Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:74

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
200.239.346/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:2752
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Gebruiksvergoeding. Vergoedingsrechten. Erfenisgelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

(familie- en jeugdrecht team III)

zaaknummer : 200.239.346/01

zaaknummer rechtbank : C/15/259281 / HA ZA 17-381

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 januari 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

appellante,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.R. Carrière te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 14 mei 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de rechtbank) van 4 april 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de vrouw als eiseres in de hoofdzaak en in het incident en de man als gedaagde in de hoofdzaak en in het incident.

Bij arrest van 29 mei 2018 heeft het hof een comparitie van partijen na aanbrengen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 19 juli 2019.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Op 5 september 2019 heeft op verzoek van de vrouw pleidooi plaatsgevonden. Partijen hebben ieder het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw aan de hand van aan het hof

overgelegde pleitaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting heeft de vrouw nog een vijftal producties (productie 3 tot en met 7) aan het hof doen toekomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De vrouw heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en gevorderd dat bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog geheel of ten dele worden toegewezen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

De man heeft geconcludeerd - zakelijk - tot afwijzing van het beroep van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 en 2.2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

De man en de vrouw zijn in 1979 met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank van 9 november 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de man € 1.078,- per maand aan partneralimentatie moet betalen aan de vrouw. De echtscheidingsbeschikking is op 6 maart 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3

Partijen woonden tijdens het huwelijk samen in de hen in eigendom toebehorende woning gelegen aan [adres] te [plaats B] (hierna: de woning). De vrouw heeft de woning op 10 mei 2015 verlaten. Partijen hebben de waarde van de woning door middel van een taxatie bepaald op € 184.000,-. Op de woning rustte geen hypothecaire geldlening.

2.4

De echtelijke woning is inmiddels verkocht.

3 Beoordeling

3.1

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, aldus dat partijen de verkoopopbrengst van de woning (na aftrek van de daaraan verbonden kosten) en de saldi per 7 januari 2016 van de gezamenlijke en de op naam van ieder van hen staande bankrekeningen (met uitzondering van de op die rekeningen (eventueel nog) staande erfenisgelden van de man) bij helfte dienen te delen. Voorts is de auto van het merk Seat aan de vrouw toegedeeld, waarvoor zij € 1.100,- aan de man dient te betalen, en zijn de caravan en de motor aan de man toegedeeld, waarvoor hij € 2.250,- aan de vrouw dient te betalen. Met betrekking tot de auto van het merk Toyota heeft de rechtbank overwogen dat deze wordt beschouwd als een uit erfenis verkregen goed dat buiten de verdeling valt. De waarde van de eenmanszaak van de man heeft de rechtbank op nihil vastgesteld, zodat, zo heeft de rechtbank overwogen, daarvan geen feitelijke verdeling meer hoeft plaats te vinden. Voorts heeft de rechtbank - voor zover nog van belang - afgewezen de vordering van de vrouw dat de man wordt veroordeeld om met ingang van 10 mei 2015 een gebruiksvergoeding voor de woning aan de vrouw te betalen.

3.2

De vrouw komt met een viertal grieven tegen deze beslissingen op. Haar eerste grief richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de door haar gevorderde gebruiksvergoeding. Met haar tweede grief betoogt de vrouw dat ten onrechte niet alle saldi van de bankrekeningen zijn verdeeld en een uitzondering voor de “nog resterende erfenisgelden” is gemaakt, en met haar derde grief komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Toyota buiten de verdeling dient te blijven. De vierde grief van de vrouw tot slot richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van de eenmanszaak van de man op nihil is gesteld.

3.3

De grieven zullen hierna worden besproken.

De gebruiksvergoeding

3.4

De eerste grief van de vrouw ziet op de afwijzing door de rechtbank van de door haar gevorderde gebruiksvergoeding. De vrouw licht haar grief als volgt toe. Niet is in debat dat de vrouw in beginsel recht heeft op een gebruiksvergoeding en evenmin is in debat dat de man vanaf mei 2015 alleen in de woning heeft gewoond zonder dat hij hypotheeklasten betaalde. De hypothecaire geldlening was immers reeds volledig afgelost. Ten onrechte is overwogen dat in de beschikking van 9 november 2016 tot uitgangspunt is genomen dat de man geen gebruiksvergoeding aan de vrouw betaalt en evenmin is juist dat de rechtbank die omstandigheid in de vastgestelde partneralimentatie heeft verdisconteerd. De echtscheidingsprocedure heeft zich beperkt tot het uitspreken van de echtscheiding en het vaststellen van de partneralimentatie. Partijen hebben geen verzoeken gedaan met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, en tegen die achtergrond is het logisch om de gebruiksvergoeding te betrekken bij de verdeling. Onjuist is dat het om communicerende vaten gaat, nu partneralimentatie inkomsten zijn die “in fiscalibus” onder box 1 vallen en dit bij de gebruiksvergoeding niet het geval is. Ook is feitelijk onjuist dat de vrouw de gebruiksvergoeding niet eerder aan de orde heeft gesteld. De vrouw heeft van haar aanspraak op een gebruiksvergoeding geen afstand gedaan en zij heeft ook geen rechten verwerkt.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.5

