Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:714

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
200.229.231/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Luchtvaartkartel. Cessie vorderingen aan claimvehikel. Heeft schuldenaar belang bij vaststelling geldigheid cessie of is voor schuldenaar beslissend of hij op redelijke gronden moet aannemen dat (kan betwijfelen of) cessie geldig is? Art. 6:34 en 6:37 BW. Op cessie-overeenkomst toepasselijk recht (art. 14 Rome I; art. 10:135 BW). Mededelingsplicht; informatierecht schuldenaar (art. 3:94 lid 1 en 4 BW). Redelijke grond tot twijfel indien cessieovereenkomst wordt beheerst door Duits of Frans recht.

Cessie aan claimvehikel strijdig met fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW)? Bepaaldheidsvereiste. Belang schuldenaar bij betwisting geldigheid handtekening cessieakte en bij vaststelling bevoegde vertegenwoordiging cedent in cessieakte.

Bezitsvermoeden vordering (art. 3:119 BW). Is vordering vatbaar voor bezit?

Samenhang met ECLI:NL:GHAMS:2020:713.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.229.231/01

zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/486440 / HA ZA 11-944 (Equilib I) C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2020

1 Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

2. Martinair Holland N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

advocaat: mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,

de rechtspersonen naar vreemd recht

3. Société Air France S.A.

gevestigd te Tremblay en France (Frankrijk),

advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,

4 Singapore Airlines Cargo Pte Ltd,

5. Singapore Airlines Limited,

beide gevestigd te Singapore (Singapore),

advocaat: mr. I.W. VerLoren van Themaat te Amsterdam,

6 Lufthansa Cargo A.G.,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

7. Deutsche Lufthansa A.G.,

gevestigd te Keulen (Duitsland),

8. Swiss International Air Lines A.G.,

gevestigd te Basel (Zwitserland),

advocaat: mr. P.N. Malanczuk te Rotterdam,

9 British Airways Plc,

gevestigd te Harmondsworth, West Drayton (Verenigd Koninkrijk),

advocaat: mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

10 Air Canada S.A.,

gevestigd te Saint Laurent (Canada),

advocaat: mr. K.A.J. Bisschop te Amsterdam,

11 Cathay Pacific Airways Limited,

gevestigd te Hong Kong (China),

advocaat: mr. Ph.W.M. ter Burg te Den Haag,

appellanten,

incidenteel geïntimeerden,

tegen

EQUILIB NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

incidenteel appellante

advocaat: mr. M.H.J. van Maanen te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna KLM, Martinair, Air France, Singapore Cargo, Singapore, Lufthansa Cargo, Deutsche Lufthansa, Swiss International, BA, Air Canada, Cathay (gezamenlijk: de luchtvaartmaatschappijen) en Equilib genoemd. Singapore Cargo en Singapore zullen hierna gezamenlijk (in enkelvoud) Singapore Airlines worden genoemd; Lufthansa Cargo, Deutsche Lufthansa en Swiss International zullen hierna gezamenlijk (in enkelvoud) Lufthansa worden genoemd.

De luchtvaartmaatschappijen zijn bij dagvaarding van 10 november 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2017 in gevoegde zaken onder bovenvermelde zaak-/rolnummers gewezen tussen Equilib als eiseres en – in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/486440 / HA ZA 11-944 (hierna: Equilib I) – appellanten 1 tot en met 3 als gedaagden en de overige appellanten als gevoegde partijen respectievelijk – in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II) – appellanten 1 tot en met 3, 6, 7 en 9 als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven van de zijde van de luchtvaartmaatschappijen, met producties;

- memories van grieven van de zijde van achtereenvolgens Singapore, Lufthansa, BA, Air Canada en Cathay, waarin zij zich hebben aangesloten bij de grieven en het petitum uit de memorie van grieven van de luchtvaartmaatschappijen;

- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende bezwaar eiswijziging, van de zijde van KLM, Martinair en Air France;

- akte tot referte en memories van antwoord in incidenteel appel van de overige luchtvaartmaatschappijen, waarin zij zich hebben aangesloten bij de inhoud van de memorie van antwoord in incidenteel appel van KLM, Martinair en Air France.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 juni 2019 doen bepleiten, en wel als volgt:

  • -

    KLM, Martinair en Air France door mr. Strik voornoemd, mr. T.M. Welling, advocaat te Amsterdam, en mr. Kortmann voornoemd aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd;

  • -

    Lufthansa door mr. Malanczuk voornoemd en mr. J.P. van der Klein, advocaat te Amsterdam;

  • -

    BA door mr. Beenders voornoemd en mrs. M.J. Portman en I. Peijster, advocaten te Amsterdam;

  • -

    Singapore Airlines door mrs. N.T. Dempsey, advocaat te Amsterdam;

  • -

    Air Canada door mr. Bisschop voornoemd;

  • -

    Cathay door mr. Ter Burg voornoemd;

  • -

    Equilib door mr. Van Maanen voornoemd en mrs. T.S. Hoyer en H.B. de Hek, advocaten te Den Haag, aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

BA heeft nog producties in het geding gebracht.

Aansluitend aan de pleidooien is op 5 juni 2019 een (regie)comparitie gehouden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De luchtvaartmaatschappijen hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van Equilib zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten met nakosten en rente.


Equilib heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep van de luchtvaartmaatschappijen, heeft in incidenteel appel gevorderd dat het bestreden vonnis deels wordt vernietigd, en heeft in principaal en incidenteel appel – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen gevorderd in de kosten van het geding in beide instanties.

De luchtvaartmaatschappijen hebben in incidenteel appel bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van Equilib en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.27 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Voor zover met grief V wordt geklaagd over de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten zal het hof deze klachten in aanmerking nemen bij onderstaande samenvatting van de feiten. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft in een besluit van 9 november 2010 geoordeeld dat diverse luchtvaartmaatschappijen – waaronder de luchtvaartmaatschappijen – in de periode vanaf december 1999 tot 14 februari 2006 brandstof- en veiligheidstoeslagen ten aanzien van vluchten van, naar en binnen de Europese Economische Ruimte hebben gecoördineerd, hetgeen in strijd is met artikel 101 WVEU (respectievelijk de daaraan temporeel voorafgaande Verdragsbepalingen). Aan elf luchtvaartmaatschappijen zijn geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 799.445.000 wegens deelname aan een internationaal kartel. Dit besluit (hierna: het oude besluit) is aan de luchtvaartmaatschappijen bekend gemaakt. Voorts heeft de Europese Commissie daaromtrent een persbericht doen uitgaan.

2.2.

Tegen het oude besluit is door alle twintig geadresseerden daarvan, met uitzondering van Qantas Airways Limited (hierna: Qantas), beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht). Bij arresten van 16 december 2015 heeft het Gerecht de beroepen gegrond verklaard en het oude besluit van de Commissie (ten aanzien van BA gedeeltelijk) nietig verklaard. De Commissie heeft geen beroep ingesteld tegen deze arresten.

2.3.

BA heeft tegen het arrest van het Gerecht beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU), dat door het hof bij arrest van 17 november 2017 is afgewezen.

2.4.

De Europese Commissie heeft op 17 maart 2017 een nieuw besluit genomen en dit bekend gemaakt (Besluit van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 53 van de EER-overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (Zaak AT.39258 – Luchtvracht); hierna: het nieuwe besluit). Daarin heeft de Europese Commissie wederom geoordeeld dat in de hiervoor onder 2.1 genoemde periode sprake was van een internationaal kartel en heeft zij aan een aantal luchtvaartmaatschappijen – waaronder de luchtvaartmaatschappijen – geldboetes opgelegd voor een totaalbedrag van € 776.465.000 voor deelname aan dat kartel. Alle beboete luchtvaartmaatschappijen (met uitzondering van Qantas) hebben tegen het nieuwe besluit beroep ingesteld bij het Gerecht. Ten tijde van het wijzen van dit arrest is deze procedure nog aanhangig.

2.5.

Er zijn, zo stelt Equilib, brandstoftoeslagen en andere toeslagen aan de afzenders van goederen die luchtvrachtdiensten hebben afgenomen (hierna: de shippers) in rekening gebracht via expediteurs (hierna ook: de freight forwarders).

2.6.

Equilib, sinds 18 december 2012 na een fusie de rechtsopvolger onder algemene titel van Equilib S.A.R.L. (een vennootschap naar Frans recht), is een Nederlandse vennootschap die schadevergoedingsvorderingen (die zijn ontstaan door mededingingsrechtelijke inbreuken) in rechte tracht te verhalen (ook wel genoemd een ‘litigation vehicle’ of ‘claim vehicle’), in dit geval de vorderingen die een aantal shippers meent te hebben op de luchtvaartmaatschappijen ter zake van het hiervoor bedoelde kartel.

2.7.

Equilib koopt de vorderingen op, bundelt deze en gaat deze vervolgens in eigen naam innen. Hiertoe laat Equilib haar ‘cliënten’ (shippers) hun (vermeende) vorderingen aan haar cederen. De door Equilib overgelegde cessiedocumentatie betreft:

i. i) de cessieovereenkomsten/leveringsakten (“hoofdovereenkomsten”) tussen enerzijds de cedenten (shipper en/of moedermaatschappij van een dochtermaatschappij die als shipper luchtvrachtdiensten heeft afgenomen) en anderzijds Equilib (Assignment of Rights Agreements),

ii) de overeenkomsten tussen de dochtermaatschappijen, de moedermaatschappijen en Equilib (Intragroup Assignment and Mandate Agreements),

iii) de leveringsakten tussen de dochtermaatschappijen en de moedermaatschappijen (Assignments from Subsidiary to Parent),

iv) de leveringsakten tussen de moedermaatschappijen en Equilib (Assignments from Parent to Equilib),

v) de cessieovereenkomsten/leveringsakten tussen een aantal shippers en Equilib (Supplementary Assignment of Rights Agreements) waarin de eerdere cessies worden bevestigd en waarbij is beoogd vorderingen uit de periode december 1999 en/of vorderingen uit de periode tussen 15 februari 2006 en eind 2008 over te dragen.

2.8.

Equilib heeft voor de cessiedocumentatie diverse modellen gehanteerd, die hierna, voor zover relevant, zullen worden weergegeven.

Volgens Equilib zijn de verschillende modellen in grote lijnen in te delen in modellen met een ‘oude’ considerans waarin nog werd aangenomen dat het kartel van 2000-2007 duurde. In modellen met een ‘nieuwe’ considerans wordt uitgegaan van een kartel tussen december 1999 en 14 februari 2006. De Supplementary Assignment of Rights Agreements zijn aparte modellen die gebaseerd zijn op de daaraan voorafgaande cessies. Deze zijn ingedeeld afhankelijk van de vraag of de voorgaande cessiedocumentatie een ‘oude’ of ‘nieuwe’ considerans had en of sprake is van dochtermaatschappijen. Ten slotte zijn de meest recente cessies ook in een nieuw model gegoten en aangeduid als het ‘2016-model’ (A5, B5, C5 en D5), aldus steeds Equilib. De door de shippers getekende cessiedocumentatie wijkt op onderdelen af van de door Equilib overgelegde modellen. De afwijkingen zijn weergegeven in productie 3 bij akte van 9 november 2016 van Equilib.

2.9.

Het door Equilib overgelegde model “A1- Agreement Assignment of Rights oude considerans DEF” tussen de cedent, al dan niet een moedermaatschappij, (in het model aangeduid als ‘Claimant’ of ‘Assignor’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:

WHEREAS

A. The Commission of the European Communities (…) and several national competition authorities have initiated investigations and/or actual and potential prosecutions against certain major airlines (the “Airlines”) for allegedly having taken part between 2000 and 2007 (the “Cartel Period”) in a cartel which fixed prices, surcharges and levies in relation to international air freight services provided by the Airlines from and to member states of the European Union and other countries (the “Cartel”).

B. The Airlines include but are not limited to: Air France-KLM Airlines, Alitalia, Air Canada, Air New Zealand, All Nippon Airways, Cathay Pacific, Cargolux, Japan Airlines, LAN Airlines, Lufthansa, Malaysian Airlines, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Thai A(i)rways.

C. It is alleged that the Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.

D. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation.

E. The Claimant directly and/or indirectly purchased international air freight services from one or more of the Airlines during the Cartel Period and has suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.

F. The Claimant has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. Depending upon where, when and how the Losses were incurred, these Rights may be of different nature, legal status and time limitations.

G. In addition to the Rights, the Claimant enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of monetary compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”).

H. The Claimant wishes to assign the Rights and the Accessory Rights (the “Assignment”) to Equilib on the terms and conditions of this Agreement, in order for Equilib to resolve the Rights through either an action for damages or a settlement. Equilib will, subject to the terms of this Agreement, bear all the costs and risks of resolving and enforcing the Rights assigned to it. In consideration for the Assignment, Equilib undertakes to pay to the Claimant a share of any payment that may be made by the Airlines to Equilib in relation to

the Rights.

(…)

2. Assignment of the Rights and the Accessory Rights

2.1

The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.

2.2

The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.

2.3

The Assignee shall at its expense, where legally required, make the appropriate notification of the existence and terms of this Assignment to such of the Airlines as the Assignee wishes to resolve or enforce the Rights against.

3. Price of the Assignment

3.1

In consideration for the Assignment, the Assignor will be entitled to a Price equivalent to (…) of the Compensation (…).

3.3

The Assignor acknowledges that the quantum and payment of the Price depends entirely on the Assignee successfully resolving and enforcing the Rights for value through Proceedings or Alternative Resolution.

