Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:754

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
200.254.531/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 843a Rv. Vordering tot overdracht kopie accountantsdossier aan cliënt. Vereist vaststelling rechtsbetrekking en/of rechtmatig belang dat normschending in exhibitie-incident voldoende aannemelijk is geworden? Maatstaf HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775 (art. 1019 Rv) overeenkomstig van toepassing op 843a-vordering?

Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:867.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2020/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.254.531/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/228492 / HA ZA 15-441

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2020

1 Holland Lift International B.V.,

2. SMP International B.V.,

beide gevestigd te Hoorn,

appellanten,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. M.H.S. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

JAN©Accountants en Belastingadviseurs B.V.,

gevestigd te Purmerend,

geïntimeerde,

gedaagde in het incident,

advocaat: mr. J.F. Garvelink te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Holland Lift, SMP (gezamenlijk Holland Lift c.s.) en JAN genoemd.

Holland Lift c.s. is bij dagvaarding van 30 januari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Holland Lift en SMP als eiseressen in conventie en verweersters in reconventie, en [X] (hierna: [X] ) als gedaagde in conventie en JAN als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

De dagvaarding in hoger beroep, waarin zowel [X] als JAN als partijen zijn betrokken, bevat tevens een - uitsluitend tegen JAN ingestelde) -incidentele vordering tot inzage in en/of afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv en/of artikel 7:403 BW, alsmede producties.

JAN heeft daarna een memorie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, met producties ingediend.

Partijen hebben het incident ter zitting van 17 december 2019 doen bepleiten, Holland Lift c.s. door mr. Verhoeven voornoemd en door mr. P.L.J. van den Berg, advocaat te Rotterdam, en JAN door mr. Garvelink voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

Holland Lift c.s. heeft in het incident geconcludeerd dat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. JAN wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na dit arrest aan Holland Lift c.s. te verstrekken, zowel in papieren als digitale vorm, een afschrift van de gehele controledossiers over de jaren 2007, 2008 en 2008 van Holland Lift, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel dat JAN niet voldoet tot aan de dag van voldoening;

subsidiair

2. JAN wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na dit arrest aan Holland Lift c.s. te verstrekken, zowel in papieren als digitale vorm, een afschrift van de bescheiden, vermeld in randnummer 69 van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende incidentele vordering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel dat JAN niet voldoet tot aan de dag van voldoening;

primair en subsidiair

3. wordt bepaald dat Holland Lift c.s. in de hoofdzaak een termijn van zestien weken verkrijgt voor het indienen van haar memorie van grieven, te rekenen vanaf de dag dat JAN een afschrift van de gevorderde bescheiden aan Holland Lift c.s. heeft verstrekt, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen roldatum;

4. JAN wordt veroordeeld in de proceskosten in het incident met nakosten en rente.

JAN heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis van 31 oktober 2018 onder 2 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in dit incident niet in geschil. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zal in het incident van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1.

Holland Lift ontwikkelt, produceert en verkoopt schaarliften. Vanaf 2002 was Stoneham Equipment B.V. (hierna: Stoneham) de enig aandeelhouder van Holland Lift.

2.2.

SMP is opgericht op 14 juni 2007. Sinds 1 november 2007 houdt SMP alle aandelen in Holland Lift, eerst indirect als enig aandeelhouder van Stoneham en sinds 20 december 2013 rechtstreeks.

2.3. 45%

45% van de aandelen in SMP werd gehouden door [X] en [Y] (hierna: [Y] ). Sinds 19 november 2013 is ProDelta Investments Partners B.V. (hierna: ProDelta) de enig aandeelhouder van SMP.

2.4.

[X] is krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst van 8 januari 2001 per 1 januari 2001 in dienst getreden bij Holland Lift.

2.5.

