Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:702

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
200.266.891/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Beschikking
Inhoudsindicatie

Schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.266.891/02

zaaknummers rechtbank: C/15/272866 / FA RK 18-2108 en C/15/275498 / FA RK18-3466

beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

verzoeker in het incident,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.C. Mens te Hoofddorp,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

verweerster in het incident,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H. Plantenga te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 3 juli 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 2 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van

3 juli 2019 (zaaknummers bij het hof: 200.266.889/01 en 200.266.891/01). Tevens heeft de man verzocht de werking van die beschikking te schorsen (zaaknummer bij het hof: 200.266.891/02).

2.2

De vrouw is op 3 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van

3 juli 2019 (zaaknummers bij het hof: 200.267.006/01 en 200.267.013/01).

2.3

De vrouw heeft op 15 november 2019 een verweerschrift inzake het verzoek tot schorsing ingediend (zaaknummer bij het hof: 200.266.891/02).

2.4

De man heeft op 12 december 2019 een verweerschrift ingediend, gericht tegen het door de vrouw ingediende verweerschrift inzake het verzoek tot schorsing (zaaknummer bij het hof: 200.266.891/02).

2.5

Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden van het schorsingsverzoek van de man.

2.6

Het hof heeft het onder 2.4 vermelde verweerschrift van de man, nu hij hiermee een niet toegestane extra schriftelijke ronde heeft genomen die in strijd is met de goede procesorde, niet aan het dossier toegevoegd en gelijktijdig met onderhavige beschikking aan de man teruggezonden.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2000 met elkaar gehuwd te Wester-Koggenland, welk huwelijk op 11 december 2019 is ontbonden door inschrijving van de - in zoverre niet bestreden - beschikking van de rechtbank van 3 juli 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind A] , geboren [in] 2001 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [kind A] );

- [kind B] , geboren [in] 2003 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [kind B] ).

[kind A] en [kind B] worden hierna gezamenlijk genoemd “de kinderen”. De kinderen wonen bij de man.

3.3

Bij de - in zoverre niet bestreden - beschikking en voor zover thans van belang, is bepaald dat de man gerechtigd is in de echtelijke woning te blijven wonen tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil in het incident tot schorsing

4.1

Bij de bestreden beschikking is ten aanzien van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover thans van belang, vermeld dat partijen het erover eens zijn dat de voormalig echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 375.000,00 en bepaald dat de man de gelegenheid krijgt om binnen drie maanden na de datum van de bestreden beschikking een passende financiering rond te krijgen om de echtelijke woning over te kunnen nemen tegen genoemde waarde, in die zin dat de financiering de man in staat moet stellen de helft van de overwaarde per datum overdracht aan de vrouw te voldoen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de man daaraan niet binnen drie maanden heeft voldaan, zal de echtelijke woning door partijen te koop worden gezet, waarbij partijen hun medewerking zullen verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan een in onderling overleg aan te wijzen makelaar tot verkoop van de woning.

4.2

De man verzoekt in het incident de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing van de rechtbank, dat de man binnen drie maanden na de datum van de beschikking de financiering en het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid rond moet hebben om de woning over te kunnen nemen en ingeval de man daarin niet slaagt de woning verkocht moet worden, te schorsen tot en met drie maanden nadat de bestreden beschikking ook ten aanzien van de verdeling in kracht van gewijsde is gegaan.

4.3

De vrouw verzoekt het schorsingsverzoek van de man af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan het hof, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking daarvan schorsen.

5.2

De man stelt dat hij niet in staat is om de verdeling van de woning binnen drie maanden na de datum van de beschikking financieel af te wikkelen, aangezien de bank pas een hypothecaire geldlening verstrekt als de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan, ook ten aanzien van de (verdere) verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte en eenvoudige gemeenschap en ten aanzien van de partner- en kinderalimentatie. Partijen zijn het nog niet over al deze kwesties eens en daarom verstrekt de bank nog geen hypothecaire lening. De man verzoekt daarom om de werking van de beschikking te schorsen tot en met drie maanden nadat de beschikking ook ten aanzien van de verdeling in kracht van gewijsde is gegaan.

