Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
200.249.542/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:9129
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2021:1418
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

gezag en omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.249.542/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/618228 / FA RK 16-7497 (JK/AK)

Beschikking van de meervoudige kamer van 3 maart 2020 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,

en

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. T.O. Sohansingh te Amsterdam.

Als belanghebbende is voorts aangemerkt de minderjarige [dochter] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 30 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 1 augustus 2018.

2.2

De vader heeft op 28 december 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 14 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 17 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 20 juni 2019.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 26 juni 2019 plaatsgevonden, waarvan is opgemaakt een proces-verbaal dat zich bij de stukken bevindt. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden in afwachting van het traject dat partijen bij - althans met behulp van - het Ouder en Kind Team (hierna: OKT) zullen doorlopen.

2.5

Bij journaalbericht van 25 oktober 2019 heeft de vader het hof bericht dat hij een voortgezette behandeling van de zaak ter zitting wenst.

2.6

Bij het hof is daarna ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 13 december 2019 met bijlagen, ingekomen op 18 december 2019.

2.7

De voortgezette mondelinge behandeling heeft op 31 januari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw E. Frijn.

3 De feiten

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader (hierna te noemen: de ouders) is [de minderjarige] geboren, [in] 2011. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder was na de geboorte van [de minderjarige] van rechtswege belast met het gezag over haar. [de minderjarige] woont bij de moeder.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op verzoek van de vader, bepaald dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] worden belast. Eveneens is op verzoek van de vader een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna te noemen: zorgregeling) bepaald, waarbij [de minderjarige] met ingang van de dag van de beschikking iedere week op woensdag na school tot donderdagochtend naar school en op zondagmiddag bij de vader verblijft, alsmede eenmaal per twee weken van zaterdagochtend tot zondagmiddag, en waarbij de vakanties en feestdagen bij helfte tussen de ouders worden verdeeld.

Voorts is een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepaald van € 100,- per maand, met ingang van 7 november 2016.

In principaal hoger beroep

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de vader de ouders gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] te belasten, af te wijzen en te bepalen dat de zorgregeling niet mede omvat dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken van zaterdagochtend tot zondagmiddag bij de vader verblijft.

4.3

De vader verzoekt het door de moeder verzochte af te wijzen en de moeder te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

In incidenteel hoger beroep

4.4

De vader verzoekt, naar het hof begrijpt, primair de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vast te stellen, waarbij zij twee dagen per week omgang met elkaar hebben op de dagen dat de moeder niet hoeft te werken. Subsidiair verzoekt hij te bepalen dat de bij de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling aldus wordt uitgebreid dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagavond tot zondagmiddag bij de vader verblijft.

Voorts verzoekt de vader te bepalen dat de bij de bestreden beschikking bepaalde kinderalimentatie van € 100,- per maand wordt verlaagd, dan wel op nihil wordt gesteld.

4.5

De moeder heeft ter zitting verzocht – naar het hof begrijpt - de verzoeken van de vader af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In principaal hoger beroep

Gezag

5.1

Aan de orde is de vraag of de vader gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige] dient te worden belast. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt een dergelijk verzoek slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

De moeder stelt dat de rechtbank de ouders ten onrechte gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] heeft belast. Hiertoe voert zij aan dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord. Hoewel de vader de indruk heeft gewekt dat hij in staat is de verstandhouding en communicatie met de moeder te verbeteren, heeft hij zich vanaf de bestreden beschikking dusdanig grievend naar de moeder opgesteld dat zij emotioneel uit balans is geraakt. Zij raakt onzeker door de aantijgingen van de vader en is in overleg met de huisarts over welke hulp voor haar passend is. De vader diskwalificeert en kleineert de moeder en geeft haar geen ruimte zelf invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De vader is dominant en bepalend, doet alles op zijn manier en houdt geen rekening met de moeder. De moeder lijdt onder de willekeur en eigengereidheid van de vader. De onrust en disbalans die hierdoor bij de moeder ontstaat, heeft zijn weerslag op [de minderjarige] . Ook lijdt [de minderjarige] onder de wijze waarop de vader de moeder benadert. [de minderjarige] is een kwetsbaar en gevoelig kind dat bijzondere zorg en aandacht nodig heeft. De vader heeft zijn twijfels over haar kwetsbaarheid, wat een obstakel voor de gezamenlijke gezagsuitoefening is. De vader is regelmatig afwezig tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij hem. [de minderjarige] moet dan opboksen tegen de kinderen van haar vaders nieuwe partner. Het verblijf van [de minderjarige] in het gezin van de vader en zijn partner brengt veel onrust voor haar mee. Gelet op de leeftijd en de kwetsbaarheid van [de minderjarige] is een conflictloze uitoefening van het gezamenlijke gezag noodzakelijk, maar dit is door de verstoorde verhouding tussen de ouders niet haalbaar. De ouders kunnen niet constructief over [de minderjarige] en haar opvoeding overleggen. De verhouding tussen de ouders is door het gezamenlijke gezag verslechterd, omdat de vader nu een stok heeft om mee te slaan en zijn machtspositie kan laten voelen, aldus de moeder.

