Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:645

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
200.257.895/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweede procedure van cliënten tegen het kantoor van hun voormalige advocaat. Vordering op grond van onverschuldigde betaling. Gezag van gewijsde van het oordeel dienaangaande in het vonnis in de eerdere procedure, waartegen in het hoger beroep in die eerdere procedure geen grieven zijn gericht.

Geen hogere voorziening tegen incidenteel vonnis tot verwijzing en tegen tussenvonnis met beslissing om geen comparitie te gelaten, maar voort te laten procederen.

Wetsartikelen: art. 236 Rv, 99 Rv, 131 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.257.895/01

zaak- en rolnummers rechtbank Amsterdam: 6532465\CV EXPL 17-29074 en

6763717\CV EXPL 18-6519

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2020

inzake

[X] ,

wonend te [woonplaats] ,

[X jr.] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. D.P. Kant te Almelo,

tegen

[Y] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. [Y] te [plaats] .

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] , [X jr.] en [Y] BV genoemd. [X] en [X jr.] gezamenlijk worden aangeduid met [X] c.s.

[X] c.s. zijn bij dagvaarding van 28 maart 2019 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2018 en 28 december 2018 onder bovenvermelde zaak- en rolnummers gewezen in de gevoegde zaken tussen respectievelijk [X] en haar inmiddels overleden echtgenoot, hierna [X sr.] , als eisers en [Y] BV als gedaagde en [X jr.] als eiser en [Y] BV als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis van 28 december 2018 (hierna: het bestreden vonnis) zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog [Y] BV zal veroordelen tot betaling aan [X] c.s. van een bedrag van € 12.500,=, te vermeerderen met de rente daarover vanaf maart 2006, met veroordeling van [Y] BV in de kosten van beide instanties, inclusief de nakosten en met rente.

[Y] BV heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met hoofdelijke veroordeling van Hof c.s., uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van beide instanties, inclusief de nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.5. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven 3 tot en met 6 zijn gericht tegen deze feitenvaststelling.

2.2

Grief 3 houdt in dat de kantonrechter, die de feiten heeft ontleend aan een tussen partijen in een eerdere procedure gewezen arrest van dit hof van 28 juni 2016, ten onrechte een aantal feiten (2.7 en 2.8) uit dat arrest niet heeft overgenomen. Het hof zal de feitenvaststelling op dit punt aanvullen, voor zover relevant. Met grief 4 beogen [X] c.s. dat de kantonrechter onder 1.2. ten onrechte niet heeft vermeld dat [X sr.] , [X jr.] en mr. [Y] (hierna: mr. [Y] ) niet alleen met elkaar hebben gesproken over andere geschillen en/of procedures waarin [X sr.] en [X jr.] waren verwikkeld, maar dat mr. [Y] toen ook heeft toegezegd voor een plafondbedrag van € 19.000,= al die procedures te zullen voeren. Deze grief faalt, omdat het laatste geen vaststaand feit is, maar een stelling die door [Y] BV is betwist. Met grief 5 bestrijden [X] c.s. de juistheid van de vaststelling over de onderneming die [X sr.] en [X jr.] samen hebben gedreven. [Y] BV heeft het daar gestelde niet bestreden, zodat het hof de feitenvaststelling op dit punt zal aanpassen. Grief 6 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de Raad van Discipline (hierna: de Raad) alle klachten van [X] c.s. heeft verworpen. De grief faalt, omdat dit een juiste samenvatting is van de beslissing van de Raad, die heeft geoordeeld dat mr. [Y] van zijn handelen en nalaten geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, hoewel de door hem gestuurde opdrachtbevestiging aan duidelijkheid te wensen overlaat.