Op grond van artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed. Dit artikel heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken is van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143). Daarbij

dienen de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten in de gemeenschap ingevolge artikel 3:166 lid 3 BW beheersen, tot maatstaf, zodat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

Omdat de man het uitsluitend gebruik heeft gehad van de woning, dient hij in beginsel aan de vrouw een vergoeding te betalen. Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, volgt echter dat de man alle lasten van de woning, en daarmee ook alle eigenaarslasten, heeft gedragen. Deze lasten zijn in dit geval weliswaar beperkt omdat de woning niet hypothecair was belast, maar dat laat onverlet dat de man kosten heeft voldaan die voor de helft voor rekening van de vrouw dienden te komen. Daarnaast geldt dat bij het bepalen van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals valt af te leiden uit de beschikking van 9 november 2016 en de bij die beschikking gevoegde berekening, geen rekening is gehouden met een te betalen gebruiksvergoeding. De vrouw heeft zich in die procedure ook verzet tegen het (alsnog) vaststellen van een verdeling, hetgeen de man verzocht. Daarbij moet de vrouw zich, gelet ook op de bij die beschikking gevoegde berekening, ervan bewust zijn geweest dat het naderhand aan de orde stellen van een gebruiksvergoeding tot een aanzienlijk nadeliger financiële positie van de man zou leiden.

Weliswaar heeft een aanspraak op gebruiksvergoeding een geheel eigen grondslag ten opzichte van partneralimentatie, maar toekenning van een gebruiksvergoeding leidt onder de gegeven omstandigheden zonder meer tot een lagere draagkracht aan de zijde van de man enerzijds, en een lagere behoefte aan de zijde van de vrouw anderzijds. Een gebruiksvergoeding had onder de gegeven omstandigheden dan ook tot een lagere partneralimentatie geleid. Dat dit in dit geval anders zou zijn geweest, heeft de vrouw in het geheel niet onderbouwd. De hiervoor genoemde redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten beheersen, brengen naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden dan ook met zich dat de vrouw jegens de man geen aanspraak toekomt op toekenning van een gebruiksvergoeding. Het verzoek van de vouw is derhalve terecht afgewezen. De eerste grief faalt.

De bankrekeningen

3.6

Met haar tweede grief betoogt de vrouw allereerst dat ten onrechte niet alle saldi van de bankrekeningen van partijen bij helfte zijn verdeeld en een uitzondering is gemaakt voor de erfenisgelden van de man. Volgens de vrouw is de rechtbank ten onrechte eraan voorbij gegaan dat de erfenisgelden gedurende een reeks van jaren voor de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn aangewend en dat op de peildatum nog erfenisgelden resteerden. Tevens heeft de vrouw haar beroep op de redelijkheid en billijkheid herhaald.

3.7

Dienaangaande geldt als volgt. Als tussen partijen niet in geschil, staat vast dat de erfenisgelden door de man onder uitsluitingsclausule zijn verkregen. Dit brengt met zich dat de erfenisgelden niet in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de op de peildatum nog resterende erfenisgelden niet bij helfte dienen te worden verdeeld. Anders dan de vrouw heeft betoogd, maakt de lange duur van het huwelijk van partijen dat niet anders; te minder omdat de erfenisgelden pas in de laatste jaren van het huwelijk van partijen zijn ontvangen. De omstandigheid dat de vrouw, zoals zij stelt, niet in staat is inkomsten uit arbeid of andere inkomsten te genereren, brengt ook niet mee dat het beroep van de man op de uitsluitingsclausule in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Ook het betoog van de vrouw dat door de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de erfenis ook de vrouw zou toekomen, treft geen doel. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de erfenisgelden op een gezamenlijke bankrekening waren gestort, maar deze, overigens door de man weersproken, omstandigheid is op zichzelf voor een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen onvoldoende. De man heeft daarnaast gemotiveerd betwist dat partijen ervan uitgingen dat de erfenisgelden tot de gemeenschap behoorden. De man heeft aangevoerd dat hij een zorgvuldige administratie bijhield en de erfenisgelden altijd apart heeft geadministreerd, alsmede dat slechts hij opnames van deze gelden deed en dat de vrouw niet zelfstandig over de erfenisgelden kon beschikken. Deze omstandigheden heeft de vrouw niet (voldoende) gemotiveerd weersproken. De omstandigheid, tot slot, dat in voorkomend geval door de man kosten van de huishouding met de erfenisgelden werden betaald, brengt evenmin mee dat de (resterende) erfenisgelden als gemeenschappelijk moeten worden aangemerkt. Feiten en/of omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de vrouw gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat de erfenisgelden deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap, zijn derhalve gesteld noch gebleken.

