Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:722

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
23-004121-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promis arrest. Diefstal in vereniging met braak. Bewijsoverweging medeplegen en poging diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004121-18

datum uitspraak: 6 februari 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 in de strafzaak onder het parketnummer 13-156818-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

23 januari 2020.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto heeft weggenomen een tomtom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen tomtom onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair

hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, een autoruit heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met elkaar en/of (een) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto (een) goed(eren) en/of geld weg te nemen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, een autoruit heeft/hebben ingeslagen, tot en/of bij het plegen van dit misdrijf verdachte op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door op de uitkijk te staan;

meest subsidiair

hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Amsterdam openlijk, te weten op de Herengracht, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een auto door een ruit in te slaan, terwijl hij, verdachte deze goederen opzettelijk heeft vernield.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het dossier geen blijk geeft van een gezamenlijke uitvoering van het feit of een wezenlijke bijdrage door de verdachte aan het feit. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan derhalve niet bewezen worden verklaard. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat de uiterlijke schijn van het opzettelijk behulpzaam zijn bij een strafbaar feit in de vorm van het op de uitkijk staan, onvoldoende is voor een bewezenverklaring van medeplegen en medeplichtigheid.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het proces-verbaal van bevindingen leidt het hof de volgende feiten af. Op 16 juni 2017 ziet een verbalisant op de Herengracht te Amsterdam drie personen lopen. Zij blijken later te zijn de verdachten [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. De verdachten kijken al lopend meerdere keren om zich heen, terwijl een van de verdachten langs de geparkeerde auto’s loopt en de andere twee verdachten op de stoep lopen. De verbalisant besluit de verdachten samen met een collega te observeren.1

De verdachten stoppen met lopen op de Herengracht bij het passeren van een auto van het merk Nissan. [medeverdachte 2] schijnt met een zaklamp in de Nissan, terwijl [verdachte] en [medeverdachte 1] in de directe omgeving van [medeverdachte 2] blijven staan en om zich heen kijken. Zij staan ruim dertig seconden stil bij de Nissan, waarna zij enkele meters verderop in de richting van de Raadhuisstraat kort met elkaar in gesprek gaan. De verdachten keren vervolgens terug naar de Nissan. [medeverdachte 2] loopt richting de rechtervoorzijde, [medeverdachte 1] richting de achterzijde en [verdachte] richting de voorkant. De verbalisanten hebben geen zicht op [medeverdachte 2], maar zien wel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] om zich heen kijken. Zij horen vrijwel direct na aankomst van de verdachten bij de Nissan glasgerinkel uit die richting komen, terwijl zij op dat moment geen andere geluiden waarnemen. [medeverdachte 1] en [verdachte] verplaatsen zich direct daarop versneld richting [medeverdachte 2]. De verdachten kijken meerdere keren schichtig achterom op het moment dat zij weglopen richting de Raadhuisstraat waar zij korte tijd later worden aangehouden. Zij waren ten tijde van de observatie door de verbalisanten de enige personen op de Herengracht.2

De verbalisanten zien dat de rechtervoorruit van de Nissan is ingeslagen. De glasscherven liggen naast de ingeslagen voorruit op de weg alsook binnen op de passagiersstoel en de achterbank. Het dasboardkastje staat open en op de passagiersstoel ligt de beschermhoes van een navigatiesysteem. De verbalisanten hebben eerder die avond bij geen enkele auto glasscherven zien liggen.3 De auto behoorde toe aan [slachtoffer] die de auto had gehuurd.4

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit onderling overleg en een gezamenlijke uitvoering. Het hof acht daarmee het ten laste gelegde medeplegen, en wel van een poging tot diefstal, bewezen.

Het hof overweegt ten overvloede dat het door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat geen sprake is geweest van een voltooide diefstal onbesproken kan blijven, nu het hof niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 juni 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een auto weg te nemen goederen, toebehorende aan [slachtoffer], onder hun bereik te brengen door middel van braak, een autoruit heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich midden in de nacht schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met braak door de rechtervoorruit van een auto in te slaan. Dit is een ergerlijk feit dat bij de benadeelde niet alleen overlast en negatieve gevoelens veroorzaakt, maar vaak ook aanmerkelijke financiële schade.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 januari 2020 eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat het voorgaande in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het hof houdt niettemin in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat bij de behandeling ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de verdachte de noodzaak van gedragsverandering nu wel inziet en dat hij zijn leven, al dan niet met behulp van de reclassering en andere instellingen, een andere wending heeft gegeven. Hij woont geheel zelfstandig in een woning in Emmen, hij zit in een re-integratietraject van het UWV en hij werkt een paar dagen in de week bij het

re-integratiecentrum van het Leger des Heils. Het voorgaande maakt dat het hof aanleiding ziet over te gaan tot de oplegging van een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Zo kan de verdachte enerzijds bewijzen dat hij de positieve ontwikkelingen in zijn leven kan vasthouden, terwijl de verdachte anderzijds een stok achter de deur ervaart om er voor te zorgen dat hij zich in de toekomst niet opnieuw schuldig maakt aan het plegen van enig strafbaar feit.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van

mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 februari 2020.

=========================================================================

[…]

1 Proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2018, pagina 9.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2017, pagina 10.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2017, pagina’s 11.

4 Proces-verbaal van aangifte van 16 juni 2017, pagina’s 7.