kwestie is aangegeven dat in de periode juni, juli en augustus 2009 66 uren na 19.00 uur en in het weekend en 88 uur anderszins zijn besteed aan: locatiekeuze (Rotterdam), Marktpotentie, Werven MBO-ers/HBO-ers, diverse pagina’s t.b.v. de nieuw op te zetten DTBO-website, etc.

De verdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard, dat de medeverdachte ondersteuning wilde bij het oprichten van een nieuwe vestiging op DTBO gebied. De verdachte heeft, naar eigen zeggen, in 2009 een rapport van elf pagina’s “samengesteld en gemaakt” met de naam ‘een nieuwe afdeling…..Directie, Toezicht, Beheer en Onderhoud’. Dat rapport was afgedrukt op papier van [bv 1] . [getuige 4] , die de afdeling DTBO van [bv 2] sinds 2004 runde, heeft verklaard dat hij genoemd rapport grotendeels heeft herkend als in 2004 onder dezelfde titel door hemzelf opgesteld. Uit het dossier blijkt, dat [bv 2] al in 2004 een afdeling DTBO had. Geconfronteerd met de verklaring van [getuige 4] heeft de verdachte vervolgens ten overstaan van de rechter-commissaris als getuige verklaard, dat het rapport van [getuige 4] heeft gediend als “praatstuk”, dat hij er “aantekeningen op heeft gemaakt” en dat hij de consequenties moest benoemen voor de bemensing als men een afdeling DTBO zou oprichten. Er is in het dossier inderdaad een versie van het rapport aangetroffen met daarop enkele aantekeningen van, kennelijk, de verdachte.

Uit het voorgaande concludeert het hof, dat de verdachte wisselend heeft verklaard en dat de beide verdachten elkaar tegenspreken. Het hof acht onaannemelijk dat de medeverdachte ruim € 40.000 zou hebben betaald voor een oud rapport – een plan met overigens zeer algemene inhoud geschreven door één van zijn medewerkers – dat hem al bekend was, inzake een al bestaande afdeling. De aantekeningen die de verdachte op het rapport heeft gemaakt zijn uiterst summier en getuigen al helemaal niet van een inhoudelijk vernieuwende visie op een dergelijke afdeling. Ter terechtzitting is nog, zowel door de verdachte als de medeverdachte, gezegd dat het niet (ondanks de eerdere verklaringen van de verdachte en de titel van het rapport) ging om een nieuw op te richten afdeling, maar om een te vernieuwen afdeling: de focus moest komen te liggen op “toetsing” in plaats van “toezicht”, en dat je voor “toetsing” anders (hoger) gekwalificeerde mensen nodig hebt. Ten aanzien daarvan merkt het hof op, dat genoemde aantekeningen van de verdachte op geen enkele manier in die richting wijzen. En overigens heeft de medeverdachte, noch de verdachte zelf, ook maar enigszins kunnen concretiseren wat in dat opzicht de relevante inhoud is geweest van het advies van de verdachte, die in totaal 314 (75 + 65 + 66 + 88) uur heeft gedeclareerd op dit onderwerp. Het hof concludeert dan ook dat beide betalingen een gift waren.

Betaling 2

[bv 2] heeft op 8 juli 2008 € 5.911,92 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 4 juli 2008 met nummer 2008/LS0201 met als onderwerp ‘bemiddeling/advies Inzake Stadsbeheer Den Haag’. Op de factuur is aangegeven dat de verdachte 36 uur na 19.00 uur heeft besteed aan werkzaamheden in de periode februari tot en met juni 2008.

[bv 2] heeft op 20 juni 2008 een notitie van 10 pagina’s inzake Stadsbeheer Den Haag van [bv 1] ontvangen. In het dossier bevindt zich ook het rapport ‘Stadsdeelplan Segbroek 2008-2011’ van de Gemeente Den Haag, gedateerd 1 november 2007. Gezien de inhoud van beide stukken bestaat de notitie van [bv 1] nagenoeg geheel uit delen van dat rapport.

De verdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard dat hij zelf (marketing)onderzoek heeft gedaan in de wijk Segbroek in Den Haag, resulterend in genoemde notitie. Later heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij voor de notitie passages uit het eerder genoemde rapport heeft overgenomen.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni 2019 – als getuige – verklaard dat hij de verdachte, een Hagenaar met kennis van de stad, heeft gevraagd marketing onderzoek te doen bij Stadsbeheer. Weliswaar had zijn bedrijf op dat moment al werknemers gedetacheerd bij Stadsbeheer, maar die mensen hadden een technische achtergrond en geen kennis van marketing, zodat hij die kennis bij de verdachte moest halen.

De verdachte heeft de opleiding MTS weg- en waterbouw afgerond en heeft, gezien zijn cv, vanaf 1989 maximaal een jaar in Den Haag gewerkt als teamleider Stadsdeelreiniging en heeft geen ervaring op het gebied van bedrijfsmarketing. Ter terechtzitting in hoger beroep op 7 november 2019 heeft de verdachte verklaard dat hij in het kader van deze factuur plannen van de gemeente Den Haag heeft gelezen, raadsbesluiten en begrotingen.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat uit de verklaringen van de beide verdachten niet kan blijken dat de door de verdachte gefactureerde uren concrete, bruikbare of anderszins waardevolle advisering betreffen. Ook deze betaling merkt het hof daarom aan als een gift.

Betaling 3 en 4

[bv 2] heeft op 15 september 2008 € 7.486,29 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 1 september 2008 met nummer 2008/LS0203 met als onderwerp ‘bemiddeling/advies Inzake Asset Management’. Op de factuur is aangegeven dat de verdachte aan deze activiteiten 32 uur na 19.00 uur en in het weekend en 15 uur anderszins heeft besteed in de weken 27 tot en met 33 van 2008.

[bv 2] heeft op 17 november 2008 € 28.870,59 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 8 november 2008 met nummer 2008/LS0205 met als onderwerp ‘bemiddeling/advies Inzake Asset Management’. Op de factuur is aangegeven dat de verdachte 97 uur na 19.00 uur en in het weekend en 87 uur anderszins heeft besteed aan diverse besprekingen in de weken 34 tot en met 45 in 2008.

De medeverdachte heeft in dit verband op 2 november 2008 een door de verdachte opgesteld ‘bespreekdocument omtrent Asset Management’ ontvangen. De verdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard, dat hij dit document “origineel zelf heeft geproduceerd en geschreven”. Later bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij het stuk heeft vervaardigd op basis van een aantal “brondocumenten”. Gezien afdrukken in het dossier (printscreen) van op het internet aangetroffen informatie omtrent asset management, is genoemd bespreekdocument nagenoeg geheel (slordig) samengesteld uit delen van verschillende op het internet aanwezige, vrij toegankelijke informatiebrochures van derden, waaronder de internetpagina van TNO.

De verdachte heeft in het kader van asset management bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij in de gedeclareerde uren aan de medeverdachte heeft uitgelegd wat de gevolgen zijn voor “de visie, de strategie en het beleid” van diens bedrijf bij het maken van een vertaalslag naar asset management. De verdachte moest in voor de medeverdachte “begrijpelijke taal” die gevolgen uitleggen. De tweede factuur ziet volgens de verdachte op een verdiepingsslag in dit kader. Ter terechtzitting in hoger beroep op 7 november 2019 heeft de verdachte op dit onderwerp nog uiteengezet dat hij veel kennis heeft over de nieuwe wijze van beheer van ‘assets’. Die verklaring is niet te rijmen met de omstandigheid dat hij die specifieke kennis niet heeft neergelegd in een eigen document en in plaats daarvan, door middel van knippen en plakken, een zeer algemeen stuk heeft samengesteld.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni 2019 – als getuige – verklaard dat [bv 2] leeft van het beschikbaar stellen van geschikt personeel en dat hij in zijn algemeenheid behoefte had aan alle informatie die de verdachte hem kon geven over asset management. De verdachte heeft hem kennis geleverd, in dagelijkse gesprekken na 17.00 uur. De medeverdachte heeft verklaard en onderbouwd dat zijn bedrijf vanaf 2010 ‘dik’ 10 miljoen euro heeft omgezet door detachering van personeel op het gebied van asset management. Hij heeft echter niet verklaard dat en zo ja, hoe de verdachte daaraan concreet heeft bijgedragen, laat staan dat dit aannemelijk is geworden.

Uit het voorgaande concludeert het hof, dat de verdachte 231 uur heeft gedeclareerd aan de medeverdachte, terwijl niet gebleken is dat hij concrete en – in bedrijfseconomische zin – waardevolle werkzaamheden heeft verricht of adviezen heeft gegeven. Beide betalingen moeten dan ook aangemerkt worden als een gift.

Betaling 5

[bv 3] heeft op 22 december 2008 € 19.596,00 overgemaakt op een privé bankrekening van de verdachte overeenkomstig de factuur van 14 december 2008 met nummer 2008/FMC0003 met als onderwerp ‘bemiddelings- en acquisitie werkzaamheden met name t.b.v. de regio Rotterdam/Dordrecht/Barendrecht’. Op de factuur staat vermeld dat 92 uur na 19.00 uur en 60 uur anderszins, is besteed in het vierde kwartaal van 2008 aan de omschreven werkzaamheden. Het dossier bevat geen schriftelijk stuk dat naar aanleiding van deze werkzaamheden is geproduceerd.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting op 27 juni 2019 als getuige verklaard, dat hij de verdachte heeft gevraagd “om zich heen te kijken” voor de vestiging van [bv 2] in Rotterdam, met de focus op het Havenbedrijf en Vopak. De verdachte heeft ter zitting op 7 november 2019 verklaard dat hij “heeft gekeken wat de gemeenten in de regio Drechtsteden aan plannen hadden”. Noch de verdachte, noch de medeverdachte – als getuige – heeft ter terechtzitting in hoger beroep duidelijk kunnen maken welke werkzaamheden de verdachte heeft uitgevoerd in de 152 uur die hij heeft gedeclareerd. Ook deze betaling wordt daarom aangemerkt als een gift.