(…)

8. Buy-Back Option

8.1

With respect to the Rights, should the Assignee within the Performance Period;

(a) fail to commence Proceedings or seek Alternative Resolution (clause 4.2);

(b) decide not to seek to resolve or enforce the Rights following a Negative Opinion notified to the Assignor (clause 4.3); or

(c) cause an event of Default as provided for under clause 4.8;

the Assignor will be granted by the Assignee the right to call back the Rights and the Accessory Rights (the “Buy-Back Option”) in accordance with clause 8.2 below.

(…)

12. Governing law and jurisdiction

This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands.”

2.10.

Het door Equilib overgelegde model “A2- Agreement Assignment of Rights nieuwe considerans DEF” tussen de cedent, al dan niet een moedermaatschappij, (in het model aangeduid als ‘Claimant’ of ‘Assignor’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:

WHEREAS

A. On the 9th November 2010 the Commission of the European Communities (the “EC”) announced that it had completed investigations into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”). 14 airlines (the “Airlines”) were found to have illegally fixed fuel and security surcharges on all shipments and the EC imposed fines totalling €799m.

B. The airlines are Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.

C. The Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.

D. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation.

E. The Claimant directly and/or indirectly purchased international air freight services from one or more of the Airlines during the Cartel Period or have paid fuel and/or security surcharges during the Cartel Period and has suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.

F. The Claimant has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. Depending upon where, when and how the Losses were incurred, these Rights may be of different nature, legal status and time limitations.

G. In addition to the Rights, the Claimant enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of monetary compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”).

H. The Claimant wishes to assign the Rights and the Accessory Rights (the “Assignment”) to Equilib on the terms and conditions of this Agreement, in order for Equilib to resolve the Rights through either an action for damages or a settlement. Equilib will, subject to the terms of this Agreement, bear all the costs and risks of resolving and enforcing the Rights assigned to it. In consideration for the Assignment, Equilib undertakes to pay to the Claimant a share of any payment that may be made by the Airlines to Equilib in relation to the Rights.

(…)

2. Assignment of the Rights and the Accessory Rights

2.1

The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.

2.2

The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.

2.3

The Assignee shall at its expense, where legally required, make the appropriate notification of the existence and terms of this Assignment to such of the Airlines as the Assignee wishes to resolve or enforce the Rights against.

3. Price of the Assignment

3.1

In consideration for the Assignment, the Assignor will be entitled to a Price equivalent to (…) of the Compensation (…).

3.3

The Assignor acknowledges that the quantum and payment of the Price depends entirely on the Assignee successfully resolving and enforcing the Rights for value through Proceedings or Alternative Resolution.

(…)

8. Buy-Back Option

8.1

With respect to the Rights, should the Assignee;

(a) decide not to seek to resolve or enforce the Rights following a Negative Opinion notified to the Assignor (clause 4.1); or

(b) cause an event of Default as provided for under clause 4.5;

the Assignor will be granted by the Assignee the right to call back the Rights and the Accessory Rights (the “Buy-Back Option”) in accordance with clause 8.2 below.

(…)

12. Governing law and jurisdiction

This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands. (…)”.

2.11.

Het door Equilib overgelegde model “A5- Agreement Assignment of Rights 2016-model DEF” tussen de cedent, al dan niet een moedermaatschappij, (in het model aangeduid als ‘Claimant’ of ‘Assignor’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:

WHEREAS

A. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14th February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 Airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”). (…)

B. The Airlines are: Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines. (…)

C. The Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.

D. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation. The damages for which compensation can be sought include damages incurred as a result of the effects that the Cartel Conduct has had on the conduct and pricing policy of other airlines that were not a member of the Cartel (“Umbrella Effects”).

E. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”).

F. The Claimant directly and/or indirectly purchased international air freight services from one or more of the Airlines and other airlines during the Cartel Period and the Post-Cartel Period and has suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge and the Umbrella Effects (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.

G. The Claimant has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. The Rights may differ including in respect of applicable law, their legal status and the applicable limitation periods.

H. In addition to the Rights, the Claimant enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”). (…)

I. The Claimant wishes to sell and assign the Rights and the Accessory Rights (the “Assignment”) to Equilib on the terms and conditions of this Agreement, in order for Equilib to resolve the Rights through either an action for damages or a settlement. Equilib will, subject to the terms of this Agreement, bear all the costs and risks of resolving and enforcing the Rights assigned to it. In consideration for the Assignment, Equilib undertakes to pay to the Claimant a share of any payment that may be made by the Airlines to Equilib in relation to the Rights.

(…)

2. Assignment of the Rights and the Accessory Rights

2.1

The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.

2.2

The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.

2.3

The Assignee shall at its expense, where legally required, make the appropriate notification of the existence and terms of this Assignment to such of the Airlines as the Assignee wishes to resolve or enforce the Rights and the Accessory Rights against.

3. Price of the Assignment

3.1

In consideration for the Assignment, the Assignor will be entitled to a Price equivalent to (…) of the Compensation (…).

3.3

The Assignor acknowledges that the quantum and payment of the Price depends entirely on the Assignee successfully resolving and enforcing the Rights and the Accessory Rights for value through Proceedings or Alternative Resolution.

(…)

8. Buy-Back Option

8.1

With respect to the Rights and the Accessory Rights, should the Assignee;

(a) decide not to seek to resolve or enforce the Rights and the Accessory Rights or continue to do so following a Negative Opinion notified to the Assignor (clause 4.1); or

(b) cause an event of Default as provided for under clause 4.5;

the Assignor will be granted by the Assignee the right to call back the Rights and the Accessory Rights (the “Buy-Back Option”) in accordance with clause 8.2 below.

(…)

12. Governing law and jurisdiction

This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands.”

2.12.

Het door Equilib overgelegde model “B1- Intragroup Assignment and Mandate Agreement oude considerans DEF”, gesloten tussen Equilib, de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’), luidt, voor zover hier relevant:

WHEREAS:

a. The European Commission is investigating alleged cartel behaviour by various airlines believed to have occurred between 1ˢᵗ January 2000 – 14ͭ ͪ February 2007 (“the Cartel Period”) which affected competition within the European Union. The above airlines (“the Airlines”) are believed to include, but are not limited to KLM, Martinair, British Airways, Air France, Asiana, Cargolux, Cathay Pacific, El Al, Japan Air Lines, Korean Airlines, LAN Carco, Aerolinhas Brasileiras, Nippon Cargo Airlines, Qantas, SAS and Lufthansa.

b. The alleged cartel behaviour relates to air cargo services and the fixing of various so-called surcharges between competitors (“the Cartel Conduct”). If proven, this conduct would infringe Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union.

c. Subsidiary has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, has incurred damages, for which the Subsidiary holds the Airlines both individually and jointly and severally liable (“the Subsidiary’s Claims”);

d. Parent and Equilib have entered into an agreement, concluded on (…), which provides inter alia for Parent to assign (cederen) claims of its own similar to the Subsidiary’s Claims (“the Parent’s Claims”) to Equilib;

e. Parent and Equilib wish to include in the Parent’s Claims the Subsidiary’s Claims and Subsidiary therefore agrees to assign the Subsidiary’s Claims to Parent;

f. Subsidiary grants Equilib a mandate (“last”) under Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims.

g. This agreement is governed by Dutch law; for this reason Subsidiary as assignor and Parent as assignee will assign by separate deed the Subsidiary’s Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;

SUBSIDIARY, PARENT AND EQUILIB COVENANT AS FOLLOWS

1. Subsidiary will assign to Parent by separate deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines.

2. Subsidiary mandates Equilib pursuant to Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.”

2.13.

Het door Equilib overgelegde model “B2 Intragroup Assignment and Mandate Agreement nieuwe considerans DEF”, gesloten tussen Equilib, de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’), bevat dezelfde bepalingen als het onder 2.12 genoemde model, behoudens onder a en b, die als volgt luiden:

“a. The European Commission has completed its investigation into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (“the Cartel Period”) finding the Airlines guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”).

b. This conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused.”

2.14.

Het door Equilib overgelegde model “B5 Intragroup Assignment and Mandate Agreement 2016-model DEF”, gesloten tussen Equilib., de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’), luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS:

a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14th February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 Airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)

b. The Airlines are: Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines. (…)

c. The Airlines have, by means of the Cartel, artificially inflated their international air freight charges during the Cartel Period in an anticompetitive manner and without any valid legal justification. The amount of the artificial inflation in the charges is referred to as the “Overcharge”.

d. Companies that directly and/or indirectly purchased international air freight services from any of the Airlines during the Cartel Period are likely to have suffered loss and damage as a result of the Overcharge and may have one or more claims against the Airlines for compensation. The damages for which compensation can be sought include damages incurred as a result of the effects that the Cartel Conduct has had on the conduct and pricing policy of other airlines that were not a member of the cartel (“Umbrella Effects”).

e. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”).

f. Subsidiary has directly and/or indirectly purchased air freight services from one or more of the Airlines and other airlines during the Cartel Period and the Post-Cartel Period and have suffered economic and financial loss and damage as a result of the Overcharge and the Umbrella Effects (the “Losses”). The Airlines are jointly and severally liable for the Losses.

g. The Subsidiary has rights to recover compensation for the Losses (the “Rights”) against all or any of the Airlines which have partaken in the Cartel in breach of competition law. The Rights may differ including in respect of applicable law, their legal status and the applicable limitation periods.

h. In addition to the Rights, the Subsidiary enjoys all rights accessory to or otherwise necessary for the effective resolution and enforcement of the Rights, including the right to bring legal proceedings for damages in an appropriate jurisdiction against all or any of the Airlines, the right to settle or compromise the Rights in negotiation with all or any of the Airlines and the right to be paid damages, settlement monies, interest, costs and all other forms of compensation whatsoever which may be payable or recoverable in respect of the Rights (the “Accessory Rights”). The Rights and the Accessory Rights are hereinafter together referred to as the “Subsidiary’s Claims”.

i. Parent and Equilib have entered into an agreement, concluded on (…), which provides inter alia for Parent to sell and assign (cederen) claims of its own similar to the Subsidiary’s Claims (“the Parent’s Claims”) to Equilib; that same agreement contains the actual assignment of the Parent’s Claims to Equilib;

j. Subsidiary hereby wishes to agree to sell and assign the Subsidiary’s Claims to Parent and Parent hereby wishes to agree to subsequently sell and reassign (doorcederen) these claims to Equilib. Equilib wishes to agree to acquire these claims and accept the assignment thereof. (…)

k. Subsidiary, insofar as necessary, grants Equilib a mandate (“last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims.

l. This agreement is governed by Dutch law; for this reason Subsidiary as assignor and Parent as assignee will assign by separate deed the Subsidiary’s Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;

SUBSIDIARY, PARENT AND EQUILIB COVENANT AS FOLLOWS

1. Subsidiary and Parent agree that Subsidiary will sell and assign to Parent by

separate deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines.

2. Parent and Equilib agree that Parent will sell and reassign to Equilib by separate

deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines. (…)

4. Subsidiary, insofar as necessary, hereby mandates Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.”

2.15.

In het door Equilib overgelegde model “C1 - Assignment from Subsidiary to Parent oude considerans DEF” tussen de dochtermaatschappij en de moedermaatschappij staat vermeld, voor zover hier relevant:

“Dear [PARENT],

Pursuant to our agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], providing for the reassigning (doorcederen) of our claims (“the Claims”) by you to Equilib, we hereby assign (cederen) to you our Claims against certain airlines which are believed to include, but are not limited to KLM, Martinair, British Airways, Air France, Asiana, Cargolux, Cathay Pacific, El Al, Japan Air Lines, Korean Airlines, LAN Cargo, Aerolinhas Brasileiras, Nippon Cargo Airlines, Qantas, SAS and Lufthansa (“the Airlines”).

If you are required to notify the Airlines of this assignment you may do so by giving them a copy of this letter which summaries the background to the assignments as follows:

a. The European Commission is investigating alleged cartel behaviour by the Airlines believed to have occurred between 1ˢͭ January 2000 – 14ͭ ͪ Februari 2007 (“the Cartel Period”) which affected competition within the European Union.

b. The alleged cartel behaviour relates to air cargo services and the fixing of various so-called surcharges between competitors (“the Cartel Conduct”). If proven, this conduct would infringe Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union.

c. We have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which we hold the Airlines both individually and jointly and severally liable by means of the Claims.

d. We have assigned (gecedeerd) to you our Claims concerning the aforementioned damages.

e. Our agreement mentioned above is governed by Dutch law; for this reason the present assignment occurs in accordance with Dutch law.”

2.16.

In het door Equilib overgelegde model “C2 - Assignment from Subsidiary to Parent nieuwe considerans DEF” tussen de dochtermaatschappij en de moedermaatschappij staat vermeld, voor zover hier relevant:

“Dear Parent,

Pursuant to our agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], providing for the reassigning (doorcederen) of our claims (“the Claims”) by you to Equilib Netherlands B.V., we hereby assign (cederen) to you our Claims against certain airlines which are believed to include, but are not limited to Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines. (“the Airlines”).

If you are required to notify the Airlines of this assignment you may do so by giving them a copy of this letter which summaries the background to the assignments as follows:

a. The European Commission has completed its investigations into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding the Airlines guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”).

b. This conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused.

c. We have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which we hold the Airlines both individually and jointly and severally liable by means of the Claims.

d. We have assigned (gecedeerd) to you our Claims concerning the aforementioned damages.

e. Our agreement mentioned above is governed by Dutch law; for this reason the present assignment occurs in accordance with Dutch law.”