[X] is op 10 december 2001, 31 december 2002 en 14 juni 2007 benoemd tot statutair bestuurder van Holland Lift, respectievelijk Stoneham, respectievelijk SMP. In deze periode was ook [Y] statutair bestuurder van deze vennootschappen. Op 9 februari 2012 zijn beiden als bestuurders van deze vennootschappen teruggetreden.

2.6.

[X] is op 11 maart 2013 bij Holland Lift uit dienst getreden.

2.7.

Bij Holland Lift functioneerde [Y] als algemeen directeur en [X] als financieel directeur. Onder leiding van [X] is Holland Lift met ingang van 2007 overgestapt van Exact DOS naar Exact Globe als het nieuwe financieel administratie systeem. Bij registratie in Exact Globe waren blijkens het memorandum Voorraadproces van JAN van oktober 2007 mede betrokken de magazijnmeester, de administratief medewerkers, de inkoopmedewerker, allen onder [X] als eindverantwoordelijke.

2.8.

JAN is een accountants- en belastingadvieskantoor. JAN heeft in opdracht van Holland Lift en SMP in de boekjaren 2007, 2008 en 2009 als controlerend accountant opgetreden. In het kader van de accountantscontrole van Holland Lift zijn namens JAN bij e-mails van 22 juni 2007, 18 juli 2007, 18 januari 2008, 14 maart 2008 en 13 juli 2009 vragen gesteld over de voorraadadministratie en is gewezen op de noodzaak dat het grootboek aansluit op de subadministratie. JAN heeft uiteindelijk goedkeurende verklaringen afgegeven betreffende de jaarrekeningen van Holland Lift en SMP voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009.

2.9.

Voor het boekjaar 2010 heeft Ernst & Young (hierna: EY) in eerste instantie een ongeclausuleerde goedkeurende verklaring afgegeven betreffende de jaarrekeningen van Holland Lift en SMP. EY heeft die goedkeurende verklaring naderhand ingetrokken.

2.10.

In 2011 en de jaren daarna hebben Holland Lift en SMP dan wel hun aandeelhouders onderzoek gedaan naar de financiële administratie van Holland Lift. Daarvoor is eerst door Krüger & Partners in 2011 een quick scan uitgevoerd naar het ontstaan van liquiditeitstekorten bij Holland Lift. Daarna hebben Holland Lift en SMP (dan wel hun indirecte aandeelhouder) aan PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. (hierna: PwC) opdracht gegeven een (boeken)onderzoek te doen naar de financiële gang van zaken binnen Holland Lift en SMP en naar de rol die zowel [X] als JAN daarbij hebben vervuld. PwC heeft op 30 mei 2013 rapport uitgebracht van haar bevindingen (hierna: het onderzoeksrapport). Die bevindingen zijn, samengevat, dat er in de boekhouding van Holland Lift verschillen zijn in de waarde van de voorraad zoals die is opgenomen in het grootboek en zoals die is opgenomen in de subadministratie. Bovendien hebben er onjuiste boekingen plaatsgevonden, waardoor het resultaat van Holland Lift en SMP te hoog werd voorgesteld en hun financiële positie te rooskleurig. Dit is gebeurd door toedoen van [X] , terwijl JAN hiervan wist dan wel hiervan op de hoogte had kunnen raken indien zij haar werk volgens de geldende normen had gedaan, aldus het onderzoeksrapport.

2.11.

Op 29 december 2014 zijn [X] en JAN door Holland Lift en SMP aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stellen hierdoor te hebben geleden.

3 Beoordeling

3.1.

Holland Lift c.s. heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat en voor zover thans van belang, dat JAN wordt veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 7.966.044 met rente en kosten. Holland Lift c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat JAN toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen dan wel dat zij onrechtmatig jegens Holland Lift c.s. heeft gehandeld en dat Holland Lift c.s. daardoor schade heeft geleden. Naar Holland Lift c.s. betoogt, zijn de voorraden van Holland Lift te hoog gewaardeerd, waardoor het resultaat veel te positief werd voorgesteld. JAN had geen genoegen mogen nemen met gedeeltelijke aanlevering door [X] van (volgens Holland Lift c.s.: gemanipuleerde) excel-bestanden. Daarmee heeft JAN niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, aldus Holland Lift c.s..