Betalingen 6 en 7

[bv 2] heeft op 11 maart 2009 € 17.992,80 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 1 maart 2009 met nummer 2009/LS0301 met als onderwerp ‘diverse besprekingen inzake Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] ) in januari 2009’.

Op 6 april 2009 heeft [bv 2] € 14.161,00 overgemaakt op dezelfde bankrekening overeenkomstig de factuur van 23 maart 2009 met nummer 2009/LS0302 met als onderwerp ‘diverse nabesprekingen inzake afronding Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] ) in februari 2009’. Op de facturen is aangegeven, dat de verdachte in januari 2009 108 uur en in februari 2009 85 uur heeft besteed. Voor dit project is geen rapport opgemaakt, er is slechts een acquisitiebrief van 6 februari 2009 aangetroffen van [bv 1] gericht aan [bv 8] , waarvan de inhoud grotendeels is overgeschreven van de website van [bv 2] . De inhoud van deze brief ziet niet op het detacheren van vaklieden naar Dubai, maar op een kostenbeheersmodel. Onduidelijk is gebleven of de brief is verstuurd.

De verdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard dat hij – naar aanleiding van zijn eigen sollicitatie in Dubai – de medeverdachte heeft benaderd om gezamenlijk vacatures in te vullen in Dubai en daartoe mensen in Nederland te benaderen. In dat kader heeft de verdachte volgens eigen zeggen drie sollicitatiegesprekken gevoerd. Inclusief het verzamelen van informatie (over arbeidsvoorwaarden, verzekeringen, termijn, belastingen), heeft de verdachte daar de 193 gedeclareerde uren aan besteed. De verdachte heeft zich later herinnerd dat één van de sollicitanten [getuige 6] was en dat hij twee maal langdurig met deze man heeft gesproken. De andere namen weet hij niet meer.

[getuige 6] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat hij in oktober 2009 eenmaal een oppervlakkig gesprek heeft gevoerd met de verdachte over de mogelijkheid naar Dubai te gaan. Het was zeker geen concreet sollicitatiegesprek, alleen al omdat de verdachte toen zelf nog bezig was daar te solliciteren. Geconfronteerd met deze verklaring van [getuige 6] heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 7 november 2019 geantwoord, dat hij de sollicitatiegesprekken ‘interviews’ had moeten noemen.

De medeverdachte heeft bij de Rijksrecherche over de beide facturen verklaard dat de verdachte heeft onderzocht welke mogelijkheden er waren in Dubai. Zij hadden ‘voortgangsgesprekken’, maar uiteindelijk werd het helemaal niets.

Het hof stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de verklaring die de verdachte hierover heeft afgelegd strijdig is met de verklaring die getuige [getuige 6] daarover heeft afgelegd. Daarbij komt dat ongeloofwaardig is, dat de verdachte voor de bedrijven van de medeverdachte van nut of waarde zou kunnen zijn met vooronderzoek rond ‘arbeidsvoorwaarden, verzekeringen, termijn, belastingen’ op detacheringsgebied. De verdachte was immers werkzaam op het gebied van openbare werken, beheer en onderhoud. De ondernemingen van de medeverdachte, zelf opgeleid als jurist, hebben als core business het detacheren van specialisten bij overheden en bedrijven. Ten slotte stelt het hof vast dat het enige document dat een onderbouwing zou kunnen zijn voor een onderzoek naar mogelijkheden in Dubai, een document betreft dat, gelet op de gekopieerde inhoud, geen functie kan hebben gehad.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte in twee maanden tijd bijna 200 uur heeft gedeclareerd aan een bedrijf van de medeverdachte – alle facturen zijn door de laatste ter betaling geaccordeerd – terwijl daar geen reële werkzaamheden tegenover hebben gestaan. Beide betalingen zijn dus aan te merken als een gift.

Betaling 8

[bv 2] heeft op 1 juni 2009 € 10.710,00 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 23 mei 2009 met nummer 2009/LS0305 met als onderwerp ‘diverse besprekingen ihkv acquisitie mogelijkheden m.b.t. de “Nieuwe Gemeente” Bonaire, St Eustatius en Saba (BES) in de periode febr-apr. 2009’.

Er is in het kader van deze factuur geen product in de vorm van een schriftelijk stuk aangetroffen. De verdachte heeft 72 uren in rekening gebracht. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij “politieke contacten heeft gelegd” en dat hij “onderzoek heeft gedaan aan de hand van een stuk dat hij van de medeverdachte had gekregen en informatie die hij van een ex-collega op Bonaire kreeg”. Ter terechtzitting in hoger beroep op 7 november 2019 heeft de verdachte daar nog aan toegevoegd, dat hij binnen de gemeente contact heeft gehad “met iemand die daar contacten had”. Hij zelf had kennelijk geen contacten van enig niveau op de BES eilanden.

De medeverdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard, dat de verdachte niet naar de BES-eilanden is gereisd om voor hem de mogelijkheden in de nieuwe gemeenten te onderzoeken en dat “er niets is uitgekomen”. Ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni 2019 heeft de medeverdachte daar nog aan toegevoegd, dat hij de verdachte in dit kader heeft gevraagd “in zijn netwerk te zoeken naar een ingang” bij de nieuwe gemeentes. Het is een beetje “nooit geschoten, altijd mis”.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat uit de verklaringen van de beide verdachten niet kan blijken dat de door de verdachte gefactureerde uren concrete, bruikbare of anderszins waardevolle advisering betreffen. Ook deze betaling is dus aan te merken als een gift.

Betaling 10

[bv 2] heeft op 19 oktober 2009 € 24.811,50 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 14 oktober 2009 met nummer 2009/LS0310 met als onderwerp ‘diverse besprekingen ihkv onderhoudsaspecten mbt het project “Hubertus” tunnel te Den Haag en het project Maasterras te Dordrecht’.

Het dossier bevat geen schriftelijk product met betrekking tot dit onderwerp. Gezien de factuur zijn in het derde kwartaal van 2009 75 uren (na 19.00 uur en in het weekend) en 84 uur (anderszins) in rekening gebracht voor diverse besprekingen en advisering ten behoeve van het project Hubertustunnel te Den Haag en project Maasterras te Dordrecht.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni en 7 november 2019 – als getuige –verklaard dat [bv 2] in 2008 de projectmanager voor de tunnel heeft geleverd. Aangezien hij ook een rol wilde spelen bij het daarop volgende beheer en onderhoud van de tunnel, heeft hij de verdachte – die volgens de medeverdachte ervaring had met tunnels en mensen kende binnen de gemeente Den Haag – gevraagd “welk type mens daarvoor nodig was en of hij dat soort mensen kende”. Op vragen wat de besprekingen over de tunnel concreet hebben opgeleverd, heeft de medeverdachte geantwoord dat hij dat niet weet. Hij zocht ingangen en daar heeft hij “bagage” voor nodig. Hij is “niet van de inhoud”.

Gelet op de omstandigheid dat een medewerker van het bedrijf van de medeverdachte een belangrijke rol heeft gespeeld bij de bouw van de tunnel in Den Haag en op de expertise van [bv 2] op het gebied van detachering, is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig dat [bv 2] advies heeft gevraagd inzake het (leveren van personeel voor het) onderhoud van de tunnel aan iemand die niet bij het project betrokken is geweest en werkzaam was in een andere gemeente. Ook overigens hebben de verdachte en de medeverdachte niet duidelijk kunnen maken welk concreet advies de verdachte in het kader van deze opdracht heeft verstrekt.

Inzake het project Maasterras in Dordrecht heeft de verdachte bij de Rijksrecherche verklaard dat hem door de medeverdachte gevraagd was te kijken naar ruimtelijke ordening, aannemerskeuze, type contract; hij en de medeverdachte spraken elkaar elke dag, “twee à drie uur per dag was niets”.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting van 27 juni 2019 verklaard dat hij de verdachte heeft gevraagd in dat kader “mee te denken” over de mogelijkheden voor [bv 2] . [bv 2] is aan de slag gekomen bij dat project, waar een groot gebied ontwikkeld zou worden, maar dat was niet dankzij het advies van de verdachte. Ter terechtzitting van 7 november 2019 heeft de medeverdachte – als getuige – weer anders verklaard: op basis van zijn gesprekken met de verdachte, heeft hij daar jarenlang een projectmanager aan het werk gehad. Die verklaring mist echter elke vorm van, verifieerbaar, detail.

De verdachte was destijds een gemeenteambtenaar op het gebied van beheer en onderhoud. Het is bij gebreke van enige vorm van onderbouwing onaannemelijk dat hij de medeverdachte waardevol kon adviseren met betrekking tot grootschalige gebiedsontwikkeling in Dordrecht en omstreken, te minder waar de groepsvennootschap [bv 2 en bv 9] volgens haar eigen website jarenlange ervaring heeft op dit gebied in het hele land en zelf “voor de gemeenten Zwijndrecht en Dordrecht in 2009 benaderd is om bij te dragen aan het project Maasterras”.

Gelet op de wisselende verklaringen van de medeverdachte en de overige feiten en omstandigheden rond deze betaling, kan niet anders dan geconcludeerd worden dat tegenover de gefactureerde uren niet de werkzaamheden hebben gestaan, zoals op die facturen zijn vermeld. De genoemde betaling is dan ook aan te merken als een gift.

Betaling 11

[bv 2] heeft op 9 november 2009 € 20.424,00 overgemaakt op de privé bankrekening van de verdachte overeenkomstig de factuur van [eenmanszaak 1] van 30 oktober 2009 met nummer 2009/FMC0001 met als onderwerp ‘tariefdifferentiatie in de afvalstoffenheffing’.

Gezien de factuur zijn 148 uren (na 19.00 uur) in rekening gebracht voor werkzaamheden inzake ‘de vormen, systemen, branche onderzoek, resultaten en effecten, juridische aspecten, toepasbaarheid en flankerend beleid van tariefdifferentiatie in de afvalstoffenheffing DIFTAR’, in de periode juni tot en met september 2009.