2.17.

In het door Equilib overgelegde model “C5 - Assignment from Subsidiary to Parent 2016-model DEF” tussen de dochtermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Subsidiary’) en de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) staat vermeld, voor zover hier relevant:

“WHEREAS

a. On [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], Subsidiary, Parent and Equilib Netherlands B.V. entered into an Intragroup Assignment and Mandate Agreement;

b. The aforementioned agreement inter alia provides for the sale and assignment of the Subsidiary’s Claims (as defined therein) by Subsidiary to Parent and the subsequent sale and reassignment (doorcederen) of the Subsidiary’s Claims by Parent to Equilib Netherlands B.V.

SUBSIDIARY HEREBY ASSIGNS TO PARENT AS FOLLOWS

1. Subsidiary hereby assigns (cederen) to Parent the Subsidiary’s Claims and Parent hereby accepts the assignment of the Subsidiary’s Claims.

2. The above agreement between Subsidiary, Parent and Equilib Netherlands B.V. is governed by Dutch law; for this reason this assignment is in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code (…)”.

2.18.

Het door Equilib overgelegde model “D1 - Assignment from Parent to Equilib oude considerans DEF” tussen de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Assignor’ en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS:

a. The European Commission is investigating alleged cartel behaviour by various airlines (“the Airlines”) believed to have occurred between 1ˢͭ January 2000 – 14ͭ ͪ February 2007 (“the Cartel Period”) which affected competition within the European Union. The above airlines are believed to include, but are not limited to KLM, Martinair, British Airways, Air France, Asiana, Cargolux, Cathay Pacific, El Al, Japan Air Lines, Korean Airlines, LAN Cargo, Aerolinhas Brasileiras, Nippon Cargo Airlines, Qantas, SAS and Lufthansa.

b. The alleged cartel behaviour relates to air cargo services and the fixing of various so-called surcharges between competitors (“the Cartel Conduct”). If proven, this conduct would infringe Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union.

c. The following subsidiaries: (…) have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which these subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable;

d. The above subsidiaries have assigned (gecedeerd) to Parent Company their claims to the aforementioned damages (“the Subsidiaries’Claims”);

e. Assignor and Assignee have entered into an agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], which provides for Assignor to reassign (doorcederen) the Subsidiaries’ Claims to Assignee;

f. The above agreement between Assignor and Assignee is governed by Dutch law; for this reason Assignor and Assignee will hereby assign the Subsidiaries’s Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;

ASSIGNOR HEREBY ASSIGNS TO ASSIGNEE AS FOLLOWS:

1. Assignor assigns to Assignee by this deed the Subsidiaries’ Claims against the Airlines.

2. Assignee has the right pursuant to Article 3:94 (i) Dutch Civil Code to notify the Airlines of this assignment.

3. Assignee has the right to provide the Airlines with a copy of this deed to evidence the assignment.”

2.19.

Het door Equilib overgelegde model “D2 - Assignment from Parent to Equilib nieuwe considerans DEF” tussen de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Assignor’ of ‘Parent Company’) en Equilib (in het model aangeduid als ‘Assignee’) luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS:

a. The European Commission has completed its investigations into a worldwide cartel (“the Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding the Airlines guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”).

b. This conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused.

c. The following subsidiaries: (…) have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo transportation services from one or more of the Airlines during the Cartel Period, and thus, as a result of the Cartel Conduct, have incurred damages, for which these subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable;

d. The above subsidiaries have assigned (gecedeerd) to Parent Company their claims to the aforementioned damages (“the Subsidiaries’ Claims”);

e. Assignor and Assignee have entered into an agreement, concluded on [DATE INTRAGROUP ASSIGNMENT & MANDATE AGREEMENT WAS SIGNED…..], which provides for Assignor to reassign (doorcederen) the Subsidiaries’ Claims to Assignee;

f. The above agreement between Assignor and Assignee is governed by Dutch law; for this reason Assignor and Assignee will hereby assign the Subsidiaries’ Claims in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;

ASSIGNOR HEREBY ASSIGNS TO ASSIGNEE AS FOLLOWS:

1. Assignor assigns to Assignee by this deed the Subsidiaries’ Claims against the Airlines.

2. Assignee has the right pursuant to Article 3:94 (i) Dutch Civil Code to notify the Airlines of this assignment.

3. Assignee has the right to provide the Airlines with a copy of this deed to evidence the assignment.”

2.20.

Het door Equilib overgelegde model “D5- Assignment from Parent to Equilib 2016-model DEF” tussen de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Assignor’ of ‘Parent’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS:

a. Parent, Equilib and the following subsidiaries of Parent: (…)

have entered into Intragroup Assignment and Mandate Agreements.

b. The aforementioned agreements (the “Agreements”) inter alia provide for the sale and assignment of the Subsidiary’s Claims (as defined therein) by the subsidiaries to Parent and the subsequent sale and reassignment (doorcederen) by Parent to Equilib of the Subsidiary’s Claims.

c. Pursuant to the Agreements the Subsidiaries have assigned their Subsidiary’s Claims to Parent and Parent hereby wishes to reassign (cederen) to Equilib the Subsidiary’s Claims.

PARENT HEREBY ASSIGNS TO EQUILIB AS FOLLOWS:

1. Parent assigns to Equilib by this deed the Subsidiary’s Claims against the Airlines and Equilib hereby accepts the assignment of the Subsidiary’s Claims.

2. Assignee has the right pursuant to Article 3:94 (1) Dutch Civil Code to notify the Airlines of this assignment.

3. Assignee has the right to provide the Airlines with a copy of this deed to evidence the assignment.

4. The Agreements are governed by Dutch law, for this reason this assignment is in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code (…)”.

2.21.

Het door Equilib overgelegde model “E1-Agreement supplementary assignment of rights - 99-06 AR - geen subsidiaries DEF” tussen de cedent (in het model aangeduid als ‘Company’) en Equilib luidt als volgt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS:

a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 Airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)

b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.

c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.

d. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Company has assigned claims to Equilib (the “Company’s Claims”).

e. The Company’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam in the Netherlands.

f. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). The Company has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Company holds the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from the Company vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Company Claims”.

g. The Company has agreed to reaffirm the previous assignment of the Company’s Claims and has also agreed to supplement this by assigning the Post-Cartel Company Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital d of this preamble;

h. The Company has agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code, granted by it to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Company’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Company Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;

(…)

THE COMPANY AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS

Reaffirmations

1. The Company reaffirms the assignment of the Company’s Claims to Equilib.

2. The Company reaffirms (…) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Company’s Claims.

Post-Cartel claims

Legal title

3. The Company agrees that it assigns the Post-Cartel Company Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights mentioned under recital d of the preamble to this Agreement.

Assignments

4. The Company hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims to Equilib.

Mandate and power of attorney

5. The Company hereby mandates Equilib pursuant to Articles 7:414 (…) Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Company’s Claims and the Post-Cartel Company Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.

Governing law and jurisdiction

6. This Agreement shall be construed in accordance with the law of the Netherlands.”

2.22.

Het door Equilib overgelegde model “E2-Agreement supplementary assignment of rights - 99-06 AR - met subsidiaries DEF” tussen de dochtermaatschappij(en) (in het model aangeduid als ‘Subsidiary/Subsidiaries’), de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS

a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)

b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.

c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.

d. Subsidiary/Subsidiaries has/have already assigned the Subsidiary’s Claims (as defined in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement, concluded on (…)) to Parent.
e. Pursuant to the Assignment from Parent to Equilib, concluded on (…), the Parent has (re)assigned the Subsidiary’s Claims to Equilib.

f. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Parent has assigned its own claims similar to the Subsidiary’s Claims to Equilib (the “Parent’s Claims”).

g. The Subsidiary’s Claims and the Parent’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam, the Netherlands.

h. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). Parent and Subsidiary/Subsidiaries have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Parent and the Subsidiary/Subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from Parent vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Parent’s Claims”. Any Post-Cartel Period claims from Subsidiary/Subsidiaries vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post Cartel Subsidiary’s Claims”.

i. Subsidiary/Subsidiaries and Parent have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent and have also agreed to supplement this assignment of the Subsidiary’s Claims with the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of this preamble.

j. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous reassignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this reassignment of the Subsidiary’s Claims with the reassignment of Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of this preamble;

k. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this assignment of the Parent’s Claims with the assignment of het Post-Cartel Parent’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital f of this preamble;

l. Subsidiary/Subsidiaries has/have agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;

m. This agreement (the “Agreement”) is governed by Dutch law; for this reason all assignments laid down in this Agreement are in accordance with Dutch law, more specifically in accordance with Article 3:94 (1) Dutch Civil Code;

SUBSIDIARY/SUBSIDIARIES, PARENT AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS

Reaffirmations

1. Subsidiary/Subsidiaries and Parent reaffirm the assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent.

2. Parent and Equilib reaffirm the reassignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib.

3. Parent and Equilib reaffirm the assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib.

4. Subsidiary/Subsidiaries reaffirm(s) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims

Post-Cartel claims

Legal title

5. Subsidiary/Subsidiaries and Parent agree that Subsidiary/Subsidiaries assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Parent, on the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of the preamble to this Agreement;

6. Parent and Equilib agree that Parent reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of the preamble to this Agreement.

7. Parent and Equilib agree that Parent assigns the Post-Cartel Parent’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement mentioned under recital f of the preamble to this Agreement.

(Re)assignments

8. Subsidiary/Subsidiaries hereby assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Parent.

9. Parent acknowledges the assignment of the Post Cartel Subsidiary’s Claims under Article 8 and hereby reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Equilib.

10. Parent hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims to Equilib.

Mandate and power of attorney

11. Subsidiary/Subsidiaries and Parent hereby mandate Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the Post-Cartel Parent’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.

Governing law and jurisdiction

12. This Agreement shall be construed in accordance with the law of the Netherlands.”

2.23.

Het door Equilib overgelegde model “E3-Agreement supplementary assignment of rights - 00-07 AR - geen subsidiaries DEF” tussen de cedent (in het model aangeduid als ‘Company’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS:

a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (the “Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (the “Cartel Conduct”). (…)

b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.

c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.

d. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Company has assigned claims to Equilib for damages suffered in de period 2000-2007 as a result of the participation by the Airlines in the Cartel (the “Company’s Claims”).

e. The Company’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam in the Netherlands.

f. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). The Company has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Company holds the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from the Company vis-à-vis the Airlines in 2008 are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Company Claims”.

g. The Company has agreed to reaffirm the previous assignment of the Company’s Claims and has also agreed to supplement this by assigning the Post-Cartel Company Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital d of this preamble;

h. The Company has also agreed to supplement the previous assignment of the Company’s Claims by assigning claims arising out of air cargo services it has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Company Claims”);

i. The Company also provides a mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code to Equilib to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Company’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Company Claims and the December 1999 Company Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;

(…)

THE COMPANY AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS

Reaffirmation

1. The Company reaffirms the assignment of the Company’s Claims to Equilib.

Post-Cartel Company And December 1999 Claims

Legal title

2. The Company agrees that it assigns the Post-Cartel Company Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights mentioned under recital d of the preamble to this Agreement.

3. The Company agrees that it assigns the December 1999 Company Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights mentioned under recital d of the preamble to this Agreement.

Assignments

4. The Company hereby assigns the Post-Cartel Company Claims to Equilib.

5. The Company hereby assigns the December 1999 Claims to Equilib.

Mandate

1. The Company hereby mandates Equilib pursuant to Article 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Company Claims and the December 1999 Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.

Governing law and jurisdiction

2. This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands.”

2.24.

Het door Equilib overgelegde model “E4 - Agreement supplementary assignment of rights - 00-07 AR - met subsidiaries DEF” tussen de dochtermaatschappij(en) (in het model aangeduid als ‘Subsidiary/Subsidiaries’), de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en Equilib luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS:

a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (“the Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)

b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.

c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.

d. Subsidiary/Subsidiaries has/have already assigned the Subsidiary’s Claims (as defined in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement, concluded on (…)) to Parent for damages suffered in the period 2000-2007 as a result of the participation by the Airlines in the Cartel.

e. Pursuant to the Assignment from Parent to Equilib, concluded on (…), the Parent has (re)assigned the Subsidiary’s Claims to Equilib.

f. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Parent has assigned its own claims similar to the Subsidiary’s Claims to Equilib (the “Parent’s Claims”).
g. The Subsidiary’s Claims and the Parent’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam, the Netherlands.

h. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). Parent and Subsidiary/Subsidiaries have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Parent and Subsidiary/Subsidiaries hold the Airlines both individually, and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from Parent vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Parent’s Claims”. Any Post-Cartel Period claims from Subsidiary/Subsidiaries vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post Cartel Subsidiary’s Claims”.

i. Subsidiary/Subsidiaries and Parent have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent and have also agreed to supplement this assignment of the Subsidiary’s Claims with the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement as mentioned under recital d of this preamble.

j. The Subsidiary/Subsidiaries has/have also agreed to supplement the previous assignment of the Subsidiary’s Claims by assigning to the Parent claims arising out of air cargo services directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 by the Subsidiary/Subsidiaries on inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Subsidiary Claims”);

k. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this with the reassignment of the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of this preamble;

l. The Parent and Equilib have also agreed to reaffirm the previous assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib and to supplement the previous assignment of the Parent’s Claims with the assignment of het Post-Cartel Parent’s Claims and the claims arising out of air cargo services it has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Parent Claims”), taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital f of this preamble;

m. Subsidiary/Subsidiaries has/have agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings; (…)

SUBSIDIARY’/SUBSIDIARIES, PARENT AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS

Reaffirmations

1. Subsidiary/Subsidiaries and Parent reaffirm the assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent.

2. Parent and Equilib reaffirm the reassignment of the Subsidiary’s Claims from Parent to Equilib.

3. Parent and Equilib reaffirm the assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib.

4. Subsidiary/Subsidiaries reaffirm(s) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims.

Post-Cartel And December 1999 Claims

Legal title

5. Subsidiary/Subsidiaries and Parent agree that Subsidiary/Subsidiaries assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Parent, on the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of the preamble to this Agreement;

6. Parent and Equilib agree that Parent reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of the preamble to this Agreement.