2.3

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die in dit geding zijn komen vast te staan en met inachtneming van hetgeen hiervoor werd overwogen zijn de vaststaande feiten in deze zaak de volgende.

a. [X sr.] en [X jr.] hebben in het verleden samen een onderneming gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. Later is de onderneming ondergebracht in een besloten vennootschap, waarvan [X sr.] en [X jr.] samen met een derde de aandeelhouders waren.

b. [X sr.] en [X jr.] hebben mr. [Y] , werkzaam bij [Y] BV, opdracht gegeven hun belangen te behartigen in een huurgeschil met VNI Enschede B.V. (hierna: VNI), waarin zij tot die tijd door een of meer andere advocaten werden bijgestaan. [X] c.s. en mr. [Y] hebben ook gesproken over andere geschillen en/of procedures waarin [X sr.] en [X jr.] waren betrokken.

c. Per e-mail van 24 juni 2005 heeft mr. [Y] het volgende aan [X sr.] en [X jr.] geschreven:

Inzake: [X] &Xenon/VNI

Dossier: [dossier]

Mijne heren,

Naar aanleiding van mijn telefonisch onderhoud met mevrouw [X] bericht ik u dat ik uw kwestie ter hand kan nemen tegen een gematigd uurtarief ad € 225,-- exclusief 5% kantoorkosten en BTW.

In de procedure(s) dient u rekening te houden met deurwaarderskosten (circa € 150,-- per exploit) en griffierecht van de aan te spannen procedures (ik schat dit op circa € 6.500,--, doch daarover kan ik u eerst later concreet berichten).

In totaal ben ik bereid met u een plafond af te spreken van € 19.000,-- aan honorarium, te vermeerderen met 5% kantoorkosten en BTW. (…)

Ik vraag uw begrip dat ik slechts voor u op voorschotbasis zal werken en dat ik mijn werkzaamheden eerst zal aanvangen nadat een eerste depot ad € 15.000,-- is voldaan op rekening (…).

d. In de procedure tussen VNI en [X sr.] en [X jr.] heeft mr. [Y] proceshandelingen verricht vanaf de conclusie van dupliek in eerste aanleg tot en met de memorie van antwoord in hoger beroep in de zaak van [X jr.] De zaak van [X sr.] was toen geschorst wegens diens toelating tot de schuldsaneringsregeling. Op 10 juni 2008 is in de procedure tussen VNI en [X jr.] een tussenarrest gewezen.

e. Op 8 oktober 2008 heeft mr. [Y] [X sr.] en [X jr.] laten weten dat hij in verband met een ontstane vertrouwensbreuk de behartiging van hun belangen zou beëindigen.

f. Op 2 juli 2009 hebben [X] c.s. en [X sr.] klachten ingediend bij de Raad, die onder meer inhielden dat mr. [Y] ten onrechte had geweigerd werkzaamheden te verrichten in de appelprocedure tegen VNI en in strijd met de waarheid had beweerd dat hij voor het bedrag van € 19.000,= uitsluitend de procedure tegen VNI in eerste aanleg en eventueel hoger beroep zou behandelen. De Raad heeft de klachten van [X] c.s. en [X sr.] verworpen en geoordeeld dat mr. [Y] geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij de zaak tegen VNI heeft aangepakt en van het staken van zijn bemoeienissen. De Raad heeft daartoe, zakelijk weergegeven, onder meer overwogen dat weliswaar de verzonden opdrachtbevestiging (zie hiervoor onder c.) aan duidelijkheid te wensen overlaat, maar het niet aan de Raad is vast te stellen wat precies tussen partijen is afgesproken, terwijl duidelijk is dat de overeenkomst is beëindigd omdat een vruchtbare rechtsbijstandverlening door een verschil van inzicht niet meer mogelijk was.