3.2.

De rechtbank heeft de vorderingen van Holland Lift c.s. afgewezen, kort gezegd op de grond dat uit hetgeen zij heeft aangevoerd niet blijkt dat JAN de voor haar geldende voorschriften heeft overtreden of anderszins niet heeft gehandeld zoals van een redelijk vakbekwaam en redelijk handelend controlerend accountant mag worden verwacht.

3.3.

In het incident heeft Holland Lift c.s. samengevat het volgende aangevoerd. In het grootboek van Holland Lift zijn de voorraden voor een te hoog bedrag opgenomen vergeleken met de subadministratie. In de jaren 2007, 2008 en 2009 gaat het om bedragen van € 2.599.200, € 3.143.378, respectievelijk € 5.131.607. Dit zijn substantiële bedragen, niet alleen in verhouding tot de gehele voorraad, maar ook tot de totale balans van Holland Lift. Omdat haar controlewerkzaamheden ontoereikend waren, heeft JAN de verschillen in de voorraadadministratie niet ontdekt, dit terwijl zij deze wel had kunnen en moeten ontdekken.

JAN heeft niet inzichtelijk gemaakt welke controle-informatie zij heeft verzameld, op welke wijze Holland Lift deze aan haar ter beschikking heeft gesteld en hoe JAN deze informatie heeft gecontroleerd. Omdat Holland Lift c.s. niet beschikt over voldoende stukken om vast te kunnen stellen of JAN haar controlewerkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd, vordert zij in dit incident de controledossiers over de boekjaren 2007-2009. Omdat in de hoofdprocedure op Holland Lift c.s. de stelplicht en bewijslast rust, heeft zij een rechtmatig belang bij de gevorderde stukken. Gelet op de overeenkomsten van opdracht in deze boekjaren is bovendien sprake van een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv, aldus steeds Holland Lift c.s.

Algemene verweren

3.4.

JAN voert enkele algemene verweren die, indien gegrond, ertoe kunnen leiden dat de vordering in het incident geen inhoudelijke beoordeling behoeft. Het hof zal deze als eerste behandelen.

3.5.

Volgens JAN is in dit stadium van de procedure geen plaats meer voor een vordering op grond van artikel 843a Rv. Nu de bodemrechter al uitvoerig is ingegaan op de controlewerkzaamheden, dient de vordering in incident in beginsel te worden afgewezen. Evenals de kortgedingrechter dient het hof in dit incident zijn oordeel af te stemmen op dat van de bodemrechter, zo stelt JAN.

3.5.1.

Dit betoog wordt verworpen. Een 843a-vordering als de onderhavige kan niet op een lijn worden gezet met een kortgedingprocedure ter zake van een geschil waarover reeds in een bodemprocedure is geoordeeld. Dit incident ziet op een andere vraag: het gaat hier om de gevorderde afgifte van bescheiden en niet om een oordeel over een tekortkoming. Anders dan JAN betoogt, dient de rechter niet, zoals in kort geding, zijn oordeel in dit incident af te stemmen op het oordeel van de rechter in de bodemprocedure. Gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep bestaat op voorhand ook geen bezwaar tegen een 843a-vordering voordat van grieven wordt gediend. De uitkomst in dit incident doet ook niet toe of af aan het uiteindelijke oordeel in de hoofdzaak.

3.6.

JAN doet ook een beroep op verweren die zij in het bodemgeschil tegen de vorderingen van Holland Lift c.s. heeft aangevoerd. Het gaat om verweren die door de rechtbank niet zijn beoordeeld maar die wel aan toewijzing van de hoofdvordering in de weg zouden staan. Het gaat hier onder meer om een beroep op verjaring, schending van de klachtplicht, ontbrekende relativiteit en schade, ontbrekend causaal verband en ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 BW, en een beroep op een exoneratiebeding. Gelet op deze verweren kan de vordering in incident evenmin slagen, aldus JAN.