7. Parent and Equilib agree that Parent assigns the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement mentioned under recital f of the preamble to this Agreement.

(Re)assignments

8. Subsidiary/Subsidiaries hereby assign(s) the Post-Cartel Subsidiary Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Parent.

9. Parent acknowledges the assignment of the Post Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims and hereby reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib.

10. Parent hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent Claims to Equilib.

Mandate

11. Subsidiary/Subsidiaries and Parent hereby mandate Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary Claims, the December 1999 Subsidiary Claims, the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.

Governing law and jurisdiction

12. This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands. (…)”.

2.25.

Het door Equilib overgelegde model “E5 - Agreement supplementary assignment of rights - 00-07 AR - subsidiaries met 99-06 DEF” tussen de dochtermaatschappij(en) (in het model aangeduid als ‘Subsidiary/Subsidiaries’), de moedermaatschappij (in het model aangeduid als ‘Parent’) en Equilib luidt als volgt:

“WHEREAS:

a. On 9 November 2010 the European Commission announced that it had rendered a decision that day (the “Decision”) in respect of a cartel (the “Cartel”) affecting air cargo services within the European Economic Area between December 1999 and the 14ͭ ͪ February 2006 (“the Cartel Period”) finding 14 airlines (the “Airlines”) guilty of illegal fixing of fuel and security surcharges (“the Cartel Conduct”). (…)

b. The Airlines include Air Canada, Air France, British Airways, Cargolux, Cathay Pacific Airways, Japan Airlines, KLM Airlines, LAN Chile, Lufthansa, Martinair, Qantas, SAS, Singapore Airlines and Swiss International Air Lines.

c. The Cartel Conduct infringes Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the Functioning of the European Union and entitles companies affected to claim damages for the harm caused by it.

d. Subsidiary/Subsidiaries has/have already assigned the Subsidiary’s Claims (as defined in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement, concluded on (…)) to Parent.

e. Pursuant to the Assignment from Parent to Equilib, concluded on (…), the Parent has (re)assigned the Subsidiary’s Claims to Equilib, with the exception of claims for damages arising out of air cargo services directly of indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 by the Subsidiary/Subsidiaries on inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Subsidiary Claims”).

f. Pursuant to the Assignment of Rights Agreement, concluded on (…), the Parent has assigned its own claims for damages arising out of air cargo services directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in the period 2000-2007 by the Parent on inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (the “Parent’s Claims”).

g. The Subsidiary’s Claims with the exception of the December 1999 Subsidiary Claims and the Parent’s Claims form part of proceedings between Equilib and several members of the Cartel before the District Court of Amsterdam, the Netherlands.

h. Recent (preliminary) studies offer strong indications that the Cartel Conduct has caused further damage after the Cartel Period, through lingering effects in respect of the surcharges from 15 February 2006 to the end of 2008 (the “Post-Cartel Period”). Parent and Subsidiary/Subsidiaries have directly or indirectly (through freight forwarders) purchased air cargo services in the Post-Cartel Period (for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA), and thus, as a result of the lingering effects of the Cartel Conduct, may have incurred further damages, for which the Parent and the Subsidiary/Subsidiaries hold the Airlines both individually and jointly and severally liable. Any Post-Cartel Period claims from Parent vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post-Cartel Parent’s Claims”. Any Post-Cartel Period claims from Subsidiary’s/Subsidiaries vis-à-vis the Airlines are hereinafter referred to as the “Post Cartel Subsidiary’s Claims”.

i. Subsidiary/Subsidiaries and Parent have agreed to reaffirm the previous assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent and have also agreed to supplement this by assigning the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of this preamble;

j. Parent and Equilib have agreed to reaffirm the previous reassignment of the Subsidiary’s Claims with the exception of the December 1999 Subsidiary Claims from Parent to Equilib and have also agreed to supplement this with the reassignment of the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims, taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of this preamble;

k. The Parent and Equilib have also agreed to reaffirm the previous assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib and to supplement the previous assignment of the Parent’s Claims with the assignment of het Post-Cartel Parent’s Claims (to the extent not already assigned) and the claims arising out of air cargo services it has directly or indirectly (through freight forwarders) purchased in December 1999 for inbound to, outbound from and internal flights within the EEA and Switzerland (“December 1999 Parent Claims”), taking into account the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement as mentioned under recital f of this preamble;

l. Subsidiary/Subsidiaries has/have agreed to reaffirm the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims and to supplement this mandate with the mandate to Equilib to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary’s Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings;

(…)

SUBSIDIARY/SUBSIDIARIES, PARENT AND EQUILIB AGREE AS FOLLOWS

Reaffirmations

1. Subsidiary/Subsidiaries and Parent reaffirm the assignment of the Subsidiary’s Claims from Subsidiary/Subsidiaries to Parent.

2. Parent and Equilib reaffirm the reassignment of the Subsidiary’s Claims with the exception of the December 1999 Subsidiary Claims from Parent to Equilib.

3. Parent and Equilib reaffirm the assignment of the Parent’s Claims from Parent to Equilib.

4. Subsidiary/Subsidiaries reaffirm(s) (…) the mandate (“Last”) under Articles 7:414 Dutch Civil Code, granted by Subsidiary/Subsidiaries to Equilib, to do all that is deemed legally necessary or desirable to find compensation for the Subsidiary’s Claims

Post-Cartel and December 1999 Claims

Legal title

5. Subsidiary/Subsidiaries and Parent agree that Subsidiary/Subsidiaries assign(s) the Post-Cartel Subsidiary’s Claims to Parent, on the same terms and conditions as set out in the Intragroup Assignment And Mandate Agreement mentioned under recital d of the preamble to this Agreement;

6. Parent and Equilib agree that Parent reassigns the Post-Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment from Parent to Equilib mentioned under recital e of the preamble to this Agreement.

7. Parent and Equilib agree that Parent assigns the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent’s Claims to Equilib, on the same terms and conditions as set out in the Assignment of Rights Agreement mentioned under recital f of the preamble to this Agreement.

(Re)assignments

8. Subsidiary/Subsidiaries hereby assign(s) the Post-Cartel Subsidiary Claims to Parent.

9. Parent acknowledges the assignment of the Post Cartel Subsidiary’s Claims and hereby reassigns the Post Cartel Subsidiary’s Claims and the December 1999 Subsidiary Claims to Equilib.

10. Parent hereby assigns the Post-Cartel Parent’s Claims (to the extent not already assigned) and the December 1999 Parent Claims to Equilib.

Mandate and power of attorney

11. Subsidiary/Subsidiaries and Parent hereby mandate Equilib pursuant to Articles 7:414 Dutch Civil Code to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Post-Cartel Subsidiary Claims, the Post-Cartel Parent’s Claims and the December 1999 Parent Claims, including, but not limited to, interrupting the applicable limitation period and the filing of proceedings.

Governing law and jurisdiction

12. This Agreement shall be construed in accordance with and governed by the law of the Netherlands. (…)”.

2.26.

Verder heeft Equilib documentatie (‘Annexen’ of ‘Proof of Authority’ (PoA)) in het geding gebracht ter onderbouwing van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de personen die de cessiedocumentatie namens de cedenten hebben ondertekend (hierna ook: de bevoegdheidsdocumentatie).

2.27.

De op 30 september 2016 door A. Casanova (CEO) en C. Figueiredo (General Counsel & Company Secretary) namens cedent Unilever Jerónimo Martins LDA ondertekende ‘Annex’ luidt bijvoorbeeld als volgt:

“(…) Statement

The undersigned hereby confirm(s) that Unilever Jerónimo Martins LDA has been bound by the agreement(s) and assignment(s) listed under “Agreement(s) and Assignment(s)” from the date of their execution as set out therein and Unilever Jerónimo Martins LDA wishes to remain bound by these agreement(s) and assignment(s).

Agreement(s) and Assignment(s)

- Supplementary assignment of rights agreement between Equilib, Unilever PLC/Unilever N.V. and Unilever Jerónimo Martins LDA.

- Assignment from subsidiary to parent between Unilever PLC/Unilever N.V. and Unilever Jerónimo Martins LDA.

- Intragroup assignment and mandate agreement between Equilib, Unilever PLC/Unilever N.V. and Unilever Jerónimo Martins LDA.”

3 Procedure in eerste aanleg

3.1.

Equilib vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:

(i) een verklaring voor recht dat de luchtvaartmaatschappijen door deelname aan het kartel naar het van toepassing zijnde recht aansprakelijk zijn uit hoofde van toerekenbaar onrechtmatig handelen jegens de 670 shippers vermeld in productie 3 bij de akte van 9 november 2016, en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die deze shippers door dat onrechtmatig handelen hebben geleden;

(ii) hoofdelijke veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen tot betaling aan Equilib van die schade, nader op te maken bij staat.

3.2.

Tijdens een regiecomparitie van 22 juni 2016 heeft de rechtbank, kennelijk mede gelet op de nog aanhangige procedure voor het HvJEU, onder meer bepaald dat de rechtsgeldigheid van de cessies in het stadium waarin de procedure op dat moment verkeerde, zou worden beoordeeld aan de hand van het cessiestatuut en dat het vorderingsstatuut vooralsnog buiten beschouwing zou worden gelaten. Met het cessiestatuut is bedoeld het recht dat van toepassing is op de tot cessie verplichtende overeenkomst. Met partijen zijn vervolgens procesafspraken gemaakt die daarmee in overeenstemming zijn en die er, kort gezegd, op neerkomen dat een ‘meersporenbeleid’ wordt gevolgd. Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting is Equilib in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de vorderingen rechtsgeldig aan haar zijn gecedeerd. Equilib heeft vervolgens bij akte van 9 november 2016 naar eigen zeggen een ‘totaalpakket’ van alle relevante cessiedocumentatie overgelegd, met daarbij gevoegd als productie 3 een overzicht van alle cedenten waarvan zij de vordering in deze procedure geldend wil maken. De luchtvaartmaatschappijen hebben vervolgens bij akte van 8 februari 2017 hun bezwaren op het punt van de rechtsgeldigheid van de cessies uiteengezet. Equilib heeft op 5 april 2017 een antwoordakte genomen.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de cessies van de in productie 3 bij akte van 9 november 2016 van Equilib vermelde shippers als cedenten, met uitzondering van Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V., aan Equilib als cessionaris naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn. Bij vonnis van 22 november 2017 heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld.

3.4.

Bij vonnis van 1 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:3393) heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Nederlands recht van toepassing is op de (aan Equilib gecedeerde) vorderingen van de shippers tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het kartel. De luchtvaartmaatschappijen hebben inmiddels gebruik gemaakt van de (door de rechtbank opengestelde) mogelijkheid om tussentijds hoger beroep van dit vonnis in te stellen. Op 18 februari 2020 is in dat hoger beroep, aanhangig onder zaaknummer 200.266.816/01, de memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, genomen.

3.5.

Na het voornemen daartoe bij vonnis van 1 mei 2019, (ECLI:NL:RBAMS:2019:3394) te hebben aangekondigd, heeft de rechtbank, onder meer in de onderhavige procedure, bij vonnis van 18 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9966) aan het HvJEU een prejudiciële vraag gesteld over haar bevoegdheid om in een civiele procedure tussen private partijen vast te stellen dat sprake is van een inbreuk op de Europese mededingingsregels, met name een inbreuk op het verbod van artikel 101 VWEU, en schadevergoeding toe te kennen aan benadeelde partijen wegens inbreuk op dit verbod, voor vluchten die plaatsvonden vóór 1 mei 2004 respectievelijk 19 mei 2005, in de periode dat het overgangsregime van de artikelen 104 en 105 VWEU gold voor deze vluchten. Ten tijde van het wijzen van dit arrest heeft het HvJEU deze vraag nog niet beantwoord.

3.6.

Bij vonnis van 11 september 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:9965) heeft de rechtbank Equilib in de gelegenheid gesteld de (door de shippers aan haar gecedeerde) vorderingen nader met stukken te onderbouwen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de stelplicht van Equilib zich tevens uitstrekt tot de door haar gestelde en aan haar vorderingen ten grondslag liggende upstream pass on (de stelling dat de freight forwarders de toeslagen (volledig) aan de shippers hebben doorberekend). De rechtbank heeft Equilib en de luchtvaartmaatschappijen in de gelegenheid gesteld daartoe achtereenvolgens een akte te nemen.

4 Beoordeling in principaal en incidenteel appel

Omvang hoger beroep; toelaatbaarheid eiswijziging Equilib

4.1.