[getuige 4] heeft verklaard dat DIFTAR een terrein is waarop [bv 2] expertise heeft, dat hij geen rol heeft gespeeld bij de inhuur van de verdachte en dat hij geen resultaten heeft gezien voor de werkzaamheden van 148 uur die de verdachte hiervoor heeft gefactureerd. In de door de medeverdachte overgelegde ordner is geen tastbaar product aangetroffen met betrekking tot deze factuur. Bij de verdachte thuis is in een attaché koffer een notitie over DIFTAR, afgedrukt op [eenmanszaak 1] papier, aangetroffen. Deze notitie bestaat voor het leeuwendeel uit passages uit de ‘Eerste Hulp bij Discussie over DIFTAR’, een handleiding van het Afval Overleg Orgaan voor ambtenaren uit 2004, die op het internet te vinden is.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting op 27 juni 2019 – als getuige – verklaard dat hij van de verdachte wilde weten wat er zoal speelde op het gebied van afvalproblematiek bij de gemeente en of zijn bedrijf daarin een rol kon vervullen. De verdachte heeft ter terechtzitting van 7 november 2019 verklaard dat de medeverdachte zijn advies heeft gevraagd omdat hij in zijn loopbaan “kennis en kunde” heeft opgedaan over dit onderwerp. Uit het dossier blijkt echter niet dat de verdachte bijzondere kennis had van DIFTAR of daaraan te relateren onderwerpen. Geen van beide verdachten heeft duidelijk kunnen maken hoe en waarom de verdachte het bedrijf van de medeverdachte concreet van waardevol advies heeft kunnen dienen op een gebied waar kennelijk voldoende eigen expertise voorhanden was.

Gelet op de feiten en omstandigheden rond deze factuur en betaling concludeert het hof dat de 148 gedeclareerde uren niet zijn gemaakt en de betaling daarom aangemerkt moet worden als een gift.

Betaling 12

[bv 2] heeft op 16 november 2009 € 18.078,00 overgemaakt op de privé bankrekening van de verdachte overeenkomstig de factuur van [eenmanszaak 1] van 10 november 2009 met nummer 2009/FMC0002 met als onderwerp ‘Programma VORT (Veiligheid en Onderhoud Rijks Tunnels)’.

Op de factuur staat vermeld dat in de maanden september en oktober van 2009 na 19.00 uur en in het weekend aan het Programma VORT 131 uur is besteed. Behalve twee pagina’s, die zijn aangetroffen in de administratie van de medeverdachte – die geheel overeenkomen met de twee laatste pagina’s van een document van Rijkswaterstaat van juni 2009 over Programma VORT dat is aangetroffen in de administratie van de verdachte – heeft deze factuur geen product opgeleverd.

De verdachte heeft aanvankelijk in het kader van deze betaling bij de Rijksrecherche verklaard, dat hij zelf een notitie heeft vervaardigd. Ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2019 heeft hij anders verklaard: dit stuk (Programma VORT! ‘Basis Plan van Aanpak’) heeft hij van de medeverdachte gekregen om hem daarover te adviseren. Wat dit advies zou zijn geweest heeft de verdachte niet kunnen uitleggen.

De medeverdachte heeft ter terechtzitting op 7 november 2019 – als getuige – verklaard dat hij het genoemde document van Rijkswaterstaat heeft gekregen van de projectmanager die [bv 2] aan het werk had bij de Hubertustunnel in Den Haag. [getuige 4] heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij de procedure om in dit kader een opdracht te krijgen; hij weet echter niets van de inhuur van de verdachte en hij heeft geen resultaat gezien van diens werkzaamheden. De medeverdachte heeft niet concreet aangegeven wat het advies is geweest van de verdachte over dit onderwerp. Ook voor deze betaling geldt dus dat het niet anders kan zijn dan dat sprake was van een gift.

Betaling 13

[bv 2] heeft op 14 december 2009 € 41.352,50 overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] overeenkomstig de factuur van 7 december 2009 met nummer 2009/LS0314 met als onderwerp ‘Prospecting Noord-Brabant/ Limburg’. Op de factuur staat vermeld dat in het derde en vierde kwartaal van 2009 210 uren (na 19.00 uur en in het weekend) en 47 uren anderszins zijn besteed aan ‘werkzaamheden in het kader van samenstellen data base opstellen bespreekdocument, etc’.

De verdachte heeft bij de Rijksrecherche verklaard dat hij de 257 uur heeft besteed aan het opstellen van een overzicht van opdrachtgevers in Noord-Brabant en Limburg met namen en telefoonnummers.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 7 november 2019 heeft de verdachte verklaard dat hij de lijst zelf heeft samengesteld uit zijn netwerk en openbare bronnen.

Het genoemde overzicht is aangetroffen in de administratie van de medeverdachte; het bevat, naast louter algemene adressen en contactpersonen, ook namen van personen die in Nood-Holland wonen, evenals de namen van werknemers van de medeverdachte en de naam van de medeverdachte zelf. In diens administratie is geen ‘bespreekdocument’ aangetroffen zoals vermeld in de factuur.

De medeverdachte heeft bij de Rijksrecherche over deze factuur en betaling verklaard dat hij wilde weten waar de mogelijkheden lagen en dat hij de verdachte heeft gevraagd ter plekke foto’s te maken. De verdachte is naar het zuiden afgereisd, maar de medeverdachte weet niet precies wat hij daar gedaan heeft. Ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni 2019 heeft de medeverdachte – als getuige – verklaard dat hij gebruik wilde maken van het netwerk van de verdachte om ingangen te krijgen in het zuiden van het land. Hij heeft eerder bij de Rijksrecherche verklaard dat sommige van de namen op de lijst iets hebben opgeleverd, maar hij kon daar weinig of geen voorbeelden van geven. De medeverdachte heeft voorts verklaard dat hij niet tevreden was over het resultaat. Desondanks heeft hij de factuur van ruim € 40.000 voor de 257 uren die de verdachte hiervoor bij [bv 2] heeft gedeclareerd, binnen een week betaalbaar gesteld. Dat de verdachte aan het samenstellen van het adressenbestand en het opsturen aan de medeverdachte in vijf maanden tijd 257 uren zou hebben besteed, is ongeloofwaardig. Het hof concludeert dan ook dat deze factuur en het adressenbestand louter zijn vervaardigd ter verhulling van een gift van ruim € 41.000 aan de verdachte.

Conclusie giften en wetenschap

Uit de voorgaande feiten, omstandigheden en conclusies, ook in onderling verband en samenhang bezien, blijkt, kort samengevat, dat de beschreven betalingen in feite giften waren van de medeverdachte aan de verdachte, gemeenteambtenaar.

De beide verdachten waren op de hoogte van deze omstandigheden. Nu de verdachte desondanks zijn facturen heeft verstuurd en de medeverdachte deze vrijwel steeds binnen enkele dagen heeft doen betalen, is het hof van oordeel dat door middel van fictieve facturen werd verhuld dat deze betalingen giften waren en dat de beide verdachten dat wisten.

Omkoping

Het hof is, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de medeverdachte als ondernemer bewust giften heeft gedaan aan de verdachte, een gemeenteambtenaar in een bepaalde positie, met het doel en – gezien die bewustheid – het oogmerk het onderhouden van de relatie, dan wel het verkrijgen van een voorkeurspositie of tegenprestatie. De verdachte heeft dat, nu het ging om grote bedragen en hij betalingen heeft verhuld met valse facturen, geweten. Gelet op het vooropgestelde toetsingskader is daarmee de omkoping, zowel in actieve en passieve zin, bewezen.

Dat beiden wisten dat deze giften ‘niet voor niets’ en met een bepaalde bedoeling zijn gedaan, blijkt mede uit het navolgende. In dezelfde periode van twee jaar waarin genoemde giften zijn gedaan door de medeverdachte en zijn ontvangen door de verdachte, hebben de aan de medeverdachte gelieerde bedrijven, [bv 2] en [bv 3] , 27 opdrachten gekregen van de cluster Beheer en Onderhoud van de gemeente, voor een totaalbedrag van ruim € 250.000. Uit een zogenaamde ‘spendanalyse’ die het team Inkoop en Aanbesteding van de gemeente in 2010 heeft opgemaakt, blijkt dat het cluster Beheer en Onderhoud in de jaren 2008 en 2009 voor een bedrag van in totaal ruim € 1.000.000 aan opdrachten en aan inhuur van (interim) personeel heeft betaald aan [bv 2] en [bv 3] .

‘Tegenprestaties’

Hoewel, gezien het eerder beschreven toetsingskader, voor het bewijs van omkoping niet behoeft vast te staan dat daadwerkelijk sprake is geweest van een concrete tegenprestatie in ruil voor de begunstiging, is deze wel tenlastegelegd. Het hof zal daarom hieronder de (omstandigheden rond de) opdrachten van de gemeente aan [bv 2] en [bv 3] – en de rol die de verdachte daarbij heeft gespeeld – bespreken.

Rol en invloed van de verdachte

De verdachte was als clustermanager ook budgethouder en daarmee verantwoordelijk voor alle uitgaven en het begrotingsbeheer van het cluster. In eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2019 heeft hij echter steeds die eindverantwoordelijkheid bestreden; hij had in zijn functie niet de formele bevoegdheid of de mogelijkheid om te bepalen aan welk bedrijf de inhuur van extern personeel werd ‘gegund’: hij werkte immers tussen de directeur (in 2008/2009: [leidinggevende 2] ), wiens toestemming volgens de verdachte steeds noodzakelijk was en de teammanagers, waar de vraag naar personeel vandaan kwam en die bij de inhuur eigen bevoegdheden hadden. Volgens de verdachte was zijn rol voornamelijk beperkt tot het ondertekenen van mutatieformulieren. In geval hij wel betrokken was bij de keuze voor een kandidaat kon hij die niet alleen maken; daartoe was hij immers niet bevoegd.

Directeur [leidinggevende 2] heeft bij de rechter-commissaris echter verklaard dat hij een groot vertrouwen had in de verdachte en dat hij zelf niet te maken had met inhuurprocedures.

De teammanagers [teammanager 1] en [teammanager 2] hebben bij de Rijksrecherche en de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte een bepalende rol speelde binnen de cluster Beheer en Onderhoud; zijn wil was wet. De teammanagers hadden weinig zeggenschap bij de inhuur van personeel; de verdachte gaf gevraagd en ongevraagd instructies en zijn toestemming was steeds nodig. [teammanager 2] heeft verklaard dat de verdachte bij inhuur altijd bepaalde welk bureau (het hof begrijpt: détacheringsbureau) werd benaderd. De medewerker [getuige 9] heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat de verdachte een doorslaggevende stem had bij de inhuur van personeel. Hij heeft van de verdachte zelf gehoord over het voorschrift om extern personeel altijd via [bv 2] in te huren.