3.6.1.

Ook dit betoog faalt. Het gaat hier om verweren die in de bodemzaak op hun merites kunnen worden beoordeeld, maar die in het kader van dit incident terzijde kunnen blijven. JAN heeft onvoldoende concreet onderbouwd, dat, gelet op de inhoud van die weren, moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de (hierna onder 3.7 genoemde) voorwaarden voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv. Daarbij moet overigens worden bedacht dat de exhibitievordering, naar Holland Lift c.s. heeft betoogd, niet slechts wordt ingesteld met het oog op de (gepretendeerde) vordering jegens JAN, maar ook ter nadere onderbouwing van de vordering jegens [X] . Op die vordering hebben de weren geen betrekking.

Voorwaarden voor toewijzing exhibitievordering

3.7.

Een exhibitievordering is slechts toewijsbaar indien aan de drie in het eerste lid van artikel 843a Rv genoemde voorwaarden is voldaan. Dat wil zeggen dat (i) de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, een rechtmatig belang heeft bij afschrift of inzage daarvan, (ii) de vordering betrekking heeft op ‘bepaalde’ bescheiden en (iii) de bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarbij degene die afschrift of inzage vordert partij is. Daarnaast mag zich geen van de in de leden 3 en 4 van artikel 843a Rv vervatte uitzonderingen voordoen, te weten dat (iv) hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn en (v) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn en (vi) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.


Bepaalde bescheiden

3.8.

Holland Lift c.s. vorderen de gehele controledossiers van Holland Lift over de jaren 2007, 2008 en 2009. Deze bescheiden zijn voldoende bepaald in de zin van artikel 843a Rv. Tussen partijen is niet in geschil dat JAN gehouden was een controledossier over de desbetreffende boekjaren aan te leggen en te bewaren. Dat zijn de dossiers waarvan Holland Lift c.s. een afschrift vordert, inclusief de interne documenten die van die controledossiers deel uitmaken. Holland Lift c.s. vordert geen interne documenten buiten deze controledossiers, zodat ook in zoverre niet kan worden geoordeeld dat de gevorderde bescheiden onvoldoende bepaald zijn.

Rechtsbetrekking

3.9.

Evenmin is in geschil is dat JAN de jaarrekeningen van Holland Lift over de jaren 2007-2009 heeft gecontroleerd op basis van tussen Holland Lift en JAN jaarlijks gesloten overeenkomsten van opdracht. Daarmee is sprake van een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv.

Rechtmatig belang

3.10.

Holland Lift c.s. heeft in het incident uiteengezet dat zij in hoger beroep onder meer nader wil onderbouwen dat JAN niet is afgegaan op authentieke controle-informatie van de voorraad, maar dat zij zich heeft verlaten op door [X] (vanaf zijn privé-e-mailadres) aangeleverde, gemanipuleerde excel-bestanden die niet aansloten op de subadministratie in boekhoudprogramma Exact.

Het hof overweegt hierover als volgt.

3.10.1.

Op basis van hetgeen Holland Lift c.s. onder verwijzing naar het onderzoeksrapport heeft gesteld, moet althans in dit incident ervan worden uitgegaan dat de voorraadadministratie van Holland Lift gebrekkig was. Ook de intrekking door EY van de ongeclausuleerde goedkeurende verklaring voor het boekjaar 2010 (zie 2.9) biedt steun voor dit uitgangspunt.

3.10.2.

Holland Lift c.s. voert verder aan dat blijkens een vergelijking van het overzicht van tellingen van 3 december 2009 met de voorraadadministratie in Exact slechts twee artikelen met een waarde van € 86.200 zijn geïnventariseerd, terwijl 48 artikelen met een geadministreerde waarde van € 3.782.618 en een werkelijke waarde van slechts € 536.290 niet zijn gecontroleerd. Naar Holland Lift c.s. stelt, valt door haar niet meer te achterhalen welke documenten door [X] aan JAN zijn verstrekt, terwijl JAN geen helderheid heeft verschaft op welke informatie zij haar controle heeft gebaseerd.