Het principaal hoger beroep van de luchtvaartmaatschappijen is gericht tegen de onder 3.3 samengevat weergegeven beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het incidenteel hoger beroep van Equilib richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de cessies van Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V. uit te zonderen van de gegeven verklaring voor recht. Laatstgenoemde twee cessies worden – anders dan de cessies die in het principaal appel aan de orde zijn – beheerst door Frans recht en zullen hierna de Fransrechtelijke cessies worden genoemd. De rechtbank heeft geoordeeld dat, kort gezegd, Equilib haar eis bij akte van 9 november 2016 heeft vermeerderd met de Fransrechtelijke cessies en heeft die eiswijziging niet toegestaan wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Equilib vanaf het begin van de procedure, in 2010, had gesteld dat alle vorderingen door Nederlandsrechtelijke cessies aan haar waren gecedeerd en zij tot 9 november 2016 ook slechts mededeling had gedaan van de Nederlandsrechtelijke cessies, terwijl de rechtsgeldigheid van de cessies sinds in ieder geval begin 2015 een van de belangrijkste onderwerpen van het debat in de procedure is geweest.

4.2.

In incidenteel appel vordert Equilib dat het hof alsnog voor recht verklaart dat de Fransrechtelijke cessies “naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn”. Daarmee wijzigt Equilib haar eis in hoger beroep, omdat zij in eerste aanleg niet enige verklaring voor recht omtrent de geldigheid van de cessies heeft gevorderd. De luchtvaartmaatschappijen maken tegen deze eiswijziging bezwaar en voeren daartoe het volgende aan. Equilib heeft vanaf het begin van de procedures in eerste aanleg uitsluitend cessies naar Nederlands recht ten grondslag gelegd aan haar vorderingen. Pas tijdens de regiezitting van 22 juni 2016 kwamen voor het eerst de door Equilib gestelde cessies naar Frans recht ter sprake. De rechtbank vroeg Equilib toen naar de achtergrond en betekenis van die cessies. Namens Equilib is vervolgens ter zitting verklaard dat geen beroep zou worden gedaan op die cessies. In het proces-verbaal van de regiezitting van 22 juni 2016 staat in overeenstemming daarmee vermeld: “Equilib deed ter zitting afstand van haar recht zich op cessiedocumentatie te beroepen waarop volgens het cessiestatuut Frans recht van toepassing is”, aldus de luchtvaartmaatschappijen.

4.3.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de eiswijziging in hoger beroep stelt het hof voorop dat de vorderingen van Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V. reeds in een vroeg stadium van de procedure onderdeel van het debat tussen partijen zijn geworden: cessies van deze partijen staan reeds vermeld op annex I-V2 bij de akte houdende verandering en vermeerdering van eis van 13 april 2011. Aan de luchtvaartmaatschappijen moet echter worden toegegeven dat Equilib zich aanvankelijk in eerste aanleg uitsluitend heeft beroepen op cessies naar Nederlands recht, dat zij voor het eerst op de regiezitting van 22 juni 2016 cessies naar Frans recht ter sprake heeft gebracht, en eerst bij akte van 9 november 2016 heeft gesteld dat deze twee cedenten hun vorderingen naar Frans recht geldig aan Equilib hebben gecedeerd, terwijl zij zich eerst op cessies naar Nederlands recht van deze cedenten had beroepen. Equilib heeft aldus in de loop van de eerste aanleg niet haar eis vermeerderd doch slechts de grondslag van haar eis gewijzigd. Zij heeft die wijziging ook toegelicht. Aanvankelijk werd beoogd om in Frankrijk te procederen en om die reden zijn in de beginfase alle cessieovereenkomsten naar Frans recht opgesteld, voor in totaal 49 shippers. Toen duidelijk was geworden dat deze procedure in Nederland zou worden gevoerd, zijn alle cessieovereenkomsten naar Frans recht vervangen door Nederlandsrechtelijke cessieovereenkomsten. Later is gebleken dat deze vervanging voor Lachiaille-Bratigny S.A.S. en Oudendijk Import B.V. – anders dan voor de overige shippers – zonder effect zou blijven omdat van hun cessies naar Frans recht reeds mededeling was gedaan aan de luchtvaartmaatschappijen. Mede bezien tegen deze achtergrond en gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep is de eiswijziging thans niet in strijd met de goede procesorde. De luchtvaartmaatschappijen worden niet onredelijk in hun verdediging benadeeld door het (relatief) late tijdstip waarop Equilib zich op cessies naar Frans recht heeft beroepen. Hierbij is van belang dat het slechts twee cessies betreft en dat de daarop betrekking hebbende cessiedocumentatie, behoudens de rechts- en forumkeuze, gelijkluidend is aan de documentatie die reeds in een vroeg stadium in het geding is gebracht.

4.4.

Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, kan niet worden vastgesteld dat Equilib tijdens de regiezitting op 22 juni 2016 afstand heeft gedaan van haar recht zich op cessies naar Frans recht te beroepen. Weliswaar is een passage van die strekking uiteindelijk in het proces-verbaal van de zitting terecht gekomen en levert dit ingevolge artikel 157 Rv dwingend bewijs op van de gestelde afstand van recht, maar daaraan kan in dit geval geen beslissende betekenis worden gehecht, mede gelet op de wijze van totstandkoming van het proces-verbaal. Daaromtrent is – als door Equilib gesteld en door de luchtvaartmaatschappijen niet bestreden – het volgende komen vast te staan. De rechtbank heeft partijen een concept voor het proces-verbaal toegezonden waarin de passage in kwestie niet voorkwam. De rechtbank had toen de uitlatingen van Equilib dus kennelijk niet opgevat als afstand van recht. De luchtvaartmaatschappijen hebben de passage vervolgens aan het concept toegevoegd, waarna Equilib de passage heeft geschrapt. Daarna hebben de luchtvaartmaatschappijen de passage opnieuw toegevoegd, terwijl zij wisten dat Equilib daarmee niet instemde. Het hof acht voldoende aannemelijk, mede gelet op de toelichting door Equilib, dat de passage vervolgens niet meer is opgemerkt door Equilib, ook al was deze wel gemarkeerd in de tekst. Haar goedkeuring van de definitieve versie van het proces-verbaal kan niet worden geacht mede op de bewuste passage betrekking te hebben en de luchtvaartmaatschappijen mochten dat ook niet zo begrijpen nu de luchtvaartmaatschappijen er reeds mee bekend waren dat Equilib de afstand van recht betwistte en zij onvoldoende reden hadden om aan te nemen dat Equilib van standpunt was veranderd. Van belang is voorts dat het weinig aannemelijk is, gelet op de (mede uit het proces-verbaal blijkende) context waarin de Fransrechtelijke cessies ter zitting zijn besproken, dat Equilib op zitting haar recht heeft prijsgegeven om zich op die cessies te beroepen en dat de rechtbank in haar vonnis ook in het midden heeft gelaten of Equilib dat heeft gedaan en daarbij het beroep van de luchtvaartmaatschappijen op de bewuste passage in het proces-verbaal niet heeft gehonoreerd.

4.5.

De eiswijziging in hoger beroep wordt dus toegestaan. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis van Equilib.

Uitgangspunten bij de beoordeling in hoger beroep

4.6.

Uit het onder 3 sterk verkort weergegeven overzicht van de procedure in eerste aanleg blijkt dat het in deze procedure gaat om een complex geschil waarin tal van feitelijke en rechtsvragen spelen die op elkaar ingrijpen. De thans voorliggende vragen betreffen maar een klein deel van de onderwerpen die partijen verdeeld houden. Voorts hebben de regie-beslissingen van de rechtbank ingrijpende gevolgen voor de inrichting van het partijdebat.

4.7.

Equilib maakt in deze procedure vorderingen tot schadevergoeding geldend die zij stelt door cessie (al dan niet indirect) te hebben verkregen van 670 shippers. De luchtvaartmaatschappijen hebben de rechtsgeldigheid van de cessies betwist en gesteld dat het op de weg van Equilib ligt de rechtsgeldigheid van alle cessies in alle (door hen aan de orde gestelde) opzichten te bewijzen.

Het hof stelt voorop dat de luchtvaartmaatschappijen geen rechtens te respecteren belang hebben bij een debat over de vraag of de cessies jegens anderen dan henzelf rechtsgeldig zijn. Aan de orde kan slechts zijn – zoals het hof op de zitting van 5 juni 2019 met partijen heeft besproken – de vraag of de cessies jegens hen werking hebben, dat wil zeggen, of zij de cessies tegen zich moeten laten gelden. Equilib heeft evenmin belang bij een (in deze procedure te voeren) debat over de vraag of de cessies jegens anderen dan de luchtvaartmaatschappijen rechtsgeldig zijn. Bij de door haar in incidenteel appel gevorderde verklaring voor recht dat de Fransrechtelijke cessies rechtsgeldig zijn, heeft zij dan ook in zoverre geen belang. Het hof begrijpt tegen deze achtergrond dat Equilib in incidenteel appel vastgesteld wil zien of de luchtvaartmaatschappijen de Fransrechtelijke cessies tegen zich moeten laten gelden.

Voor zover de cessies voor 17 december 2009 hebben plaatsgevonden, is daarop artikel 12 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (hierna: EVO) toepasselijk. Voor zover de cessies na die datum hebben plaatsgevonden, is daarop artikel 14 van Verordening (EG) 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) van toepassing. Uit artikel 12 lid 2 EVO en artikel 14 lid 2 Rome I volgt dat voor de (definitieve) beantwoording van de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden, onder meer moet worden vastgesteld welk recht op die vorderingen van toepassing is. Het recht dat op de gepretendeerde kartelschadevorderingen van toepassing is, bepaalt immers de betrekkingen tussen cessionaris en schuldenaar alsmede de voorwaarden waaronder de cessie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd (vgl. ook artikel 10:135 lid 3 BW).

4.8.

Partijen twisten over de vraag welk recht op de gepretendeerde kartelschadevorderingen van toepassing is; de rechtbank heeft geoordeeld dat de litigieuze vorderingen alle worden beheerst door Nederlands recht (zie 3.4).

Bij die stand van zaken gaat het hof in het navolgende, veronderstellenderwijs, ervan uit dat op de (beweerdelijk) aan Equilib overgedragen kartelschadevorderingen Nederlands recht van toepassing is. Deze aanname heeft gevolgen voor de beslissing in het thans voorliggende geschil. In dit stadium wordt bijvoorbeeld ervan uitgegaan dat de vorderingen overdraagbaar zijn.

4.9.

Artikel 14 lid 1 Rome I, gelezen in samenhang met de preambule onder 38 en artikel 27 lid 2 van die verordening, heeft geen betrekking op het goederenrechtelijke regime in de rechtsverhouding tussen de cessionaris en de schuldenaar, zodat die vraag aan de hand van het nationale recht moet worden beantwoord. Ingevolge artikel 10:135 lid 2 BW moet volgens het recht dat van toepassing is op de overeenkomst die tot cessie verplicht, worden bepaald welke vereisten gelden voor een overdracht die ertoe leidt dat de vordering van het vermogen van de cedent naar het vermogen van de cessionaris gaat.

Over het recht dat van toepassing is op de overeenkomsten die tot cessie verplichten, bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomsten tot cessie waarop het principaal appel ziet worden beheerst door Nederlands recht en dat de twee overeenkomsten waarop het incidenteel appel ziet worden beheerst door Frans recht.

Rechtsverhouding tussen cessionaris en schuldenaar; stelplicht en bewijslast

4.10.

Equilib stelt dat de shippers hun vorderingen jegens de luchtvaartmaatschappijen rechtstreeks of na een interne cessie binnen de groep aan haar hebben overgedragen. Op de verschillende overeenkomsten die verplichten tot cessie is Nederlands recht van toepassing behalve op de Fransrechtelijke cessies, die door Frans recht worden beheerst. De luchtvaartmaatschappijen bestrijden de rechtsgeldigheid van de cessies langs verschillende invalshoeken. Wat betreft de rechtsverhouding tussen de cessionaris en de schuldenaar en stelplicht en bewijslast dienaangaande stelt het hof het volgende voorop.

4.10.1.

Voor zover de cessieovereenkomst door Nederlands recht wordt beheerst, vereist de overdracht van de kartelschadevorderingen jegens de luchtvaartmaatschappijen door de shippers aan Equilib een daartoe bestemde akte. In de akte dient de te leveren vordering in voldoende mate te zijn bepaald. Daartoe is het voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan, aangevuld met objectieve gegevens uit de administratie van de cedent, kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. De omstandigheid dat de akte niet de precieze (deel)vorderingen vermeldt doch enkel tot welk bedrag de vorderingen zijn gecedeerd, behoeft aan voldoende bepaaldheid niet in de weg te staan (HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2530, NJ 1998/690 (Zuidgeest/Furness)).

4.10.2.

Voorts dient de akte van cessie in geval van een openbare cessie door de cedent of cessionaris aan de schuldenaar te worden meegedeeld. Deze mededeling kan ook vóór de totstandkoming van de akte van cessie worden gedaan (Parl. Gesch. Boek 3, p. 398). De mededeling behoeft niet nauwkeurig de inhoud van de akte weer te geven, maar de schuldenaar aan wie de mededeling wordt gedaan – in dit geval de luchtvaartmaatschappijen – kan wel verlangen dat hem een uittreksel van de akte en titel ter hand wordt gesteld (artikel 3:94 lid 4 BW). De vraag of de schuldenaar aanspraak kan maken op meer stukken, is door de minister ontkennend beantwoord (Parl. Gesch. Boek 3, p. 396):

‘Verder dan tot afgifte van een uittreksel strekt de verplichting jegens de hier bedoelde persoon of personen [in dit geval de schuldenaar – hof] dus niet, al zal uiteraard ook wanneer een volledig afschrift wordt afgegeven, aan die verplichting voldaan zijn. (…) Het mag (…) niet in de macht van deze derde staan om – wellicht tegen de wens van de vervreemder en verkrijger beiden – de overgang van het recht op een bepaald moment te bewerkstelligen.’