[getuige 10] , die na het ontslag van de verdachte teammanager werd, heeft verklaard dat hij van [teammanager 2] , [getuige 9] en [teammanager 1] heeft gehoord dat de verdachte alles regelde inzake de inhuur en dat zij zich daar niet mee mochten bemoeien. [getuige 4] , projectmanager bij [bv 2] , heeft bevestigd dat de verdachte degene was die altijd de aanvraag voor meer personeel indiende, niet de projectleider (het hof begrijpt: teammanager).

Het hof ziet geen aanleiding de verklaring van [teammanager 1] uit te sluiten van het bewijs. Het hof acht daartoe van belang dat deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [teammanager 2] , [getuige 9] en [getuige 4] . Daarbij komt dat uit de hieronder beschreven gang van zaken met betrekking tot de verschillende inhuurdossiers volgt dat de verdachte betrokken was bij deze inhuur en daarop invloed had.

Het hof trekt uit het voorgaande de conclusie dat de verdachte als clustermanager binnen de gemeente een grote vrijheid genoot, daar ook gebruik van heeft gemaakt en dat hij binnen zijn cluster met betrekking tot de inhuur van personeel invloed had. Dat de verdachte niet in zijn eentje alles besliste en ter zake de inhuur ook met anderen overleg voerde, doet aan deze constatering niet af.

De verdachte is ook naast de inhuur van extern personeel (rechtstreeks) betrokken geweest bij het verstrekken van opdrachten aan bedrijven van de medeverdachte. Ook in dat opzicht heeft hij dus zijn invloed aangewend ten gunste van de medeverdachte van wie hij in diezelfde periode forse betalingen ontving. Het hof bespreekt eerst deze drie opdrachten en daarna de inhuurdossiers.

Drie opdrachten

De verdachte heeft als clustermanager Beheer en Onderhoud aan [bv 2] en [bv 3] drie opdrachten gegeven zoals tenlastegelegd.

1. Opdracht tot inventariseren van benodigde zaken/personen voor de realisatie van een boomkwekerij

De verdachte heeft naar aanleiding van een offerte van [bv 2] van 28 oktober 2008 op

9 maart 2009 aan [bv 2] de opdracht gegeven uit te zoeken wat de mogelijkheden waren aangaande ‘realisatie boomkwekerij’ voor een bedrag van € 30.000. De verdachte heeft verklaard dat [bv 2] moest inventariseren wat de consequenties waren op het gebied van beleid, regelgeving en personeel indien de gemeente een eigen kwekerij zou beginnen. De factuur van [bv 2] is op 2 april 2009 gedateerd en bedraagt € 16.362,50 (inclusief btw) voor overleg gedurende 110 uren in de periode oktober/november/december 2008.

2 Opdracht tot uitvoeren van een (juridisch) advies inzake WSW/WWB

De verdachte heeft [bv 3] op 2 oktober 2008 opdracht gegeven inzake ‘diverse besprekingen met betrekking op de wijze waarop advies WSW/WWB problematiek geïmplementeerd kan worden’. De verdachte heeft [bv 3] (ter attentie van [getuige 11] ) op 15 april 2008 de opdracht gegeven tot het opstellen van ‘juridisch advies betreffende WSW en de WWB’.

[bv 3] heeft op 31 december 2007 voor de werkzaamheden van [getuige 11] in het kader van advies over WSW/WWB een bedrag van € 8.032,50, inclusief btw aan de [gemeente 1] in rekening gebracht en op 8 mei 2008 een bedrag van € 12.852,00 inclusief btw.

Op 6 oktober 2008 heeft [bv 3] voor ‘besprekingen in het kader van WSW/WWB en opstellen van een Plan van aanpak en communicatie’ de gemeente een bedrag van € 9.073,75 inclusief btw in rekening gebracht. Het dossier bevat een notitie van de hand van [getuige 11] – een externe adviseur van de aan de medeverdachte gelieerde ondernemingen – van 30 november 2007, op papier van [bv 3] met als titel ‘Notitie inzake aanbestedingsverplichting bij WSW/WWB voorzieningen’. Blijkens het dossier heeft [getuige 11] hiervoor bij [bv 3] 19 uur in rekening gebracht voor een bedrag van in totaal € 2.280,00. Uit de genoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid, dat [bv 3] voor juridisch advies inzake WSW/WWB een exponentieel hoger bedrag in rekening heeft gebracht aan de gemeente dan het bedrag dat [bv 3] daarvoor heeft betaald aan [getuige 11] .

3 Opstellen notitie inzake Flexibel en slagvaardig contracteren

De verdachte heeft verklaard dat hij de opdracht aan [bv 3] om een notitie ‘Flexibel en Slagvaardig contracteren’ op te stellen, in eerste instantie mondeling heeft gegeven. Op 17 november 2008 heeft hij deze opdracht schriftelijk bevestigd voor een bedrag van € 22.500,00. Op de notitie staat vermeld dat deze is opgemaakt in juli 2008 en ontvangen is door de [gemeente 1] op 2 oktober 2008. Opmerkelijk is dat de notitie van een eerdere datum is dan de (schriftelijke) opdracht. Voorts vermeldt de factuur à € 26.775,00 (inclusief btw) die [bv 3] op 24 november 2008 naar aanleiding van de opdracht aan de gemeente heeft verstuurd, dat 180 uur is besteed aan besprekingen en het opstellen van de notitie, terwijl op pagina 6 van dit document staat dat het om een beknopte notitie gaat en de opsteller van het stuk, [getuige 12] , heeft verklaard dat hij over dit onderwerp geen besprekingen heeft gevoerd met de gemeente.

Inhuur van extern personeel

De verdachte heeft, zoals hierboven uiteengezet, een belangrijke rol gespeeld bij de inhuur van externe personeelsleden. Zeven daarvan, afkomstig van [bv 2] , zijn bij wijze van voorbeeld in de tenlastelegging opgenomen.

[werknemer 1]

Op 16 maart 2006 heeft de verdachte, die destijds nog bij de gemeente Leidschendam werkzaam was, per e-mail van [bv 2] het cv van [werknemer 1] ontvangen.

In een e-mailbericht van 11 december 2007 van de medeverdachte aan de verdachte, de verdachte was inmiddels bij de [gemeente 1] in dienst, wordt een afspraak bevestigd op het kantoor van de verdachte ‘waarbij tevens mijn collega de heer [werknemer 1] aanwezig zal zijn’.

Uit een e-mailbericht van 23 januari 2008 van E. Wolsink aan de verdachte blijkt dat de kandidaten [werknemer 1] (van [bv 2] ) en [kandidaat 2] (van APPM) op 28 en 29 januari 2008 een sollicitatiegesprek met hem hebben.

Op 29 januari 2008 heeft de verdachte een memo gestuurd aan [leidinggevende 2] en [aangever] inzake de inhuur van een teammanager Beheer Openbare Ruimte bij de cluster Beheer en Onderhoud. Hij beschrijft de procedure (vijf bureaus is gevraagd een offerte te doen, twee hebben geoffreerd en daar zijn twee kandidaten uitgekomen) en stelt dat er één kandidaat is geselecteerd.

Op 15 januari 2008 heeft [consultant] van het bureau Yacht per e-mailbericht een kandidaat voorgesteld aan [ambtenaar 2] , de secretaresse van de verdachte. Op 31 januari 2008 te 14.20 uur stuurt [consultant] het bericht nogmaals, nu aan de verdachte. De verdachte reageert te 14.48 uur op diezelfde dag: ‘het cv geeft geen aanleiding voor een gesprek’.

De verdachte heeft op 4 maart 2008 de opdracht aan [bv 2] , ter attentie van de medeverdachte, bevestigd om [werknemer 1] in de functie van teammanager bij de cluster Beheer en Onderhoud te détacheren voor de periode van 4 februari 2008 tot 31 juli 2008, voor 36 uur per week. Het maximaal te factureren bedrag over deze periode bedraagt € 102.000.

Uit een e-mailbericht van 26 mei 2008 blijkt dat de verdachte aan [ambtenaar 3] van de gemeente vraagt officieel een verlenging aan te vragen van het contract van [werknemer 1] , tot 31 december 2008 met een optie tot 30 juni 2009. In een e-mailbericht van 28 mei 2008 maant de verdachte [ambtenaar 3] tot spoed.

Op 13 juni 2008 heeft de medeverdachte in een brief aan de verdachte een aanbieding gedaan voor de verlenging van de inzet van [werknemer 1] , van 1 augustus 2008 tot 31 december 2008 (met optie tot verlenging). De aanbieding komt ‘naar aanleiding van ons onderhoud op woensdag j.l. betreffende afloop inhuurcontract op 31 juli a.s.’.

Op 2 september 2009 heeft de medeverdachte de opdracht aan de verdachte bevestigd dat [werknemer 1] in de periode van 1 september 2009 tot, vooralsnog, 31 december 2009 maximaal 20 uur per week op afroep beschikbaar zal zijn bij het project Hoofddorp Centrum (VCP). De brief is geschreven ‘Naar aanleiding van uw verzoek als ambtelijk opdrachtgever inzake het project Hoofddorp Centrum (VCP)’. De medeverdachte schrijft: ‘Zoals besproken zal onze medewerker [werknemer 1] op afroep beschikbaar zijn’.

Uit een e-mailbericht van 17 september 2009 van [ambtenaar 4] , (op verzoek van de verdachte) gericht aan de verdachte en anderen, blijkt dat [werknemer 1] daadwerkelijk en ‘in opdracht van [verdachte] ( [verdachte] )’ is ingezet op genoemd project.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2019 heeft de verdachte over de inhuur van [werknemer 1] verklaard, dat hij niet als enige betrokken en bevoegd was bij de keuze van deze kandidaat en het afwijzen van anderen. Voorts heeft hij verklaard dat na zes maanden bleek dat [werknemer 1] niet goed functioneerde en dat hij daarom ‘afscheid van hem heeft genomen’.