3.10.3.

Holland Lift c.s. wil aan haar vordering in hoger beroep ten grondslag leggen dat de controlewerkzaamheden van JAN ontoereikend waren en dat zij daardoor de verschillen in de voorraadadministratie niet heeft ontdekt. Volgens Holland Lift c.s. heeft JAN zich niet verlaten op authentieke controle-informatie maar is zij afgegaan op door [X] gemanipuleerde informatie (vgl. NV COS 500). De gestelde tekortkoming is volgens Holland Lift c.s. voorts erin gelegen dat JAN de voorraad op ondeugdelijke wijze heeft geteld, dat JAN haar controlewerkzaamheden niet conform NV COS 330 heeft verricht en dat zij geen aansluiting heeft gemaakt tussen de subadministratie en het grootboek.

3.10.4.

In het licht van de door PwC geconstateerde gebreken in de voorraadadministratie, de door [X] van zijn huisadres aan JAN verzonden excel-bestanden die afwijken van de administratie in Exact en van het gestelde niet-representatieve karakter van de steekproef van de voorraad in 2009, is het hof van oordeel dat Holland Lift c.s. kan worden gevolgd voor zover bij haar serieuze vragen zijn gerezen over de wijze waarop JAN aan haar accountantscontrole invulling heeft gegeven en op basis van welke stukken JAN haar goedkeurende verklaringen heeft afgegeven. Daarbij moet worden bedacht dat blijkens de onder 2.8 bedoelde e-mails in de periode 2007-2009 aan de zijde van JAN herhaaldelijk vragen zijn gesteld omtrent de deugdelijkheid van de voorraadadministratie, en dat ondanks de kennelijk gerezen onduidelijkheid op dit punt uiteindelijk toch goedkeurende verklaringen zijn afgegeven.

3.10.5.

Holland Lift c.s. heeft onderbouwd uiteengezet dat zij zelf niet (meer) over (een groot deel van) de informatie uit de controledossiers beschikt en dat zij haar stellingen in hoger beroep op dit punt nader wil staven en eventueel aanpassen. Gelet op de grondslag waarop zij haar vordering in hoger beroep mede beoordeeld wil zien en in aanmerking genomen dat de grondslag van de vordering stoelt op feiten die liggen in het domein van JAN, heeft Holland Lift c.s. in de gegeven omstandigheden een rechtmatig belang bij haar exhibitievordering. Het hof merkt in dit verband nog op dat Holland Lift c.s. geen gegevensdragers vordert die zijn opgesteld in verband met (de voorbereiding van) deze procedure, maar dat het haar specifiek is te doen om de controledossiers.

3.10.6.

Voor zover JAN aanvoert dat een rechtsbetrekking en/of het rechtmatig belang pas kan worden aangenomen, indien de relevante normschending in het exhibitie-incident voldoende aannemelijk is geworden, faalt dit betoog. Een dergelijke maatstaf geldt bij exhibitievorderingen op grond van artikel 1019a Rv. Deze maatstaf is weliswaar overeenkomstig toegepast in een 843a-vordering waarbij het ging om (gesteld) onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775), maar uit dat arrest valt niet af te leiden dat deze maatstaf zonder meer geldt in alle 843a-vorderingen (zie m.n. rov. 5.1.3, tweede alinea) terwijl JAN onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat een dergelijke overeenkomstige toepassing van de voor exhibitievorderingen ex art. 1019a Rv geldende maatstaf ook in de onderhavige zaak aangewezen zou zijn. De aard van de rechtsverhouding is in dit geval een andere dan aan de orde was in voormeld arrest; het gaat hier om de relatie tussen een opdrachtgever en opdrachtnemer. De informatie die Holland Lift c.s. behoeft om de tekortkoming door JAN te kunnen onderbouwen ligt gelet op de aard van de rechtsverhouding bovendien zozeer in het domein van JAN, dat Holland Lift c.s. een onredelijk nadeel lijdt indien het controledossier voor haar niet beschikbaar zou komen. Gelet voorts op de verantwoordingsplicht die ingevolge artikel 7:403 BW op de accountant rust, ziet het hof geen aanleiding om de maatstaf uit voormeld arrest uit te breiden tot het onderhavige geval.