Dat de schuldenaar in beginsel niet op meer stukken recht heeft, volgt ook uit de tweede en derde volzin van artikel 3:94 lid 4 BW: bedingen die voor de schuldenaar van geen belang zijn, behoeven in het afschrift niet te worden opgenomen. Is van een titel geen akte opgemaakt, dan moet de inhoud voor zover voor [de schuldenaar] van belang, schriftelijk worden meegedeeld.

4.10.3.

In de verhouding tussen de cessionaris (Equilib) en de schuldenaar (de luchtvaartmaatschappijen) is niet zonder meer beslissend of de overdracht van een vordering geldig is geschied. Ook als aan die overdracht gebreken kleven, komt het in de verhouding tussen cessionaris en schuldenaar erop aan of de schuldenaar de overdracht tegen zich moet laten werken. Consequentie van hetgeen hiervoor werd overwogen over het Nederlandse recht, is dat de schuldenaar op zijn beurt in beginsel mag afgaan op de mededeling, het uittreksel van de akte en de titel. Betaalt hij vervolgens aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, dan kan de schuldenaar aan degene aan wie moest worden betaald, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij in het licht van de mededeling, het uittreksel van de akte en de titel op redelijke gronden heeft aangenomen dat aan die ontvanger moest worden betaald (artikel 6:34 lid 1 BW). Als hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden, kan hij een beroep doen op een opschortingsrecht (artikel 6:37 BW).

4.10.4.

Het hof onderkent dat aan dit stelsel consequenties verbonden kunnen zijn die de schuldenaar onder omstandigheden als bezwaarlijk kan ervaren. Zo kan hij zich gedwongen zien om zich, nadat hij bevrijdend aan de pseudo-cessionaris heeft betaald, jegens de werkelijke schuldeiser te beroepen op een derdenbeschermende bepaling. Deze mogelijkheid vloeit echter voort uit de keuze van de wetgever. Die keuze brengt tegelijk mee dat op de schuldenaar in beginsel geen zware onderzoeksplicht met betrekking tot de geldigheid van de cessie rust.

4.10.5.

Stelplicht en bewijslast dat de luchtvaartmaatschappijen de cessie jegens zich moeten laten werken, rusten op Equilib. Equilib heeft, nog steeds uitgaande van het Nederlands recht als het recht dat zowel de kartelschadevordering als de overeenkomst die verplicht tot de cessie beheerst, in beginsel aan haar stelplicht voldaan indien de akte op de voet van artikel 3:94 lid 1 BW aan de luchtvaartmaatschappijen is meegedeeld en een uittreksel van de akte en titel aan hen is overgelegd (vgl. artikel 3:94 lid 4 BW).

Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen om in het kader van de onderbouwing van hun verweer te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessie op redelijke gronden moet worden betwijfeld. Gelet op de informatie waarop zij als schuldenaren ingevolge artikel 3:94 lid 1 en 4 BW recht hebben, het feit dat artikel 3:94 lid 4 BW beperkingen stelt aan de documenten waarop zij als schuldenaren aanspraak kunnen maken en de hiervoor besproken bescherming van de luchtvaartmaatschappijen als, ten opzichte van de cessie-overeenkomst, derden, is ter onderbouwing van bedoelde twijfel onvoldoende het enkele feit dat zij niet beschikken over alle informatie aan de hand waarvan de geldigheid van de overdracht in de verhouding tussen cedent en cessionaris kan worden vastgesteld. Die eventuele ongeldigheid raakt hen immers niet, althans niet zonder meer.

Cessie-overeenkomsten naar Frans recht

4.11.

Indachtig het uitgangspunt dat de kartelschadevorderingen door Nederlands recht worden beheerst, dient de vraag of de luchtvaartmaatschappijen door betaling aan Equilib kunnen worden bevrijd ingevolge artikel 12 lid 2 EVO dan wel artikel 14 lid 2 Rome I (vgl. ook artikel 10:135 lid 3 BW) steeds aan de hand van het Nederlandse recht te worden beantwoord. Dit geldt ook ten aanzien van de kartelschadevorderingen met betrekking waartoe cessie-overeenkomsten zijn gesloten die worden beheerst door Frans recht. Ook ten aanzien van die vorderingen geldt derhalve het bepaalde in artikel 6:34 lid 1 BW en artikel 6:37 BW, zij het dat voor het antwoord op de vraag of de luchtvaartmaatschappijen op redelijke gronden mogen aannemen dat – dan wel betwijfelen of – ze aan Equilib bevrijdend kunnen betalen, in beginsel beslissend is of de schuldenaar, in het bijzonder gelet op de wijze waarop hij van de overdracht van de vordering in kennis is gesteld, redelijkerwijs mocht aannemen dat naar Frans recht sprake was van een rechtsgeldige cessie. De luchtvaartmaatschappijen hebben onvoldoende beargumenteerd dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 1690 Code civil, redelijke grond bestond voor twijfel als hiervoor bedoeld.

In aanmerking genomen dat Equilib steeds een uittreksel van de akte en de titel heeft verschaft, brengt het vorenstaande mee dat op de luchtvaartmaatschappijen in beginsel geen nadere onderzoeksplicht rust met betrekking tot de geldigheid van de cessies in de verhouding tussen shipper en Equilib, ook niet voor zover de cessie-overeenkomsten door Frans recht worden beheerst. In beginsel rust op hen evenmin een onderzoeksplicht naar de echtheid van de handtekening.

Beoordeling van de grieven

4.12.

Met grief I klagen de luchtvaartmaatschappijen dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de geldigheid van de cessies. De grief berust op de veronderstelling dat in dit geding moet worden beoordeeld of de cessies als zodanig geldig zijn. Die veronderstelling is onjuist, zoals hiervoor, onder 4.7 e.v., reeds bleek. Equilib vordert schadevergoeding (naast vaststelling van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid voor de daardoor veroorzaakte schade) en geen verklaring voor recht dat de cessies geldig zijn. Dit laatste is weliswaar anders ten aanzien van de Fransrechtelijke cessies, maar Equilib heeft – zoals onder 4.7 overwogen – bij de gevorderde verklaring voor recht op dat punt slechts belang voor zover het betreft de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. De luchtvaartmaatschappijen hebben evenmin een verklaring voor recht gevorderd. De vraag naar de geldigheid van de cessies behoeft dus in beginsel geen beantwoording. De stelplicht van Equilib strekt zich daartoe in beginsel ook niet uit.

In dit stadium van het geding behoeft slechts te worden beoordeeld of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. Aan artikel 3:94 lid 4 BW ligt de gedachte ten grondslag dat bedingen die voor de schuldenaar niet van belang zijn, niet behoeven te worden verstrekt. Naar Frans recht geldt, voor zover van belang, hetzelfde. Grief I kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

Fiduciaverbod

4.13.

Volgens grief II.B zijn de (Nederlandsrechtelijke) cessies in strijd met het fiduciaverbod dat is neergelegd in artikel 3:84 lid 3 BW. Naar de luchtvaartmaatschappijen betogen, is de Assignment of Rights Agreement slechts erop gericht Equilib het recht te geven de aan haar overgedragen vorderingen te gelde te maken om zich uit de opbrengst daarvan te voldoen, onder gehoudenheid een overschot te voldoen aan de shippers. Zij voeren daarnaast aan dat de gecedeerde vorderingen dienen als zekerheid voor de vorderingen van Equilib op de cedenten, bestaande uit een commissie van circa 35% van de eventuele opbrengst van de door Equilib aanhangig gemaakte procedures. Voorts betogen zij dat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de aan Equilib overgedragen vordering en de door Equilib aan de desbetreffende shipper verschuldigde vergoeding.

4.13.1.

Uit de onder 2.9 tot en met 2.11 aangehaalde versies van de Assignment of Rights Agreement valt niet af te leiden dat deze de strekking missen de vordering in het vermogen van Equilib te doen vallen. Integendeel, artikel 2 van die versies bepaalt juist:

‘2.1 The Assignor hereby assigns and transfers, in full, the Rights and all of the Accessory Rights to the Assignee on the terms and conditions of this Agreement.

2.2

The Assignee hereby acquires the complete ownership and possession of the Rights and the Accessory Rights. The Assignee may henceforth exercise the Rights and the Accessory Rights in its own name, at its own expense and risk, free from any restriction or interference by the Assignor.’

Daaruit blijkt onmiskenbaar dat partijen een werkelijke overdracht beogen. Dat wordt niet anders indien overweging F en H en artikel 3.1 van de Assignment of Rights Agreement in aanmerking worden genomen. Dat shippers onder omstandigheden, zoals bij wanprestatie van Equilib, op grond van artikel 4 in verbinding met de artikelen 8.1 en 8.2 van deze overeenkomst het recht toekomt om van Equilib te verlangen dat zij de vorderingen aan hen terug overdraagt zonder kosten voor de shippers, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen stellen, is daarbij geen sprake van een ‘terugvallen’ van de vorderingsrechten in het vermogen van de shippers, maar van een recht op retro-cessie.

4.13.2.

Evenmin kan worden geoordeeld dat de cessie strekt tot zekerheid voor de vorderingen van Equilib op de shippers ter zake van commissie. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft Equilib geen vordering op de shippers waarvoor zij zekerheid zou kunnen wensen. Equilib is immers geen schuldeiser van de shippers; de shippers hebben juist aanspraken op Equilib ter zake van (de betaling van) de tegenprestatie voor de gecedeerde vorderingen. Van de betalingen die Equilib ontvangt op de vorderingen dient zij een percentage (van 60% tot 80%) aan de cedenten te betalen bij wijze van koopprijs. Equilib loopt het risico van het verlies van de procedure en mag anderzijds een percentage van de opbrengst behouden. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien hoe een dergelijke afspraak moet worden aangemerkt als strijdig met het fiduciaverbod. De luchtvaartmaatschappijen betogen verder dat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de aan Equilib overgedragen vordering en ‘de vordering’ van Equilib op de shippers in die zin dat eerstgenoemde vordering enkele malen groter is dan laatstgenoemde ‘vordering’, wat volgens hen, naar analogie van HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8241, rov. 3.5.2, een aanwijzing oplevert voor een overdracht tot zekerheid. Dit betoog faalt omdat van een vordering van Equilib op de shippers geen sprake is.

4.13.3.

De grief kan daarom niet slagen.

Bepaaldheid

4.14.

Grief II.A strekt tot betoog dat de vorderingen die naar Nederlands recht zijn gecedeerd niet met voldoende bepaaldheid zijn omschreven als bedoeld in artikel 3:84 lid 2 BW. Aan de hand van de door Equilib overgelegde cessieakten kan volgens de luchtvaartmaatschappijen niet worden vastgesteld welke individuele vorderingen (gespecificeerd naar in ieder geval luchtvaartmaatschappij, vluchtroute en betrokken expediteur) zijn overgedragen, ook niet achteraf. De cessieakten vermelden een dergelijke specificatie niet en vermelden evenmin waar die kan worden gevonden. Zonder nadere gegevens over de concrete luchtvrachtdiensten waarop de vorderingen van de verschillende shippers op de verschillende luchtvaartmaatschappijen zijn gebaseerd is het volgens de luchtvaartmaatschappijen nagenoeg onmogelijk om op basis van de leveringsakte vast te stellen welke vorderingen zouden zijn overgedragen. Zij betwisten, mede gelet op het tijdsverloop, dat die nadere gegevens in de boekhouding van de shippers zijn terug te vinden. De grief berust blijkens de toelichting verder op de gedachte dat Equilib de luchtvaartmaatschappijen reeds nu in staat moet stellen te achterhalen welke individuele vorderingen jegens hen zijn overgedragen, meer in het bijzonder uit welke luchtvrachtdiensten (met welke vluchtroutes en welke expediteurs) die vorderingen voortvloeien. De luchtvaartmaatschappijen voeren daarbij aan dat zij zelf zelden toegang hebben tot deze gegevens omdat circa 99% van hun vrachtcapaciteit wordt verkocht via expediteurs (freight forwarders), die op hun beurt met de shippers contracteren. Nu Equilib heeft geweigerd deze gegevens in het geding te brengen is niet aan de bepaaldheidseis voldaan, aldus de luchtvaartmaatschappijen. Dit heeft de rechtbank miskend.

4.14.1.

De luchtvaartmaatschappijen betogen op zichzelf terecht dat het bepaaldheidsvereiste in geval van een generieke omschrijving van de vordering – zoals hier in de cessiedocumentatie is opgenomen – meebrengt dat aan de hand van die omschrijving op grond van andere objectieve gegevens moet kunnen worden vastgesteld welke vorderingen zijn geleverd. De omstandigheid dat deze vaststelling in dit stadium van deze complexe procedure nog niet heeft plaatsgevonden, brengt echter niet mee dat aan het bepaaldheidsvereiste niet is voldaan. Dit wordt niet anders doordat de luchtvaartmaatschappijen zelf niet tot die vaststelling in staat zijn omdat zij geen toegang hebben tot de daarvoor vereiste gegevens. De cessiedocumentatie behoefde ook niet te bepalen langs welke weg objectief kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Vooralsnog moet ervan worden uitgegaan dat de boekhouding van de shippers en/of van de expediteurs de vereiste objectieve gegevens ter nadere bepaling van de overgedragen vorderingen bevat. Voor zover dit, om welke reden dan ook, niet het geval is, zal Equilib mogelijk de door haar gestelde vordering niet kunnen substantiëren, wat gevolgen voor de toewijsbaarheid van dat deel van de vordering kan hebben. Dit kan er echter niet toe leiden dat de overgedragen vordering onvoldoende bepaald is. Grief II.A faalt derhalve.