Deze verklaring van verdachte is in tegenspraak met de beschreven gang van zaken zoals blijkt uit de berichten; niet alleen kende de verdachte [werknemer 1] al in 2006 als kandidaat van [bv 2] en heeft hij hem in die hoedanigheid in december 2007 al ontmoet, hij heeft zich ook actief bemoeid met een mogelijke verlenging van diens contract in 2008 en voorts heeft hij in 2009 als ambtelijk opdrachtgever van een project de medeverdachte verzocht [werknemer 1] opnieuw als werknemer aan te bieden.

[werknemer 2]

Een medewerker van de gemeente, [ambtenaar 5] , heeft op 8 februari 2009 de verdachte een e-mailbericht gestuurd waarin hij de verdachte vraagt of hij het ermee eens is om de functiebeschrijving van ‘vacature medewerker groen’ op te sturen aan TTP (een consultantsbureau in Almere). De Rijksrecherche heeft in de door de gemeente aangeleverde stukken geen antwoord van de verdachte gevonden op deze vraag.

Op 9 februari 2009 heeft de medeverdachte de teammanager van [ambtenaar 5] , [teammanager 1] , een e-mailbericht gestuurd met bijgevoegd de cv’s van [werknemer 2] en [kandidaat 3] . De medeverdachte schrijft daarin dat zijn ‘collega [getuige 4] degene is die beide kandidaten het beste kan introduceren voor een kennismakingsgesprek’. In antwoord daarop heeft [teammanager 1] op dezelfde dag geschreven dat hij contact gaat opnemen met de verdachte. In een e-mailbericht van 11 februari 2009 van [getuige 4] aan [teammanager 1] schrijft [getuige 4] dat hij ‘met dank voor de aangename gesprekken van vanochtend’, ‘zoals afgesproken onze aanbieding met betrekking tot de inzet van [werknemer 2] in de functie van Specialist Openbaar Groen’ stuurt. Op 12 februari 2009 heeft [teammanager 1] de verdachte per e-mail gevraagd of hij akkoord gaat; [teammanager 1] ‘blijft het veel geld vinden’. De verdachte schrijft terug op dezelfde dag: ‘dat ben ik met je eens. Ga in gesprek met [medeverdachte 1] . Ik hoor het graag’.

Op 11 februari 2009 heeft [getuige 4] van [bv 2] een offerte gedaan aan [teammanager 1] , met betrekking tot Specialist Openbaar Groen [werknemer 2] , met ingang van week 9 voor de duur van een jaar. Deze offerte doet [getuige 4] ‘ingevolge uw aanvraag en het kennismakingsgesprek van hedenochtend’. Het met de inhuur gemoeide bedrag is in totaal geraamd op € 120.000 exclusief btw, zoals blijkt uit het mutatieformulier inzake de inhuur van [werknemer 2] tot en met 31 december 2009, dat is ondertekend door de verdachte.

Uit de genoemde stukken en berichten blijkt dat de teammanager de verdachte uitdrukkelijk heeft betrokken bij de inhuur van [werknemer 2] (en hem toestemming heeft gevraagd) en dat [bv 2] binnen twee dagen na het opsturen van de cv’s een offerte mag doen aan de cluster Beheer en Onderhoud.

[werknemer 3]

In een e-mailbericht van 19 maart 2009 van [bv 2] gericht aan de teammanager T. [teammanager 2] inzake de offerte [werknemer 3] , is een tarief voorgesteld van € 47,50 (exclusief btw). [teammanager 2] vraagt op 20 maart 2009 aan de verdachte of dit tarief gangbaar is. De verdachte reageert op 22 maart 2009: ‘ik vind het stevig. Ga in gesprek’. Gezien een mutatieformulier van 20 april 2009 dat door de verdachte als verantwoordelijk manager is ondertekend, is de inhuur van [werknemer 3] geraamd op een totaalbedrag van € 36.500 ex btw (€ 40 per uur).

Op 23 maart 2009 heeft de medeverdachte, ‘ingevolge uw aanvraag en het kennismakingsgesprek’, [teammanager 2] een offerte aangeboden inzake de inhuur van [werknemer 3] als juridisch administratief medewerker. [bv 2] heeft ter zake facturen gestuurd aan de gemeente.

Uit het dossier is geen vacaturetekst naar voren gekomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2019 verklaard, dat zijn bemoeienis in dit geval niet verder is gegaan dan de ondertekening van het mutatieformulier. [teammanager 2] heeft bij de rechter-commissaris op 1 april 2014 verklaard: ‘in beginsel deden we alles via I&A, maar dit is via de clustermanager, [verdachte] , gelopen. Hij bood het aan. Ik heb zelf geen contact gehad met [medeverdachte 1] ’.

[werknemer 4]

Het cv van [werknemer 4] is op 25 maart 2009 door [bv 2] per e-mail aan de verdachte gestuurd.

Op 9 april 2009 heeft de medeverdachte aan [getuige 9] , ‘naar aanleiding van de bespreking tussen u en onze medewerker [werknemer 4] op 8 april j.l.’, inzake de inzet van [werknemer 4] als projectleider ten behoeve van het waterplan vanaf 20 april 2009 tot een nader te bepalen einddatum, een aanbieding gestuurd. Deze offerte is op 21 april 2009 door de verdachte ondertekend. Medewerker [getuige 9] heeft bij de rechter-commissaris op 16 mei 2014 verklaard dat hij een gesprek heeft gehad met [werknemer 4] , maar dat de verdachte degene is die voor deze kandidaat heeft gekozen. [getuige 9] kon zich herinneren dat ‘eigenlijk alles al rond was’ op het moment van dat gesprek. Hij wist dat niet; hij voelde zich daar opgelaten over. [getuige 9] kwam daar achter toen hij zijn twijfels uitte tegenover de verdachte (hij vond [werknemer 4] eigenlijk te zwaar voor de functie). De verdachte zei toen iets in de trant van: ‘maak je geen zorgen, het is al rond’. [getuige 9] weet niet of concurrerende offertes zijn opgevraagd.

Uit een mutatieformulier van 14 mei 2009, dat is ondertekend door de verdachte als verantwoordelijk manager, blijkt dat [werknemer 4] als projectleider waterplan is ingehuurd van 2 juni 2009 tot en met

31 december 2009 voor een (geraamd) bedrag van € 102.060 ex btw.

Op 7 december 2009 heeft de verdachte, uit naam van teammanager R. [getuige 6] , [bv 2] verzocht een offerte uit te brengen inzake de verlenging van de inzet van [werknemer 4] , van 1 januari 2010 tot 1 juli 2010. Uit het dossier is geen vacaturetekst naar voren gekomen.

[werknemer 5]

Op 11 mei 2009 heeft de teammanager Vastgoed (onderdeel van de cluster B&O van de verdachte), [teammanager 2] , een offerte ontvangen van [bv 2] , betreffend de inhuur van [werknemer 5] als senior adviseur vastgoed, met ingang van 8 mei 2009, voor een uurtarief van € 100,00. Gezien de offerte is deze gedaan naar aanleiding van een gesprek op 29 april 2009 tussen [teammanager 2] , de verdachte en [werknemer 5] . [teammanager 2] heeft op 1 april 2014 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat hij op 29 april 2009 is voorgesteld aan [werknemer 5] ; dat was geen sollicitatiegesprek maar een kennismakingsgesprek. De Rijksrecherche heeft in de digitale agenda’s van de verdachte en [teammanager 2] ter zake geen afspraak aangetroffen op genoemde datum. De verdachte heeft [werknemer 5] rechtstreeks ingehuurd van [bv 2] . [teammanager 2] heeft verklaard dat de verdachte altijd het bureau heeft aangedragen en benaderd. De verdachte, zo verklaarde [teammanager 2] , heeft [werknemer 5] rechtstreeks ingehuurd omdat hij soortgelijk werk, het inventariseren van contracten, eerder voor de verdachte had gedaan bij een andere gemeente. [werknemer 5] was vanaf 2 juni 2009 werkzaam bij Team Vastgoed. [bv 2] heeft ter zake facturen verstuurd, en betaald gekregen, voor een bedrag van bijna € 90.000,00.

De Rijksrecherche heeft in het dossier geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat de vacature is uitgezet, dan wel dat meerdere kandidaten zijn aangeleverd. Ook in dit geval heeft de verdachte, mede blijkens de verklaring van [teammanager 2] , een doorslaggevende rol gespeeld bij de inhuur.

Met betrekking tot de inhuur van [werknemer 5] is het volgende nog van belang. De inventarisatie die de ingehuurde [werknemer 5] voor de afdeling Vastgoed van het cluster B&O heeft verricht, is uitgemond in een rapportage van zijn hand met bijlagen van rond de 120 pagina’s. Op basis van exact diezelfde rapportage is later door [bv 3] (het bedrijf van de medeverdachte) aan [bv 5] een notitie verkocht voor meer dan € 55.000,00. Deze kwestie is in het dossier een in het oog springend voorbeeld van de verregaande corruptie door de verdachte en de medeverdachte. Op verzoek van zijn teammanager Vastgoed, die een contracteninventarisatie nodig had, draagt de verdachte een inhuurkracht van het bedrijf van de medeverdachte aan. De inhuurkracht doet het onderzoek – en meer – waarvoor de medeverdachte bijna

€ 90.000,00 in rekening brengt. Het resultaat gaat uiteraard naar de gemeente. Maar korte tijd later wordt hetzelfde rapport met bijlagen, voorafgegaan door een zeer algemene notitie, door een andere groepsvennootschap van de medeverdachte voor ruim € 57.000,00 verkocht aan [bv 5] , die het één op één doorbelast aan de gemeente, die zo voor de tweede keer voor dezelfde inventarisatie heeft betaald.