5.3

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd. Dat partijen moeite hebben om met elkaar te communiceren is onvoldoende om het verzoek tot gezamenlijk gezag van de vader af te wijzen. Anders dan de moeder stelt is het juist de vader die de leugens en de wispelturigheid van de moeder moet slikken. Uit niets blijkt dat de moeder door uitlatingen van de vader emotioneel uit balans is geraakt en professionele hulp nodig heeft. De vader heeft sinds het uitgeengaan van de ouders te maken met de emotionele disbalans van de moeder. Hij is ook altijd degene die naar ouderavonden op school gaat, omdat de moeder op het laatste moment afzegt. Uit niets blijkt dat de vader de moeder heeft tegengewerkt bij het nemen van gezagsbeslissingen. De moeder bepaalt alles in het leven van [de minderjarige] en laat de vader geen ruimte. Zo moet de vader [de minderjarige] af en toe ophalen bij haar oma (moederszijde), anders mag hij haar van de moeder niet zien. De vader wil dat [de minderjarige] op vrijdagavond bij hem verblijft in plaats van bij haar oma. [de minderjarige] wordt door de moeder drie dagen per week ondergebracht bij opa, oma of een nicht, wat niet goed voor haar is. De moeder kan [de minderjarige] niet de rust en stabiliteit geven die zij nodig heeft. Het komt wel eens voor dat de vader moet werken tijdens zijn omgangsmomenten met [de minderjarige] . Zij heeft leuke speelkameraadjes gevonden in de kinderen van zijn partner en hoeft niet tegen hen op te boksen. De vader wil het beste voor [de minderjarige] en is niet van plan de moeder tegen te werken.

Zorgregeling

5.4

Tevens is de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] aan de orde. Het hof zal bij de vaststelling van de zorgregeling een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.

5.5

De moeder stelt dat de ouders een afspraak hadden over de omgangsregeling. Deze afspraak omvatte niet het bij de bestreden beschikking vastgestelde verblijf bij de vader van zaterdagochtend tot zondagmiddag eenmaal per twee weken. Deze extra dag is voor [de minderjarige] veel te belastend. Het is heel druk in het gezin van de vader en zijn partner en de vader heeft dan geen aandacht meer voor [de minderjarige] . Hij is ook vaak afwezig. De onrust die dit verblijf voor [de minderjarige] met zich meebrengt is niet in haar belang.

5.6

De vader betoogt dat uit niets blijkt dat de extra zaterdag per twee weken belastend voor [de minderjarige] is. Het is de wispelturigheid van de moeder die onrust bij [de minderjarige] veroorzaakt. Hoewel de moeder stelt dat [de minderjarige] gebaat is bij rust en regelmaat, zorgt zij ook zelf voor onrust door [de minderjarige] telkens naar anderen te brengen als zij moet werken in plaats van naar de vader. Bovendien heeft de vader zijn werkzaamheden zo kunnen aanpassen dat hij op zaterdag bij [de minderjarige] is.

In incidenteel hoger beroep

Hoofdverblijfplaats

5.7

De vader stelt dat het ophalen van [de minderjarige] op zaterdagochtend voor veel ergernis zorgt, omdat [de minderjarige] in verband met de structurele nachtdienst van de moeder dan bij de oma (moederszijde) verblijft. Indien [de minderjarige] in een omgangsweekend vanaf vrijdag bij de man kan verblijven, geeft dit voor [de minderjarige] meer rust en voor partijen minder ergernis omdat zij dan de haal- en brenglocatie in [gebied] kunnen handhaven.

De vader stelt voorts dat [de minderjarige] door het werk van de moeder drie dagen per week bij opa, oma en nicht (moederszijde) wordt ondergebracht. Bij toewijzing van het verzoek van de vader de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen en een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] van twee dagen per week vast te stellen, verandert er in feite niks voor de moeder, terwijl [de minderjarige] meer rust zal krijgen.

Kinderalimentatie

5.8

De vader stelt dat als de zorgregeling wordt uitgebreid, dan wel het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader wordt bepaald, de kinderalimentatie dient te worden aangepast, afhankelijk van hetgeen het hof zal beslissen.

Verdere beoordeling

5.9

Ter zitting van 26 juni 2019 hebben partijen afgesproken dat zij het traject bij het OKT zullen doorlopen.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen inmiddels ieder een gesprek hebben gehad met [medewerker] van het OKT en dat er op korte termijn een gezamenlijk gesprek met de ouders zal plaatsvinden. Er is nog geen plan van aanpak, omdat partijen nog in de intakefase zitten bij het OKT.

De raad verwacht dat partijen zullen worden doorverwezen naar een traject zoals bijvoorbeeld ‘Ouderschap Blijft’ ten einde de onderlinge communicatie te verbeteren.

Beide partijen zijn het erover eens dat het traject bij het OKT een kans moet krijgen en hebben verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak. De raad acht een aanhouding voor de duur van zes tot negen maanden aangewezen.

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen dit traject bij het OKT, dan wel na doorverwijzing een andere hulpverleningsinstantie, te volgen en daarom de behandeling van de zaak aanhouden voor de duur van acht maanden pro forma. Partijen dienen vervolgens tijdig (uiterlijk een week voor afloop van na te noemen pro forma datum) het verloop en resultaat van het traject schriftelijk kenbaar te maken aan het hof en het hof te berichten over de gewenste voortgang van deze procedure.

5.10

In verband met het voorgaande zal iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling van de zaak aan tot 15 november 2020 pro forma teneinde partijen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan het traject bij het OKT, dan wel na doorverwijzing een andere hulpverleningsinstantie, met het verzoek aan partijen uiterlijk een week voor genoemde datum het hof schriftelijk te informeren over de stand van zaken van het traject en zich tevens uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A. van Haeringen en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier, en is op 3 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.