Bezwaren tegen specifieke cessies

4.15.

Grief II.C strekt tot betoog dat een aantal individuele cessies specifieke gebreken vertoont. De grief valt in vijf subgrieven uiteen.

Mededeling cessies van dochter aan moeder

4.16.

Volgens subgrief II.C.1 zijn de cessies van vorderingen door dochtermaatschappijen aan moedermaatschappijen niet voltooid omdat die cessies, anders dan artikel 3:94 lid 1 BW vereist, niet aan de luchtvaartmaatschappijen zijn medegedeeld door de cedent of cessionaris. Van die cessies is uitsluitend door Equilib mededeling aan de luchtvaartmaatschappijen gedaan. Het gevolg hiervan is dat de moedermaatschappijen de vorderingen van hun dochtermaatschappijen niet hebben verkregen, zodat zij deze ook niet aan Equilib konden overdragen, aldus de luchtvaartmaatschappijen.

4.16.1.

Naar Equilib terecht heeft betoogd, moet uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3:94 BW worden afgeleid dat de wetgever de levering van vorderingen op naam niet méér heeft willen bemoeilijken dan nodig is. Dit staat ook met zoveel woorden in de memorie van antwoord, in welk verband de minister in het bijzonder opmerkt (Parl. Gesch. Boek 3, p. 398):

“Wordt een zelfde recht zonder tussenpoos van enig belang meermalen van de een op de ander overgedragen, dan verbiedt dit artikel niet dat ter voltooiing van deze rechtsovergangen het feit dat de verschillende daartoe strekkende akten zijn tot stand gekomen, aan de derde in één keer wordt medegedeeld.”

Gelet op het stelsel van de wet, dat erin voorziet dat de schuldenaar een uittreksel van alle aktes kan verlangen en zodoende kan nagaan of en wat er is gecedeerd, is geen belang gediend met de eis dat bij opeenvolgende cessies van iedere cessie afzonderlijk door hetzij de cedent hetzij de cessionaris mededeling aan de schuldenaar wordt gedaan. Equilib kon in dit geval de overdracht van de vorderingen van de dochtermaatschappijen aan zichzelf tot stand brengen door van zowel de cessie aan zichzelf als de cessie aan de moedermaatschappij mededeling aan de luchtvaartmaatschappijen te doen. Daaraan doet niet af dat tussen de cessie van de dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij en de vervolgcessie aan Equilib soms een aantal maanden zit. Niet in geschil is immers dat de cessie door de dochtermaatschappijen is geschied met het oog op een doorlevering aan Equilib, met het doel Equilib de vordering te laten innen. Dit blijkt ook uit de cessiedocumentatie. Overigens konden de luchtvaartmaatschappijen de mededeling van Equilib van de eerste cessie, waarbij zij geen partij was, redelijkerwijs niet anders duiden dan als een mededeling die, voor zover nodig, mede namens de partijen bij die cessie werd gedaan. Dat Equilib daartoe niet gevolmachtigd was, is gesteld noch gebleken. Integendeel, Equilib beschikte blijkens de verschillende intragroep-cessieovereenkomsten (zie hiervoor onder 2.12-2.14) over een ruime last om te doen wat nodig of wenselijk is om de vorderingen van de dochters te verhalen (“to perform all that is legally necessary or desirable in order to find compensation for the Subsidiary’s Claims”). De subgrief faalt derhalve.

Beschikkingsbevoegdheid

4.17.

In subgrief II.C.2 voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat twee shippers, BV’s naar Nederlands recht, blijkens het handelsregister ten tijde van de cessie van hun vorderingen aan Equilib, in 2013, reeds waren ontbonden en wegens het ontbreken van bekende baten waren opgehouden te bestaan. Volgens de luchtvaartmaatschappijen waren deze shippers daarmee beschikkingsonbevoegd ten tijde van de cessie, zodat eventuele vorderingen niet zijn overgedragen op Equilib. Zij voeren verder aan dat Equilib had moeten stellen welke shippers (behalve SAAB Automobile AB) failliet zijn, wanneer zij failliet zijn verklaard en dat (respectievelijk waarom) de cessies niettemin rechtsgeldig zijn. Bij gebreke van een opgave en toelichting van Equilib op dit punt dient het ervoor te worden gehouden dat geen van de shippers beschikkingsbevoegd was ten tijde van de cessie, aldus de luchtvaartmaatschappijen.

4.17.1.

Ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Daarop stuit af het standpunt van de luchtvaartmaatschappijen dat de twee ontbonden Nederlandse BV’s die volgens het handelsregister in 2006 zijn opgehouden te bestaan wegens het ontbreken van bekende baten daarna hun vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen niet meer aan Equilib konden overdragen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4096, NJ 2013/338). In dit stadium van het geding moet ervan worden uitgegaan dat de twee shippers nog wel baten hebben, namelijk de gestelde vorderingen op de luchtvaartmaatschappijen. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen zich zouden willen beroepen op de andersluidende inschrijving in het handelsregister, faalt dat beroep nu zij, anders de shippers in kwestie toen, wel met het bestaan van vorderingen uit hoofde van hun deelname aan het kartel bekend waren, althans konden zijn (vgl. HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2779, NJ 2004/330).

4.17.2.

Ook voor het overige kan de grief niet slagen. Met de overlegging van de cessiedocumentatie heeft Equilib voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die het oordeel kunnen dragen dat de luchtvaartmaatschappijen de cessie tegen zich moeten laten gelden. Het gaat in zijn algemeenheid te ver om bij gebreken van concrete aanwijzingen voor het tegendeel van Equilib te vergen dat zij (gemotiveerd) stelt dat zij de door haar gepretendeerde vorderingen heeft verkregen van beschikkingsbevoegde vervreemders. Aanwijzingen dat een of meer shippers ten tijde van de cessie beschikkingsonbevoegd waren ontbreken, evenals concrete stellingen op dat punt. Niet in geschil is dat SAAB Automobile AB ten tijde van de cessie nog niet in staat van faillissement verkeerde. Met de subgrief hebben de luchtvaartmaatschappijen aldus onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat op redelijke gronden moet worden betwijfeld dat zij door betaling aan Equilib van hun betalingsverplichting kunnen worden bevrijd (dan wel, in voorkomend geval, dat zodanige onzekerheid bestaat dat zij kunnen opschorten).

Echtheid handtekeningen

4.18.

Met subgrief II.C.3 betogen de luchtvaartmaatschappijen, met een beroep op artikel 159 lid 2 Rv, dat Equilib de echtheid van alle namens de shippers geplaatste handtekeningen op de cessiedocumentatie dient te bewijzen.

4.18.1.

Bij pleidooi in hoger beroep hebben de luchtvaartmaatschappijen hun bij memorie van grieven aangevoerde specifieke bezwaren tegen enkele handtekeningen prijsgegeven. Daarmee resteert nog slechts ter beoordeling de stelling dat artikel 159 lid 2, tweede volzin, Rv meebrengt dat Equilib de echtheid van alle namens de shippers geplaatste handtekeningen op de cessiedocumentatie bewijst. Deze stelling wordt verworpen. In deze procedure gaat het immers (slechts) om de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten werken. Equilib heeft daartoe voldoende gesteld. Zij heeft niet alleen uitvoerige cessiedocumentatie in het geding gebracht; ook heeft zij onbetwist gesteld dat zij de shippers regelmatig informeert over de voortgang van de procedure en inmiddels twintig nieuwsbrieven heeft opgesteld, die zij naar iedere shipper heeft gestuurd. Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen om in het kader van de onderbouwing van hun verweer uiteen te zetten dat zij redelijke grond hebben om te betwijfelen of zij aan Equilib bevrijdend kunnen betalen. In het kader van de vraag of zij hun verweer voldoende hebben onderbouwd, weegt mee dat hun onderzoeksplicht in beginsel niet zo ver gaat dat zij als schuldenaar handtekeningen in de cessiedocumentatie op echtheid moeten controleren. Zij mogen in beginsel op die echtheid vertrouwen en worden in dat vertrouwen in beginsel beschermd. Het had daarom op de weg van de luchtvaartmaatschappijen gelegen om hun stelling dat zij de echtheid van de handtekeningen in de cessiedocumentatie betwisten van nadere concrete onderbouwing te voorzien, die de conclusie kan dragen dat op redelijke grond aan de rechtsgeldigheid van de cessie kan worden getwijfeld. Dit hebben zij nagelaten. Zij hebben bijvoorbeeld geen feiten of omstandigheden gesteld die erop wijzen dat van een vervalsing sprake is of dat een van de shippers zich niet gebonden acht aan de van haar afkomstige cessiedocumentatie. Bij deze stand van zaken missen de luchtvaartmaatschappijen voldoende belang bij hun betwisting van de echtheid van deze honderden handtekeningen.

Discrepanties tussen de data van de overgelegde Assignment of Rights Agreements en de in andere cessiedocumentatie vermelde data van die overeenkomsten

4.19.

Met subgrief II.C.4 voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat bij vier shippers in de cessiedocumentatie wordt verwezen naar een Assignment of Rights Agreement van een andere datum dan de Assignment of Rights Agreement die Equilib in deze procedure heeft overgelegd. Zij concluderen daaruit dat er voor de vorderingen van deze shippers ook nog Assignment of Rights Agreements moeten bestaan die niet zijn overgelegd. Zij kunnen daardoor niet nagaan of van een rechtsgeldige cessie sprake is, zodat van de ongeldigheid van de cessie moet worden uitgegaan, zo betogen zij.

4.19.1.

Equilib betwist dat voor de vorderingen van deze vier shippers meer Assignment of Rights Agreements zijn getekend dan overgelegd. Zij betoogt gemotiveerd dat sprake is van vergissingen in de datum bij de verwijzingen in de cessiedocumentatie. Het doel van de verwijzingen was slechts de context te schetsen waarin de verschillende overeenkomsten werden getekend. De discrepanties kunnen er dus niet toe leiden dat de titel ongeldig is. De luchtvaartmaatschappijen hebben hier onvoldoende tegenover gesteld. De gesignaleerde discrepanties tussen de verwijzingen en de data van de overgelegde overeenkomsten vormen op zichzelf onvoldoende grond voor redelijke twijfel aan de rechtsgeldigheid van de cessies. Subgrief II.C.4 faalt derhalve.

4.20.

Met subgrief II.C.5 voeren de luchtvaartmaatschappijen aan dat de mededeling van de cessie in twee gevallen (bij Hewlett-Packard Company en Parker Hannifin Corporation) is voorafgegaan aan de totstandkoming van de titel voor de cessie, wat betekent – zo begrijpt het hof de luchtvaartmaatschappijen – dat de cessie niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Equilib stelt hier (onder meer) tegenover dat zowel in het geval van Hewlett-Packard Company als in het geval van Parker Hannifin Corporation een tweede mededeling van de cessie aan de luchtvaartmaatschappijen is gedaan op een moment dat er een getekende titel voor de cessie was. Dit laatste is door de luchtvaartmaatschappijen niet weersproken en dient derhalve als vaststaand te worden aangenomen. Bij deze stand van zaken hebben de luchtvaartmaatschappijen geen belang bij subgrief II.C.5.

Strijd met openbare orde of goede zeden

4.21.

Grief II.D betreft de vraag of de cessies nietig zijn wegens strijd met de openbare orde en/of goede zeden. De rechtbank heeft overwogen dat de geldigheid van de cessie, waaronder de vraag of de cessie nietig is wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde, moet worden beoordeeld naar het cessiestatuut en heeft vervolgens het verzoek van de luchtvaartmaatschappijen om zich op dit punt (in het kader van het cessiestatuut) nader te mogen uitlaten afgewezen omdat op de regiezitting van 22 juni 2016 was afgesproken dat alle argumenten in het kader van het cessiestatuut uiterlijk bij pleidooi op 11 mei 2017 naar voren moesten worden gebracht. De grief komt tegen deze overwegingen op.

4.21.1.

De vraag of de cessieovereenkomst strijdig is met openbare orde of goede zeden, wordt inderdaad – en anders dan Equilib betoogt – beheerst door het vorderingsstatuut. Niet in geschil is dat de procesafspraak uitsluitend betrekking had op de rechtsgeldigheid van de cessies naar het cessiestatuut. De luchtvaartmaatschappijen kunnen in een later stadium van de procedure derhalve nog betogen dat de overeenkomsten tot cessie nietig zijn omdat zij naar het vorderingsstatuut in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde. De grief treft in zoverre doel maar kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De grief kan immers niet tot de conclusie leiden dat de cessies niet rechtsgeldig zijn verricht.

4.21.2.

Grief II.D bevat verder voorwaardelijk – onder de voorwaarde dat het hof van oordeel is dat de vraag of de overeenkomst tot cessie strijdig is met de openbare orde of goede zeden door het cessiestatuut wordt beheerst – de klacht dat die vraag naar het cessiestatuut (Nederlands recht) bevestigend moet worden beantwoord gezien de vermogenspositie van Equilib. Nu de voorwaarde waaronder de klacht is ingesteld niet is vervuld, komt het hof aan behandeling daarvan niet toe. Ten overvloede wordt overwogen dat naar Nederlands recht niet wordt aangenomen dat cessie van vorderingen aan een partij die (anders dan de cedent) ten tijde van de cessie niet in staat is een eventuele proceskostenveroordeling te voldoen, nietig is wegens strijd met de goede zeden. Het verdienmodel van Equilib maakt dat niet anders.