3.10.7.

Gegrond is evenwel het verweer dat Holland Lift c.s. onvoldoende heeft toegelicht een rechtmatig belang te hebben bij het gedeelte van het controledossier dat betrekking heeft op de voorzieningen, lang- en kortlopende schulden aan de passiefzijde van de balans. De gestelde tekortkomingen zien immers op de actiefzijde van de balans en de consequenties van de waarderingen van de voorraad voor de kostprijs van de omzet, terwijl Holland Lift niet heeft gesteld dat deze posten aanleiding geven tot nader onderzoek. In zoverre zal de vordering worden afgewezen.

3.10.8.

Hetgeen JAN overigens heeft aangevoerd is tegen de achtergrond van het voorgaande niet van zodanig gewicht, dat dit kan leiden tot een ander oordeel omtrent het rechtmatig belang.

3.11.

Dat JAN jegens Holland Lift c.s. tot geheimhouding is gehouden, of dat er anderszins gewichtige redenen zijn op grond waarvan JAN niet is gehouden aan de vordering te voldoen, is gesteld noch gebleken. Gelet op het voorgaande kan evenmin redelijkerwijs worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de controledossiers is gewaarborgd.

3.12.

Slotsom is dat de primaire vordering voor toewijzing in aanmerking komt, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de voorzieningen, lang- en kortlopende schulden. Het hof ziet aanleiding om de termijn voor veroordeling te stellen op vier weken na betekening van dit arrest. De hoogte van de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd op € 100.000.

3.13.

Holland Lift c.s. verzoekt nog dat zij voor het indienen van haar memorie van grieven een termijn van zestien weken verkrijgt, te rekenen vanaf de dag dat JAN een afschrift van de gevorderde bescheiden aan Holland Lift c.s. heeft verstrekt. Deze vordering is niet toewijsbaar, nu het hof niet betrokken is bij het verstrekken van afschriften van de controledossiers. Het hof zal in het dictum een roldatum bepalen voor het indienen van de memorie van grieven; op een eventueel uitstelverzoek kan de rolraadsheer te zijner tijd beslissen.

3.14.

Gelet op het voorgaande behoeft de subsidiaire vordering geen behandeling. JAN zal worden veroordeeld in de kosten van het incident.

4 Beslissing

Het hof, rechtdoende in incident:

4.1.

veroordeelt JAN om binnen zes weken na betekening van dit arrest aan Holland Lift c.s. afschrift van de controledossiers over de jaren 2007, 2008 en 2009 van Holland Lift te verstrekken, met uitzondering van de gedeelten van deze controledossiers die uitsluitend betrekking hebben op de voorzieningen, en lang- en kortlopende schulden van Holland Lift, een en ander op kosten van Holland Lift c.s. en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 (tienduizend euro) voor iedere dag of dagdeel dat JAN niet aan deze veroordeling voldoet en met een maximum van € 100.000 (honderdduizend euro);

4.2.

veroordeelt JAN in de kosten van het incident, aan de zijde van Holland Lift c.s. begroot op € 3.222 voor salaris en op € 157 voor nasalaris, te vermeerderen met € 80 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

4.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

verwijst de zaak naar de rol van 12 weken na uitspraak voor indienen van de memorie van grieven aan de zijde van Holland Lift c.s.

4.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. de Jongh, A.L.M. Keirse en M.E.M.G. Peletier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.