[werknemer 7]

Op 27 november 2008 heeft de medeverdachte de verdachte op zijn verzoek een cv toegestuurd ten behoeve van het Verkeers Circulatie Plan Hoofddorp Centrum (VCP), van de kandidaat [werknemer 7] als projectleider. De verdachte heeft op 28 november 2008 een bericht gestuurd aan de clustermanager van de cluster Ontwerp, Voorbereiding en Realisatie, [clustermanager 2] : ‘Jelle, hierbij de vervanger voor Jaap. Nodig jij hem volgende week uit voor een gesprek’. Het gesprek heeft plaatsgevonden op 10 december 2008. Op die datum heeft de verdachte een offerte ontvangen van de medeverdachte met betrekking tot de inzet van [werknemer 7] als projectleider waterplan en rioleringsplan, met als aanvangsdatum 5 januari 2009.

[ambtenaar 6] , de teammanager Ontwerp en Voorbereiding, heeft de verdachte op 29 mei 2009 bericht dat [werknemer 7] niet goed functioneerde en dat hij de kosten erg hoog vond. Hij wilde [werknemer 7] vervangen. De verdachte, die ambtelijk opdrachtgever is van het project VCP, reageert - gezien de tekst van het bericht - geïrriteerd en wenst een gesprek met [ambtenaar 6] . Op 16 juni 2009 heeft de medeverdachte [ambtenaar 6] voorgesteld [werknemer 7] terug te trekken als projectleider VCP, aangezien ‘de werkzaamheden stroef verlopen’. Op 27 augustus 2009 heeft [ambtenaar 6] in een e-mailbericht aan onder meer de verdachte aangekondigd dat [werknemer 7] per direct als projectleider wordt vervangen door [ambtenaar 4] . [werknemer 7] blijft wel in dienst voor de overdracht. Op diezelfde datum heeft [ambtenaar 6] de medeverdachte bericht dat hij ‘zoals je weet in gesprek was met [verdachte] over de inzet van [werknemer 7] en de overdracht van het projectleiderschap’. Hij vraagt de medeverdachte een offerte voor de periode, tot half november, waarin [werknemer 7] nog zal worden ingezet.

Gelet op de verschillende mutatieformulieren die zich in het dossier bevinden, is [werknemer 7] van

5 januari 2009 tot en met 13 november 2009 ingehuurd, voor een totaalbedrag van € 135.000. Voor de eerste drie maanden van deze inhuur was een bedrag van € 39.000 geraamd.

De Rijksrecherche heeft in het dossier geen vacaturetekst aangetroffen, noch offertes van andere bureaus dan [bv 2] , noch namen van andere kandidaten. De verdachte heeft [werknemer 7] als enige kandidaat naar voren geschoven bij een andere clustermanager ( [clustermanager 2] ), die inzake deze functie verantwoordelijk was voor de inhuur. [werknemer 7] is tot half november 2009 bij de gemeente in dienst gebleven, ondanks dat men niet tevreden was over zijn functioneren, voor hetzelfde tarief.

[werknemer 6]

was in 2007 en 2008 in dienst van [consultant bv] (hierna: [consultant bv] ). Hij heeft als getuige verklaard dat hij via dat bedrijf gedetacheerd was bij de cluster Beheer en Onderhoud van de gemeente. Na afloop van die detachering heeft hij zich opnieuw aangeboden bij [getuige 9] . [getuige 9] heeft hem verteld dat hij aan het werk kon, maar alleen via [bv 2] . [werknemer 6] is toen in dienst gebleven bij [consultant bv] en is via [bv 2] gedetacheerd bij de gemeente, in totaal 15 maanden, tot 30 september 2010. Hij weet niet wat de reden was van die bijzondere constructie. Hij heeft zelf geen contact gehad met iemand van [bv 2] . [getuige 9] heeft bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij van de verdachte te horen heeft gekregen dat hij [werknemer 6] bij een vervolgopdracht via [bv 2] moest inhuren, ook al was dat een duurdere optie.

Op 12 juni 2009 heeft de medeverdachte schriftelijk aan [getuige 9] de inzet van [werknemer 6] als projectleider water bevestigd (in plaats van [werknemer 7] ), ‘zoals besproken met u en [verdachte] ’. Het uurtarief van [bv 2] was € 97,50. De Rijksrecherche heeft een rapport van de gemeente aangetroffen inzake prijsverschil bij inhuur, waaruit blijkt dat het uurtarief van [werknemer 6] bij [consultant bv] € 75,00 was. Gezien het mutatieformulier van 8 juni 2009, ondertekend door de verdachte als verantwoordelijk manager, is [werknemer 6] vanaf 8 juni 2009 tot 31 december 2009 ingehuurd via [bv 2] voor een (geraamd) bedrag van € 109.250.

Op 7 december 2009 heeft de verdachte, uit naam van teammanager R. [getuige 6] , [getuige 4] van [bv 2] verzocht een offerte uit te brengen inzake de verlenging van de inzet van [werknemer 6] , van 1 januari 2010 tot 1 april 2010. Op 11 december 2009 heeft de medeverdachte [getuige 6] een offerte gestuurd voor de verlenging van de inzet van [werknemer 6] door [bv 2] , van

4 januari 2010 tot 31 maart 2010.

Ook in dit geval heeft de verdachte (steeds) actief [bv 2] begunstigd, ondanks het hogere tarief en ook bij de verlenging van het contract. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2019 verklaard dat [werknemer 6] in de plaats kwam van de eerder ingeplande [werknemer 7] en dat hij vanwege de contractuele verplichting van de gemeente jegens [bv 2] wel bij die detacheerder moest worden ingehuurd. Nu uit het dossier is gebleken dat [werknemer 7] – steeds voor hetzelfde tarief – tot half november 2009 bij de gemeente in dienst is gebleven en dat [werknemer 6] en [werknemer 7] niet voor hetzelfde project zijn ingehuurd, gaat dat verweer niet op.

Conclusie inhuur

De verklaring van de verdachte ter zitting, over de zeer beperkte rol die hij zou hebben gehad bij de inhuur van externen, wordt niet alleen tegengesproken door de betrokken teammanagers en een medewerker, maar is ook in tegenspraak met hiervoor aangehaalde e-mailcorrespondentie. Daaruit blijkt dat de verdachte steeds en veelal zeer directief betrokken is geweest bij de selectie van het bedrijf dat tijdelijk personeel mocht aanleveren, de kandidaten en de eventuele opvolgende verlenging van het contract.

Het hof trekt uit het voorgaande de conclusie dat ook het tweede gedeelte van het onder feit 4 tenlastegelegde, het direct of indirect door de verdachte gunnen van (inhuur) opdrachten aan de bedrijven van de medeverdachte, bewezen kan worden. Daarmee is bewezen dat de verdachte de medeverdachte, in ruil voor gedane giften, ook daadwerkelijk heeft bevoordeeld.

Mede gezien het hiervoor beschreven toetsingskader heeft de verdachte daarmee evident gehandeld in strijd met zijn plicht als ambtenaar.

Feit 6

Uit de overwegingen ten aanzien van de feiten 4 en 5 volgt dat de verdachte facturen heeft opgemaakt voor werkzaamheden, adviezen en bemiddeling en dergelijke, die hij feitelijk niet heeft uitgevoerd. Die facturen zijn dus valselijk opgemaakt en zijn door de verdachte gebruikt om zich giften door de medeverdachte te kunnen laten betalen. Het hof is daarom van oordeel dat ook feit 6 kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
[Zaaksdossier 1: vervalsen ontslagbesluit [gemeente 2] ]

hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 15 januari 2007, te Hoofddorp, [gemeente 1] , in elk geval in Nederland, een besluit van de [gemeente 2] , gedateerd op 4 mei 1999, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande de valsheid van dat besluit hierin dat daarin valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat de Burgemeester en wethouders van de [gemeente 2] hem, verdachte, op 4 mei 1999 op zijn verzoek ontslag hebben verleend uit zijn functie van [functie] ;

3.
[Zaaksdossier 2: valse factuur van [bv 7] .]

hij op of omstreeks 13 mei 2007 te Wijchen en/of te IJsselstein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een factuur van [bv 7] d.d. 13 mei 2007, genummerd: 2007007, gericht aan de [gemeente 1] , zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande de valsheid van die factuur hierin dat op die factuur valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat (door personeel van [bv 7] ) voor een bedrag van € 7.000,- "Aanvullende begeleidende activiteiten volgens afspraak" voor de [gemeente 1] zijn verricht;


4.
[Zaaksdossier 10: Aannemen 13 giften van Erik [medeverdachte 1] / [bv 2] ./ [bv 3] .]

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 december 2009 te Hoofddorp, [gemeente 1] , als ambtenaar (clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] ),

giften van E.F. [medeverdachte 1] en/of [bv 2] (hierna te noemen: [bv 2] .) en/of [bv 3] (hierna te noemen: [bv 3] .), te weten:

- een giraal geldbedrag van € 17.825,-- (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 28 april 2008; corresponderende factuur: 2008/FMC0001, onderwerp: advies- en bemiddelingswerkzaamheden voor de afdeling Directievoering, Toetsing, Beheer en Onderhoud) en

- een giraal geldbedrag van € 5.911,92 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 8 juli 2008; corresponderende factuur: 2008/LS0201, onderwerp: bemiddeling/advies inzake Stadsbeheer Den Haag) en

- een giraal geldbedrag van € 7.486,29 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 15 september 2008; corresponderende factuur: 2008/LS0203, onderwerp: bemiddeling/advies inzake Asset Management) en

- een giraal geldbedrag van € 28.870,59 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 17 november 2008; corresponderende factuur: 2008/LS0205, onderwerp: bemiddeling/advies en diverse besprekingen Asset Management) en

- een giraal geldbedrag van € 19.596,-- (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 22 december 2008; corresponderende factuur: 2008/FMC0003, onderwerp: bemiddelings- en acquisitie werkzaamheden met name t.b.v. de regio Rotterdam/Dordrecht/Barendrecht) en

- een giraal geldbedrag van € 17.992,80 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 11 maart 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0301, onderwerp: diverse besprekingen inzake Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] ) in januari 2009) en

- een giraal geldbedrag van € 14.161,-- (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 6 april 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0302, onderwerp: diverse nabesprekingen inzake afronding Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] ) in februari 2009) en

- een giraal geldbedrag van € 10.710,-- (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 1 juni 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0305, onderwerp: diverse besprekingen ihkv acquisitie mogelijkheden m.b.t. de "Nieuwe Gemeente "Bonaire, St Eustatius en Saba (BES) in de periode febr-april 2009) en