Vertegenwoordigingsbevoegdheid

4.22.

Grief III heeft betrekking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van verschillende personen die namens cedenten hebben opgetreden. Betoogd wordt dat Equilib dient te stellen en te bewijzen dat alle cedenten bij het ondertekenen van de overeenkomst tot cessie en de leveringsakte bevoegdelijk zijn vertegenwoordigd, althans dat de uit die stukken blijkende wil aan hen kan worden toegerekend. Daarin is Equilib volgens de luchtvaartmaatschappijen in een groot aantal gevallen niet geslaagd. Zij betogen gemotiveerd dat, kort gezegd, de bevoegdheidsdocumentatie die Equilib op verzoek van de rechtbank in het geding heeft gebracht gebreken vertoont en incompleet is. Ook ligt het volgens hen op de weg van Equilib om steeds duidelijk te maken naar welk recht de vertegenwoordigingsbevoegdheid dient te worden vastgesteld, althans – bij het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid – naar welk recht moet worden beoordeeld of de in de cessiedocumentatie geuite wil aan de cedent kan worden toegerekend. De luchtvaartmaatschappijen hebben die informatie nodig om te verifiëren of de (gestelde) cedenten gebonden zijn aan de namens hen getekende stukken, zo stellen zij. Het hof oordeelt als volgt.

4.22.1.

Uitgangspunt blijft dat de gepretendeerde vorderingen door Nederlands recht worden beheerst. Aan de orde is (nog steeds) de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten werken. Equilib heeft daartoe voldoende gesteld. Zij heeft niet alleen uitvoerige cessiedocumentatie in het geding gebracht; ook heeft zij onbetwist gesteld dat zij de shippers regelmatig informeert over de voortgang van de procedure en inmiddels twintig nieuwsbrieven heeft opgesteld, die zij naar iedere shipper heeft gestuurd. Het ligt vervolgens op de weg van de luchtvaartmaatschappijen – zoals hiervoor onder 4.10.5 overwogen – om te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessie op redelijke gronden moet worden betwijfeld. In het kader van de vraag of zij hun verweer voldoende hebben onderbouwd, weegt mee dat hun onderzoeksplicht in beginsel niet zo ver gaat dat zij als schuldenaar moeten verifiëren of degene die namens de cedent de cessiedocumentatie heeft ondertekend daartoe op dat moment bevoegd was dan wel, indien dat niet het geval is, of de (gestelde) cedent op andere wijze aan de overeenkomst tot cessie en de akte van levering gebonden is geraakt. Zij mogen in beginsel op die bevoegdheid en gebondenheid vertrouwen en worden in dat vertrouwen in beginsel beschermd. Daar komt in dit geval nog bij dat het om meer dan zeshonderd cedenten gaat en dat van geen enkele cedent is gesteld of gebleken dat deze zich hetzij met een eigen vordering bij de luchtvaartmaatschappijen heeft gemeld hetzij heeft getracht de vordering via een ander claimvehikel te innen, dan wel anderszins heeft laten blijken zich aan de cessie niet gebonden te achten. Het had daarom op de weg van de luchtvaartmaatschappijen gelegen om hun stelling dat zij de gebondenheid van de (gestelde) cedenten aan de in het geding gebrachte cessiedocumentatie betwisten van nadere concrete onderbouwing te voorzien, die de conclusie kan dragen dat op redelijke grond aan de rechtsgeldigheid van de cessie moet worden getwijfeld. Dit hebben zij, behoudens ten aanzien van de hierna te noemen twee shippers, onvoldoende gedaan. Niet voldoende is in dit verband dat de uitvoerige bevoegdheidsdocumentatie die Equilib op verzoek van de rechtbank in het geding heeft gebracht, door partijen aangeduid als Proofs of Authority en Annexes, voor een deel van de shippers nog niet bewijst dat zij aan de overeenkomst tot cessie en/of de leveringsakte gebonden zijn. Onvoldoende is ook dat deze documentatie voor 42 shippers ontbreekt omdat zij niet hebben gereageerd op verzoeken van Equilib om bevoegdheidsdocumentatie aan te leveren. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, strekt de stelplicht en bewijslast van Equilib zich immers in beginsel niet uit tot de gebondenheid van de (gestelde) cedenten aan de namens hen getekende cessiedocumentatie. Het is aan de luchtvaartmaatschappijen om ter onderbouwing van hun verweer feiten of omstandigheden aan te dragen die erop wijzen dat de shippers bij de ondertekening daarvan niet bevoegdelijk zijn vertegenwoordigd. Behoudens ten aanzien van de hierna te noemen shippers zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aangevoerd.

4.22.2.

Met betrekking tot de shippers Leo van der Weijden B.V. en Plantas Del Caribe B.V. is vast komen te staan dat de personen die de cessiedocumentatie hebben getekend daarbij hun vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben overschreden. Daarmee hebben de luchtvaartmaatschappijen voldoende onderbouwd dat er redelijke gronden voor twijfel aan de rechtsgeldigheid van de cessie zijn en kunnen zij zich – zolang die redelijke twijfel niet is weggenomen – op een opschortingsrecht beroepen. Dit brengt vooralsnog echter niet mee dat het vonnis moet worden vernietigd. Zoals onder 4.26 e.v. wordt overwogen, kan het hof in dit stadium nog geen definitief oordeel geven over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de Nederlandsrechtelijke cessies tegen zich moeten laten gelden en zal nog een aktewisseling volgen over een mogelijke (rol)voeging van dit tussentijds appel met zaak 200.266.816/01. Equilib zal in de gelegenheid worden gesteld bij de door haar te nemen akte nadere documentatie in het geding te brengen met betrekking tot deze shippers.

Dictum en overig

4.23.

Gegrond is evenwel grief IV voor zover de luchtvaartmaatschappijen daarmee opkomen tegen het dictum waarin voor recht wordt verklaard dat de cessie van de shippers als cedenten aan Equilib als cessionaris, met uitzondering van de Fransrechtelijke cessies, naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn. Tot een dergelijke verklaring voor recht strekt het petitum zich immers niet uit. Het vonnis zal daarom op dit punt moeten worden vernietigd. Voor het overige bouwt grief IV voort op de vorige grieven en faalt zij daarom.

4.24.

In incidenteel appel vordert Equilib (met haar grief III) voor de Fransrechtelijke cessies thans juist wel een verklaring voor recht dat de zij naar het cessiestatuut rechtsgeldig zijn. Het hof begrijpt die vordering aldus (zie hiervoor, onder 4.7) dat een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. De luchtvaartmaatschappijen hebben tegen deze vordering geen verweer gevoerd, zodat zij toewijsbaar is.

Bezit; beroep op artikel 3:119 BW

4.25.

Equilib heeft – onder meer met haar grief III in het incidenteel appel – nog een beroep gedaan op artikel 3:119 lid 1 BW. Naar Equilib betoogt, geniet zij geruime tijd het ongestoorde bezit van de (gepretendeerde) vorderingen. Ingevolge artikel 3:119 lid 1 BW wordt zij daarom vermoed rechthebbende te zijn op vorderingen waarvan zij stelt dat zij deze door middel van cessie heeft verkregen. De luchtvaartmaatschappijen betwisten het betoog van Equilib. Het hof overweegt hierover ten overvloede als volgt.

4.25.1.

Zoals onder 4.8 is overwogen, wordt thans ervan uitgegaan dat het Nederlandse recht van toepassing is op de door Equilib gepretendeerde kartelschadevorderingen. Ingevolge artikel 10:13 BW dient daarom de vraag of Equilib een beroep toekomt op een bewijsvermoeden (voortvloeiend uit het bezit van de vordering), te worden beoordeeld naar Nederlands recht.

4.25.2.

Naar Nederlands recht kan bezit zich mede uitstrekken tot vorderingen op naam (vgl. met betrekking tot verkrijgende verjaring door de bezitter van een vordering Parl. Gesch. Boek 3, p. 418). Dit brengt mee dat ook de bezitter van een vordering op naam een beroep kan doen op het bewijsvermoeden dat in artikel 3:119 BW is vervat. Voor zover de luchtvaartmaatschappijen met een beroep op HR 9 februari 1939, ECLI:NL:HR:1939:32, NJ 1939/865 (Woldijk/Nijman) het tegendeel betogen, wordt hun stelling verworpen. Dit arrest is gewezen onder oud recht en heeft geen betrekking op het bezit van een vordering op naam.

4.25.3.

Uit hetgeen hierboven is overwogen, alsmede uit de uitvoerige cessiedocumentatie die Equilib heeft overgelegd, valt af te leiden dat Equilib de door haar gepretendeerde vorderingen voor zichzelf houdt. Uit die documentatie blijkt de uiterlijk waarneembare wil van Equilib om de in de documentatie bedoelde (gepretendeerde) vorderingen voor zichzelf te gaan houden. Aan die uiterlijk waarneembare wil doet niet af dat zij onder bepaalde omstandigheden gehouden is de gerechtigdheid tot de desbetreffende vordering terug over te dragen aan de oorspronkelijke cedent. Met het oordeel dat Equilib de vorderingen voor zichzelf houdt, strookt het gegeven dat is gesteld noch gebleken dat een van de 670 cedenten wier (gepretendeerde) vorderingen Equilib stelt te hebben verkregen, zelf jegens de luchtvaartmaatschappijen (na de gestelde cessies) op enig moment aanspraak heeft gemaakt op betaling daarvan dan wel zich (anderszins) op het standpunt heeft gesteld zélf nog bezitter van enige van deze vorderingen te zijn (gebleven). Aan het voorgaande moet te meer gewicht moet worden gehecht nu – naar onbetwist is gesteld – Equilib de cedenten op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van haar pogingen tot inning van de vordering terwijl geen aanwijzingen zijn gesteld of gebleken waaruit zou kunnen volgen dat een van de shippers zich niet aan de (gestelde) cessies gebonden acht.

4.25.4.

Het voorgaande brengt mee dat Equilib een beroep toekomt op artikel 3:119 lid 1 BW indien komt vast te staan, gelijk thans is aangenomen, dat Nederlands recht van toepassing is op de door Equilib gepretendeerde vorderingen.

Verdere regie; (rol)voeging met andere appelzaak

4.26.

Tijdens de regiezitting van 5 juni 2019 heeft het hof met partijen gesproken over de verhouding tussen het recht dat van toepassing is op de kartelschadevordering en het recht dat van toepassing is op de overeenkomst die tot cessie verplicht. Partijen hebben er toen voor gekozen om arrest te vragen in dit hoger beroep; zij vreesden dat voeging – in enigerlei vorm – van onderhavige zaak en het hoger beroep tegen het vonnis van 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3393, thans bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.266.816/01, zich slecht zou verdragen met de regiebeslissingen van de rechtbank en ook overigens vertraging en complicaties zou veroorzaken. Partijen wensten eerst de visie van het hof in het onderhavige geschil te vernemen.

Die visie kennen zij nu. Uit het voorgaande blijkt dat in dit stadium nog geen definitief oordeel kan worden gegeven over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de Nederlandsrechtelijke cessies tegen zich moeten laten gelden, omdat het recht dat de kartelschadevordering beheerst niet vaststaat.

4.27.

Als het hof de zaak nu, in deze stand, terugverwijst naar de rechtbank, terwijl bij het hof nog voorligt de vraag naar het recht dat van toepassing is op de kartelschadevorderingen, dreigt een met een goede procesorde niet verenigbare situatie te ontstaan. De rechtbank heeft met haar regiebeslissing kennelijk willen bereiken dat voor het vervolg van de procedure in ieder geval vaststaat dat Equilib degene is die van de luchtvaartmaatschappijen betaling van een schadevergoeding wegens inbreuken op het kartelverbod kan verlangen. Dat punt kan nu niet bereikt worden, zolang niet is beslist op het tweede tussentijds hoger beroep. De rechtbank kan, in voorkomend geval, voor de situatie komen te staan dat zij zich enerzijds dient te richten naar het in dit arrest gegeven oordeel en dus vandaaruit de procedure voortzet doch vervolgens, als het hof anders oordeelt over het op de kartelschadevorderingen toepasselijk recht, opnieuw moet oordelen over de vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies nu wel tegen zich dienen te laten gelden en (dus) bevrijdend aan Equilib kunnen betalen.

4.28.

In die situatie acht het hof voorshands (rol)voeging van dit tussentijds appel met het andere wenselijk. Dat zou betekenen, dat de beslissing in deze zaak wordt aangehouden totdat in de andere zaak de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, waarna dan in beginsel beslist wordt over het toepasselijk recht. Daarna kan partijdebat volgen over de eventuele gevolgen van die beslissing voor de in deze zaak voorliggende vraag of de luchtvaartmaatschappijen de cessies tegen zich moeten laten gelden. Na de beslissing op dat punt zal de zaak dan worden terugverwezen naar de rechtbank.

Mede gelet op voormelde eerdere bespreking ter zitting zal het hof partijen de gelegenheid te geven zich over dat voornemen uit te laten bij akte.

4.29.

De zaak zal derhalve naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Equilib met het doel als vermeld onder 4.22.2 en 4.28. De luchtvaartmaatschappijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen.

4.30.

Het hof ziet aanleiding ambtshalve te bepalen dat van dit arrest geen tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.

5 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 21 april 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van Equilib met het doel als onder 4.22.2 en 4.28 vermeld, waarna de luchtvaartmaatschappijen ter rolle van 2 juni 2020 een akte kunnen nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.M. de Jongh en A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.