5.3

De vrouw stelt dat het standpunt van de man feitelijk onjuist is. Partijen beschikken over een echtscheidingsbeschikking waaruit blijkt dat de man de woning krijgt toebedeeld onder uitkoop van de vrouw. De vrouw is bereid om op dat punt een aanvullende notariële akte te laten opmaken. De man kan in ieder geval een hypotheekadviseur verzoeken om op basis van zijn inkomen en vermogen een berekening te laten maken. De man is echter weigerachtig en blijft de zaak vertragen. De vrouw heeft er belang bij dat zij zo spoedig mogelijk de beschikking krijgt over haar aandeel in de overwaarde. Zij huurt thans een woning van
€ 850,- per maand, terwijl de man niet bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, zodat zij snel inteert op haar vermogen. Zodra de vrouw de beschikking heeft over haar deel van de overwaarde is zij in staat een koopwoning te bekostigen.

5.4

Het hof overweegt dat bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de werking van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking in navolging van de bestaande rechtspraak (laatstelijk HR 20 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026), en in aanmerking nemend dat in de bestreden beschikking geen gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarverklaring is gegeven, de volgende maatstaven gelden:

i) uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende het hoger beroep, uitvoerbaar dient te zijn;

ii) afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan;

iii) bij de toepassing van de onder i) genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat het hof in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.

5.5

Gelet op het hiervoor onder i) genoemde uitgangspunt is een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd deze te executeren, ook indien tegen deze beschikking hoger beroep is ingesteld. Het hof is in onderhavige zaak van oordeel dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Voldoende aannemelijk is dat de bank pas een hypothecaire geldlening zal verstrekken als de gevolgen van de echtscheiding voor de verdere verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen van partijen en de kinder- en partneralimentatie helder zijn en dat om die reden aan de man voor financiering de eis is gesteld van een echtscheidingsbeschikking die ook op deze onderdelen kracht van gewijsde heeft. Hiervan is nog geen sprake, aangezien beide partijen van de beslissingen op genoemde onderwerpen in hoger beroep zijn gekomen. Derhalve acht het hof voldoende aannemelijk dat de man, door omstandigheden die buiten zijn invloedssfeer liggen en die de rechtbank kennelijk niet heeft (kunnen) voorzien, buiten staat is om aan de door de rechtbank opgelegde verplichting te voldoen. Het belang van de man, bij wie de kinderen van partijen wonen, bij behoud van de bestaande toestand weegt dan ook naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van de vrouw bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking op dit punt. Het hof zal het verzoek van de man om de werking van de bestreden beschikking op dit onderdeel te schorsen derhalve toewijzen. Daarbij zal het hof bepalen dat de werking van de bestreden beschikking wordt geschorst voor zolang in de procedures in hoger beroep als vermeld onder 2.1 en 2.2 nog niet is beslist. Voor een schorsing van de werking voor de duur die de man heeft verzocht ziet het hof onvoldoende aanleiding.

5.6

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

schorst voor de duur van de procedures in hoger beroep met de zaaknummers 200.266.889/01, 200.266.891/01, 200.267.006/01 en 200.267.013/01 de werking van de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat, indien de man niet binnen drie maanden na de datum van de bestreden beschikking een passende financiering rond heeft gekregen om de echtelijke woning over te kunnen nemen tegen genoemde waarde (in die zin dat de financiering de man in staat moet stellen de helft van de overwaarde per datum overdracht aan de vrouw te voldoen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan), de echtelijke woning door partijen te koop zal worden gezet, waarbij partijen hun medewerking zullen verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan een in onderling overleg aan te wijzen makelaar tot verkoop van de woning de man;

wijst af het in het incident meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en
mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. C. de Bruin als griffier en is op
3 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.