- een giraal geldbedrag van € 23.631,02 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 14 september 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0308, onderwerp: adviezen met betrekking tot de door [bv 2] nieuw op te zetten afdeling Beheer en Onderhoud: DTBO) en

- een giraal geldbedrag van € 24.811,50 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 19 oktober 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0310, onderwerp: diverse besprekingen ihkv onderhoudsaspecten m.b.t. het project "Hubertus" tunnel te Den Haag en het project Maas terras te Dordrecht) en

- een giraal geldbedrag van € 20.424,-- (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 09 november 2009; corresponderende factuur: 2009/FMC0001, onderwerp: tariefdifferentiatie in de afvalstoffenheffing (DIFTAR)) en

- een giraal geldbedrag van € 18.078,-- (overgemaakt op de girorekening met het nummer 5201846 op 16 november 2009; corresponderende factuur: 2009/FMC0002, onderwerp: programma VORT (Veiligheid en Onderhoud RijksTunnels) en

- een giraal geldbedrag van € 41.352,50 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 14 december 2009; corresponderende factuur: 2009/LS0314 op pagina AV1:076; onderwerp: Prospecting Noord-Brabant/Limburg),

heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, wist dat die giften hem werden gedaan ten gevolge van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening als clustermanager Beheer en Onderhoud van de [gemeente 1] is gedaan en

teneinde hem te bewegen, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening als clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] iets te doen, te weten:

- het (doen) verstrekken van werk- en/of adviesopdrachten aan [bv 2] . en [bv 3] . door of namens de cluster Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] , waaronder:

- de opdracht tot het inventariseren van benodigde zaken/personen voor de realisatie van een boomkwekerij;

- de opdracht tot het uitvoeren van een Quickscan inzake en/of het uitbrengen van een advies inzake en/of het bijwonen van besprekingen in het kader van WSW/WWB;

- het opstellen van een notitie inzake Flexibel en slagvaardig contracteren

en

- het (doen) inhuren van personeel van en/of via [bv 2] . ten behoeve van de [gemeente 1] , waaronder: [werknemer 1] , [werknemer 2] , [werknemer 3] , [werknemer 4] , [werknemer 5] en [werknemer 6] , en

- het uitoefenen van invloed opdat het cluster Ontwerp, Voorbereiding en Realisatie van de [gemeente 1] [werknemer 7] van en/of via [bv 2] . zou inhuren;

5.
[Zaaksdossier 09: Aannemen 3 giften van [medeverdachte 2] / [bv 6] ]

hij in de periode van 1 november 2009 tot en met 31 december 2009 te Hoofddorp, [gemeente 1] , in elk geval in Nederland, als ambtenaar, clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] , giften van [bv 6] , te weten:

- een giraal geldbedrag van € 23.841,65 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 9 november 2009); corresponderende factuur: 2009/LS0309, onderwerp: 1e fase Beeldkwaliteitsplannen en gemeentelijke onderhoudsstrategieën in Zuid-Holland) en

- een giraal geldbedrag van € 28.675,43 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 2 december 2009); corresponderende factuur: 2009/LS0311, onderwerp: Meerjaren structuurplannen en vraag gestuurd beheer en onderhoud en

- een giraal geldbedrag van € 53.864,16 (overgemaakt op de bankrekening van [bv 1] op 17 december 2009); corresponderende factuur: 2009/LS0313, onderwerp: Voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid Holland

heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, wist dat deze giften hem werden gedaan ten gevolge van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening als clustermanager Beheer en Onderhoud van de [gemeente 1] is gedaan en

teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening als clustermanager Beheer & Onderhoud van de [gemeente 1] iets te doen, bestaande dit doen uit:

- het verstrekken van uitvoeringsopdrachten (waaronder de opdracht Uitvoering Verhardingsmaatregelenpakket 2008-2010) aan [bv 5] , in de wetenschap dat [bv 5] deze opdrachten, althans een deel of delen daarvan, zou gunnen en/of verstrekken aan [bv 6] en

- het bewerkstelligen dat [bv 5] Dienstverlening Buitenruimte B.V. op andere dan zakelijke gronden en/of met voorkeursbehandeling uitvoeringsopdrachten aan [bv 6] zou gunnen en/of verstrekken;

6.
[Zaaksdossier 09 en 10: 16 valse facturen verstuurd aan [bv 6] en [bv 2] ]

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 31 december 2009 te Hoofdorp, [gemeente 1] , facturen, te weten:

- een factuur van [eenmanszaak 1] d.d. 17 april 2008, genummerd: 2008/FMC0001, ten bedrage van € 17.825,00 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 04 juli 2008, genummerd: 2008/LS0201, ten bedrage van

€ 5.911,92 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 01 september 2008, genummerd: 2008/LS0203, ten bedrage van € 7.486,29 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 08 november 2008, genummerd: 2008/LS0205, ten bedrage van € 28.870,59 en

- een factuur van [eenmanszaak 1] d.d. 14 december 2008, genummerd: 2008/FMC0003, ten bedrage van € 19.596,00 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 01 maart 2009, genummerd: 2009/LS0301, ten bedrage van

€ 17.992,80 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 23 maart 2009, genummerd: 2009/LS0302, ten bedrage van

€ 14.161,00 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 23 mei 2009, genummerd: 2009/LS0305, ten bedrage van

€ 10.710,00 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 01 september 2009, genummerd: 2009/LS0308, ten bedrage van € 23.631,02 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 29 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0309, ten bedrage van

€ 23.841,65 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 14 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0310, ten bedrage van € 24.811,50 en

- een factuur van [eenmanszaak 1] d.d. 30 oktober 2009, genummerd: 2009/FMC0001, ten bedrage van € 20.424,00 en

- een factuur van [eenmanszaak 1] d.d. 10 november 2009, genummerd: 2009/FMC0002, ten bedrage van € 18.078,00 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 11 november 2009, genummerd: 2009/LS0311, ten bedrage van € 28.675,43 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 07 december 2009, genummerd: 2009/LS0313, ten bedrage van € 53.864,16 en

- een factuur van [bv 1] d.d. 07 december 2009, genummerd: 2009/LS0314, ten bedrage van € 41.352,50,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande de valsheid van die facturen hierin dat:

- op de factuur, d.d. 17 april 2008, genummerd: 2008/FMC0001, ten bedrage van € 17.825,00 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de maanden februari tot en met april van 2008 75 uren na 19.00 uur en 65 uren (anderszins) zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "advies- en bemiddelingswerkzaamheden voor de afdeling Directievoering, Toetsing, Beheer en Onderhoud" en

- op de factuur, d.d. 4 juli 2008, genummerd: 2008/LS0201, ten bedrage van € 5.911,92 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de periode februari tot en met juni 2008 36 uren na 19.00 uur zou hebben besteed inzake Bemiddeling/advies inzake Stadsbeheer Den Haag" en

- op de factuur, d.d. 1 september 2008, genummerd: 2008/LS0203, ten bedrage van € 7.486,29 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de weken 27 tot en met 33 van 2008 32 uren na 19.00 uur en in het weekend en 15 uren (anderszins) zou hebben besteed aan besprekingen en/of werkzaamheden inzake "Bemiddeling/advies inzake Asset Management" en

- op de factuur d.d. 8 november 2008, genummerd: 2008/LS0205, ten bedrage van € 28.870,59 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de weken 34 tot en met 45 van 2008 97 uren na 19.00 uur en in het weekend en 87 uren (anderszins) zou hebben besteed aan besprekingen en/of werkzaamheden inzake "Bemiddeling/advies en diverse besprekingen Asset Management" en

- op de factuur, d.d. 14 december 2008, genummerd: 2008/FMC0003, ten bedrage van € 19.596,00 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in het vierde kwartaal van 2008 92 uren na 19.00 uur en 60 uren (anderszins) zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "advies-, bemiddelings- en acquisitie werkzaamheden met name t.b.v. de regio Rotterdam/Dordrecht/Barendrecht" en

- op de factuur, d.d. 1 maart 2009, genummerd: 2009/LS0301, ten bedrage van € 17.992,80 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in januari 2009 108 uren zou hebben besteed aan besprekingen en/of werkzaamheden inzake "Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] )" en

- op de factuur, d.d. 23 maart 2009, genummerd: 2009/LS0302, ten bedrage van € 14.161,00 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in februari 2009 85 uren zou hebben besteed aan "Diverse nabesprekingen inzake "afronding Asset Management mogelijkheden in Dubai [bv 8] )" en

- op de factuur , d.d. 23 mei 2009, genummerd: 2009/LS0305, ten bedrage van € 10.710,00 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de periode februari tot en met april 2009 72 uren zou hebben besteed aan "Diverse besprekingen ihkv acquisitie mogelijkheden m.b.t. de 'Nieuwe Gemeente' Bonaire, St Eustatius en Saba (BES)" en

- op de factuur, d.d. 1 september 2009, genummerd: 2009/LS0308, ten bedrage van € 23.631,02 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de periode juni, juli en augustus 2009 66 uren na 19.00 uur en in het weekend en 88 uren (anderszins) zou hebben besteed aan besprekingen en advisering "t.b.v. Locatiekeuze (Rotterdam), Marktpotentie, Werven MBO-ers/HBO-ers, Diverse pagina's t.b.v. de nieuw op te zetten DTBO-website,etc" en

- op de factuur, d.d. 29 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0309, ten bedrage van 23.841,65 euro, valselijk en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in de periode juli en augustus 2009 70 uren na 19.00 uur en in het weekend en 83 uren (anderszins) zou hebben besteed aan bijeenkomsten en/of werkzaamheden inzake "1e fase Beeldkwaliteitsplannen en gemeentelijke onderhoudsstrategieën in Zuid-Holland" en/of

- op de factuur, d.d. 14 oktober 2009, genummerd: 2009/LS0310, ten bedrage van € 24.811,50 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in het 3e kwartaal van 2009 75 uren na 19.00 uur en in het weekend en 84 uren (anderszins) zou hebben besteed aan diverse besprekingen en advisering "t.b.v. Project 'Hubertus' tunnel te Den Haag en project Maas terras te Dordrecht" en