3.8

Het hof stelt vast dat uit de door partijen overgelegde stukken valt af te leiden dat op de peildatum nog een deel van de erfenisgelden aanwezig was. De stelling van de vrouw dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgegaan is dat per peildatum nog iets over was van de erfenis kan daarom niet slagen.

3.9

De vrouw heeft met haar tweede grief verder nog betoogd dat indien niet de banksaldi met daaronder begrepen de erfenisgelden bij helfte dienen te worden verdeeld, dan ook de gelden op de bankrekening ten name van de vrouw (met nummer [1] ) buiten de verdeling dienen te blijven. Volgens de vrouw is op die rekening door de man € 10.000,- gestort voor de huisvesting van de vrouw in haar nieuwe woning. Omdat de man met de inboedel uit de echtelijke woning is overbedeeld, moet dit bedrag worden geacht geheel aan de vrouw toe te komen, aldus de vrouw. Dit betoog slaagt en daarmee in zoverre ook de tweede grief. Blijkens de overgelegde stukken is op 8 juni 2015, en daarmee vóór de peildatum, op een nieuw geopende (ABN AMRO) bankrekening op naam van de vrouw een bedrag van € 10.000,- met (deel)omschrijving “huisvesting” gestort. Tussen partijen is niet in geschil dat dit geld voor de vrouw was om de inboedel voor haar nieuwe huisvesting te kopen en om ‘op gang te komen’ na het uiteengaan van partijen. De vrouw heeft van dit geld, zoals zij onbestreden heeft gesteld, haar huur en energiekosten betaald en overigens geleefd. De in de onderlinge verhouding tussen partijen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid brengt met zich dat het eventuele op de peildatum nog aanwezige restant van het gestorte bedrag van € 10.000,- aan de vrouw toekomt en buiten de verdeling blijft. Wel mag van de vrouw worden verwacht dat zij de man inzage verstrekt in het verloop tot en met de peildatum op die betreffende bankrekening. Voor zover buiten het restant van dit uitsluitend aan de vrouw toekomende bedrag op de peildatum nog sprake is van een positief saldo, dient dit bij helfte tussen partijen te worden verdeeld.

De Toyota

3.10

De derde grief van de vrouw ziet op de auto van het merk Toyota. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat de Toyota buiten de verdeling moet blijven, omdat deze is betaald met erfenisgelden. De Toyota is betaald van de gezamenlijke bankrekening, welke rekening vóór de afschrijving van het aankoopbedrag was gevoed met gelden van de gezamenlijke spaarrekening, aldus de vrouw. De man heeft verweer gevoerd. Tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft de man met betrekking tot de aanschaf van de Toyota verklaard dat deze is gekocht met geld van twee spaarrekeningen (naar het hof begrijpt:) van partijen, vóórdat de man de erfenisgelden had ontvangen en dat het aankoopbedrag later vanuit de erfenis op de twee spaarrekeningen is teruggestort. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft de man hieraan toegevoegd dat de oude auto van partijen vlak voor een vakantie kapot was gegaan en dat partijen, teneinde toch op vakantie te kunnen, hadden afgesproken dat de auto vanuit de op korte termijn door de man te ontvangen erfenis zou worden betaald en dat in afwachting van die gelden de aankoopprijs van de gezamenlijke spaarrekeningen zou worden voorgeschoten. Na de ontvangst van de erfenisgelden zou de aankoopprijs door de man worden terugbetaald. De vrouw heeft erkend dat deze afspraak is gemaakt. Volgens de vrouw heeft de man echter te weinig terugbetaald. Ook de man heeft verklaard dat niet het volledige aankoopbedrag door hem is terugbetaald.

3.11

Voorop moet worden gesteld dat de Toyota op het moment van verkrijging volledig met gemeenschapsgeld is betaald. Dit brengt mee dat de Toyota in beginsel tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort. Omdat partijen echter zijn overeengekomen dat de aankoop van de Toyota slechts zou worden voorgeschoten en omdat partijen reeds bij aanschaf van de Toyota voor ogen stond dat deze – uiteindelijk - vanuit het eigen privévermogen van de man zou worden betaald, brengen de omstandigheden van dit geval mee dat het ervoor moet worden gehouden dat de Toyota buiten de verdeling blijft.

Uit de overgelegde bankafschriften - productie X van de zijde van de vrouw bij brief van 4 oktober 2017 -) en het als productie M bij genoemde brief overgelegde overzicht, kan worden opgemaakt dat de man ter zake een bedrag van € 16.000,- aan de gemeenschap heeft voldaan. Op 25 juli 2014 is op de gezamenlijke rekening (eindigend op 322) een bedrag van € 16.000,- en een bedrag van € 2.000,- gestort. Van deze gezamenlijke rekening is vervolgens op 26 juli 2014 een bedrag van € 17.650,- afgeschreven voor de betaling van de Toyota. Op 10 september 2014 is vanaf de ervenrekening een bedrag van € 10.000,- overgemaakt op de gezamenlijke rekening. Op 27 december 2014 is vanaf de bankrekening eindigend op 015 een bedrag van € 9.000,- naar de gezamenlijke rekening eindigend op 322 overgemaakt. Diezelfde dag is echter een bedrag van € 5.000,- van de gezamenlijke bankrekening naar de bankrekening van de eenmanszaak van de man overgemaakt. De man heeft ten aanzien van deze laatste overboeking weliswaar aangevoerd dat hieraan andere overwegingen ten grondslag lagen, maar het had op zijn weg gelegen dit standpunt nader te concretiseren en onderbouwen. Aldus is door de man vanuit zijn eigen vermogen (€ 19.000,- -/- € 5.000,-=) € 14.000,- terugbetaald aan de gemeenschap en is de verkrijging van de Toyota voor meer dan de helft ten laste van zijn vermogen gekomen.

3.12

Uit het voorgaande volgt dat voor de aanschaf van de Toyota een bedrag van € 3.650,- ten laste van de gemeenschap is gekomen. De man is gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden gehouden tot een vergoeding aan de gemeenschap, welke vergoeding, nu het een auto betreft en daarmee een goed dat naar zijn aard is bestemd om te worden verbruikt, het nominale bedrag beloopt dat ten laste van de gemeenschap is gekomen. De man dient daarom € 3.650,- aan de gemeenschap te vergoeden. Dit brengt mee dat de vrouw ter zake een bedrag van € 1.825,- toekomt. Het hof zal in het kader van de voorliggende verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap beslissen dat de man dit bedrag aan de vrouw dient te betalen. In zoverre slaagt de derde grief.

De eenmanszaak

3.13

De vierde grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van de eenmanszaak van de man op de peildatum nihil is. Volgens de vrouw is de omstandigheid dat de man nog bedrijfsruimte huurde een indicatie dat de eenmanszaak inkomsten genereerde en staat vast dat de man in 2017 nog winst/loon ontving. Ook heeft de man volgens de vrouw recent een perceel grond in België aangeschaft met daarop meerdere gebouwen waaruit hij inkomsten ontvangt. De vrouw heeft verder nog aangevoerd dat bij de waardebepaling van de eenmanszaak de huur als onnodige last buiten beschouwing dient te worden gelaten.

3.14

Het in het kader van de vierde grief aangevoerde betoog van de vrouw treft geen doel. De enkele omstandigheid dat de man nog huur betaalde, brengt niet mee dat een zodanig vermogen aanwezig was dat een waarde aan de eenmanszaak moet worden toegekend. Ook heeft de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de man volledig arbeidsongeschikt is en een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, alsmede dat geen zicht op verbetering van deze situatie bestaat. Mede gelet hierop heeft de vrouw ook in hoger beroep tegenover de stellingen van de man en de door hem overgelegde financiële gegevens onvoldoende aangevoerd op grond waarvan tot het oordeel zou moeten worden gekomen dat de eenmanszaak van de man op de peildatum een waarde vertegenwoordigde. Dat de man recent een perceel grond heeft gekocht is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De man heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat het perceel grond is betaald vanuit het restant van de erfenisgelden en het aan de man toekomende deel van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning. Bij deze stand van zaken komt het hof aan het bewijsaanbod van de vrouw met betrekking tot de vraag met welke gelden het perceel is gekocht, niet toe. De grief faalt.

Slotsom

3.15

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven 2 en 3 van de vrouw gedeeltelijk slagen. Het vonnis waarvan beroep zal in zoverre worden vernietigd en het hof zal beslissen als volgt.

3.16

De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet geen aanleiding om ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg tot een andere beslissing te komen.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin de verdeling van de saldi op de bankrekeningen per 7 januari 2016 is vastgesteld;

en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat partijen bij helfte zullen verdelen de saldi per 7 januari 2016 van de gezamenlijke en de op naam van ieder van partijen staande bankrekeningen, met uitzondering van de op die rekeningen (eventueel nog) staande erfenisgelden van de man en met uitzondering van het op de peildatum nog aanwezige restant van het door de man aan de vrouw op de bankrekening met nummer [1] betaalde bedrag van € 10.000,-;

bepaalt dat de man ter zake van de door de man met betrekking tot de Toyota aan de gemeenschap verschuldigde vergoeding een bedrag van € 1.825,- aan de vrouw dient te betalen;

bekrachtigt het vonnis van beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, mr. A.R. Sturhoofd en mr. H.A. van den Berg, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.