- op de factuur, d.d. 30 oktober 2009, genummerd: 2009/FMC0001, ten bedrage van € 20.424,00 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de maanden juni tot en met september van 2009 148 uren na 19.00 uur en in het weekend zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "de vormen, systemen, branche onderzoek, resultaten en effecten, juridische aspecten, toepasbaarheid en flankerend beleid van tariefdifferentiatie in de afvalstoffenheffing DIFTAR" en

- op de factuur, d.d. 10 november 2009, genummerd: 2009/FMC0002, ten bedrage van € 18.078,00 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de maanden september en oktober van 2009 131 uren na 19.00 uur en in het weekend zou hebben besteed aan werkzaamheden inzake "het inbedden van het VORT in de Taskforce Tunnels, Uitvoeren van het programma, Ontwikkelen van kaders en standaarden, Eisen tbv doorstroming en veiligheid, bouwkundige elementen, installaties, bediening, Inspecties en condities, Contracteringsfilosofie en Taakverdeling (Centraal of Decentraal) van het Programma VORT" en

- op de factuur, d.d. 11 november 2009, genummerd: 2009/LS0311, ten bedrage van € 28.675,43 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat hij in de periode september en oktober 2009 94 uren na 19.00 uur en in het weekend en 89 uren (anderszins) zou hebben besteed aan bijeenkomsten en/of werkzaamheden inzake "Meerjaren structuurplannen en vraag gestuurd beheer en onderhoud" en

- op de factuur, d.d. 7 december 2009, genummerd: 2009/LS0313, ten bedrage van € 53.864,16 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld dat het gefactureerde bedrag zou toezien op een "voorschot inhuur werkvoorbereiding contractering Noord en Zuid-Holland" en

- op de factuur, d.d. 7 december 2009, genummerd: 2009/LS0314, ten bedrage van € 41.352,50 valselijk en in strijd met de werkelijkheid is vermeld en/of aangegeven dat hij in het 3e en 4e kwartaal van 2009 210 uren na 19.00 uur en in het weekend en 47 uren (anderszins) zou hebben besteed aan "werkzaamheden in het kader van samenstellen data base".

Hetgeen onder 1, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd en

als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd en

als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 3 tot en met 6 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 3 tot en met 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht en een beroepsverbod als directeur van een B.V. voor de duur van 5 jaren.

De raadsvrouw heeft in het kader van de straf(maat) het volgende aangevoerd. De verdachte heeft een niet aangeboren hersenafwijking die hem beperkt in het dagelijks leven. Voorts ondervindt hij last van aandacht van de media, als gevolg waarvan hij, nog afgezien van zijn gezondheid, een andere werkkring heeft moeten zoeken. De verdachte heeft in dit verband in hoger beroep verklaard dat hij drie dagen per week werkt als chauffeur. Deze omstandigheden dienen te leiden tot strafvermindering; verzocht wordt de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen. De raadsvrouw acht voorts een beroepsverbod zoals gevorderd niet aan de orde en heeft ten slotte gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als gemeenteambtenaar gedurende een periode van twee jaar schuldig gemaakt aan het aannemen van giften in ruil voor het leveren van tegenprestaties. Om te verhullen dat in werkelijkheid sprake was van ambtelijke corruptie, heeft hij zich in dat verband schuldig gemaakt aan het vals opmaken en versturen van 16 facturen. Medeverdachten hebben deze facturen betaald in dezelfde periode waarin de gemeente hun ondernemingen verschillende opdrachten heeft gegund. De verdachte fungeerde als leidinggevende bij de gemeente; hij heeft de hem uit hoofde van die functie toekomende bevoegdheden misbruikt en hij heeft het in hem als ambtenaar en clustermanager gestelde vertrouwen ernstig beschaamd. Door als vertegenwoordiger van de overheid grenzen van integer handelen te overschrijden, heeft de verdachte schade toegebracht aan het publiek vertrouwen in het openbaar bestuur en het objectief en zakelijk functioneren van ambtenaren. Voorts heeft hij door steeds de ondernemingen van zijn medeverdachten een voorkeurspositie te gunnen, het systeem van eerlijke marktwerking verstoord. Het totale bruto geldbedrag dat de verdachte naar aanleiding van zijn facturen in de bewezenverklaarde periode heeft ontvangen is ruim € 350.000,00.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het vervalsen van zijn ontslagbesluit bij een andere gemeente en aan de vervalsing van een factuur in een ander verband.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 oktober 2019 is hij eerder ter zake van het als gemeenteambtenaar aannemen van giften om hem te bewegen enige tegenprestatie te leveren, onherroepelijk veroordeeld. De in die zaak voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, heeft hem kennelijk niet weerhouden van de herhaling van soortgelijk gedrag. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte geen blijk gegeven van inzicht in de ernst en de laakbaarheid van zijn gedrag. Het hof acht deze omstandigheid strafverzwarend.

In het licht van de aard en ernst van de feiten, de periode zoals bewezenverklaard, de hoogte van het benadelingsbedrag, de schaamteloze wijze waarop belangenverstrengeling heeft plaatsgevonden, de eerdere veroordeling en de overige omstandigheden, is het hof van oordeel dat in dit geval alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan de feiten. Het hof ziet geen aanleiding in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte hem een andere strafsoort op te leggen. Gelet op de recidive is een straf zoals voorgesteld door de raadsvrouw niet aan de orde. Anders dan de raadsvrouw is het hof voorts van oordeel, dat media-aandacht inherent is aan bepaalde strafzaken en dat deze aandacht, hoe vervelend ook, geen aanleiding is voor matiging van de op te leggen straf.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid, dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, aangezien de verdachte op 21 juni 2011 voor het eerst is verhoord en het hof heden, bijna negen jaar daarna, arrest wijst. Daarbij is wel van belang dat de lange duur van de berechting in twee instanties niet alleen aan de justitiële autoriteiten te wijten is geweest. Er is nimmer sprake geweest van een langere periode van inactiviteit aan die kant en met de regelmatig herhaalde (agenda)wensen van de verdediging is, hoezeer ook terecht, veel tijd gemoeid geweest.

Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie, zodat sprake is van een overschrijding van de gehele termijn met vier jaar en negen maanden. Bij de vraag of en in hoeverre deze overschrijding gecompenseerd dient te worden, neemt het hof wel in aanmerking de omvang en ingewikkeldheid van de zaak, evenals de mate waarin het openbaar ministerie enerzijds en de verdediging anderzijds zich hebben ingespannen om de behandeling van de zaak voortvarend te doen plaatsvinden.

Het hof zal de overschrijding verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden acht maar deze, gelet op de schending van de redelijke termijn, zal matigen tot 30 maanden.

Vordering van de benadeelde partij [gemeente 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 523.439,84. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Met betrekking tot een deel van de vordering, een bedrag van € 12.963,80 inzake de valse factuur [werknemer 2] , heeft de rechtbank geoordeeld dat de gestelde schade niet rechtstreeks voortvloeit uit de strafbare feiten.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en heeft daarbij de oorspronkelijke vordering verlaagd tot een bedrag van € 154.099,47 en een veroordeling van de verdachte in de proceskosten. Genoemd bedrag heeft de gemeente betaald voor het onderzoek dat door [bv 11] (hierna: [bv 11] ) is uitgevoerd naar aanleiding van de fraudemelding ten aanzien van (onder andere) de verdachte. De benadeelde partij heeft in haar toelichting gesteld, dat de conclusie van het onderzoek van [bv 11] heeft geleid tot de aangifte door de gemeente in de onderliggende zaak. Het onderzoek van [bv 11] maakt een belangrijk deel uit van het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte en diens medeverdachte, als gevolg waarvan sprake is van een causaal verband tussen de bevindingen in het rapport en de strafbare feiten.

De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de vordering toe te wijzen, aangezien sprake is van schade die rechtstreeks verband houdt met het strafbare feit.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding.

Het hof stelt vast dat de [gemeente 1] , naar aanleiding van een fraudemelding, [bv 11] heeft opgedragen intern onderzoek te doen naar integriteitschending door de verdachte en medewerkers van [bv 5] . Het doel van het onderzoek was de vraag of en in hoeverre deze beschuldigingen op waarheid berustten en wie daarbij betrokken waren. In het rapport van 9 april 2010 heeft [bv 11] geconcludeerd dat de geuite beschuldigingen hoogstwaarschijnlijk op waarheid berustten. Door [bv 11] zijn voorts vraagtekens gezet bij de verwevenheid in de relatie tussen de verdachte en zijn bedrijven, de medeverdachte en zijn bedrijven, de gemeente en de onderaannemer van de gemeente; mogelijk zou sprake zijn van belangenverstrengeling en ongeoorloofde beïnvloeding.

Het onderzoek door [bv 11] was dus niet uitsluitend gericht tegen de verdachte als ambtenaar van de gemeente, maar ook tegen verschillende medewerkers van een onderaannemer. Gelet daarop en het ontbreken van een specificatie, zoals door de raadsvrouw van de verdachte benoemd, is het hof van oordeel dat niet zonder nader onderzoek kan blijken dat alle gestelde schade rechtstreeks door het onder 1, 4, 5, en 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. Nader onderzoek levert echter een onevenredige belasting op van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Beslag

Onder de verdachte zijn ex artikel 94 Sv twee auto’s in beslag genomen waarop nog conservatoir beslag rust in de zin van artikel 94a Sv. Het hof zal daarom geen beslissing nemen over het beslag op de auto’s.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 225 en 363 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [gemeente 1]

Verklaart de benadeelde partij [gemeente 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. R.P. den Otter en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 maart 2020.

mr. Den Otter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen

1 Met ingang van 1 januari 2015 is bij de wet van 19 november 2014, Stb. 445, artikel 363 herzien. In het eerste lid, aanhef, is de straf van vier jaren vervangen door zes jaren, in het eerste lid, onderdelen 1 tot en met 4, is telkens ‘in strijd met zijn plicht’ vervallen en in het derde lid is zes jaren vervangen door acht jaren.

2 Kamerstukken II, 1998/99, 26 469, nr. 3, (MvT), p. 1.