g. Bij dagvaarding van 27 augustus 2013 hebben [X] c.s. en [X sr.] gevorderd dat [Y] BV zou worden veroordeeld tot betaling aan [X] c.s. en [X sr.] van een bedrag van € 15.000,= netto met rente. Zij hebben daartoe aangevoerd dat dit bedrag een compensatie was voor het feit dat mr. [Y] heeft verzuimd de door hem toegezegd procedures af te ronden dan wel in behandeling te nemen, terwijl [X] c.s. en [X sr.] daarvoor al wel hadden betaald. [X] c.s. en [X sr.] hebben voorts aangevoerd dat zij niet hebben willen meewerken aan een begrotingsprocedure bij de Raad vanwege de gemaakte afspraak en omdat zij vreesden dat mr. [Y] een te hoog aantal gewerkte uren zou worden toegekend op grond van zijn betwisting van de stelling dat [X] de concepten van de processtukken heeft aangeleverd. In de conclusie van repliek hebben zij daarnaast aangevoerd dat op het moment dat zij een bedrag van € 19.373,25 aan [Y] BV hadden betaald, mr. [Y] nog slechts een conclusie van dupliek en een summiere akte had geproduceerd, waarvan de grondtekst door [X] was aangeleverd, en tweemaal een getuigenverhoor had bijgewoond.

h. Bij vonnis van 15 juli 2014 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de vordering van [X] c.s. en [X sr.] afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen:

3.2.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil welke werkzaamheden zij zijn overeengekomen. (…) De kantonrechter volgt [X sr.] en [X jr.] daarom niet in hun stelling dat met [Y] is overeengekomen dat hij andere procedures dan de procedure tegen VNI zou voeren binnen het overeengekomen tariefplafond. Tussen partijen is niet in geschil dat [Y] deze procedure niet in alle instanties heeft voltooid.

3.3.

Voor zover [X sr.] en [X jr.] bedoeld hebben te stellen dat het afgesproken honorariumplafond betrekking had op het voltooien van de procedure tegen VNI in alle instanties en dat - nu het volledige honorarium is betaald, terwijl [Y] de procedure niet heeft voltooid - een gedeelte van het honorarium onverschuldigd is betaald, geldt het volgende. Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat partijen voor het behandelen door [Y] van de procedure tegen VNI een uurtarief zijn overeengekomen met een honorariumplafond. Anders dan [X sr.] en [X jr.] . lijken te veronderstellen, blijkt uit de opdrachtbevestiging (of uit andere feiten en omstandigheden) niet dat [Y] zich heeft verbonden om tegen een vast honorariumbedrag de procedure(s) tegen VNI te voeren en dat tussentijdse beëindiging van de overeenkomst tot verrekening van het honorarium naar rato zou moeten leiden. Verder staat als onvoldoende weersproken vast dat het door [X sr.] en [X jr.] in totaal aan [Y] betaalde bedrag correspondeert met de door [Y] verrichte werkzaamheden. Het loon voor deze werkzaamheden afgezet tegen het overeengekomen uurtarief bedraagt € 19.000,--, zijnde het door [X] c.s. betaalde bedrag. De conclusie is dan ook dat een rechtsgrond voor deze betaling bestaat, zodat niet onverschuldigd is betaald. Op die grond kan de vordering derhalve niet slagen.

3.4.

Vanwege het feit dat [Y] de procedure tegen VNI niet in alle instanties heeft voltooid, maken [X sr.] . en [X jr.] - zo begrijpt de kantonrechter uit hun stellingen - [Y] verder het verwijt dat hij is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de met hen gesloten overeenkomst. (…)

3.5. (…) [

[D]aarmee [was] sprake van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 7:402 lid 2 BW op grond waarvan [Y] de overeenkomst rechtsgeldig kon opzeggen.

3.6.

Daaruit vloeit voort dat [Y] geen verwijt kan worden gemaakt dat hij zijn werkzaamheden voor [X sr.] en [X jr.] nadien niet heeft vervolgd. Evenmin is gesteld of gebleken dat [Y] de reeds door hem uitgevoerde werkzaamheden niet naar behoren zou hebben verricht. Van een tekortkoming van de zijde van [Y] is dan ook geen sprake. Voor zover [X sr.] en [X jr.] . op grond daarvan aanspraak maken op terugbetaling van het aan [Y] betaalde loon, respectievelijk op schadevergoeding - vanwege de door haar te maken extra kosten aan een andere raadsman - kan de vordering derhalve evenmin slagen. Dat de opzegging door [Y] ontijdig heeft plaats gevonden of op onzorgvuldige wijze is afgehandeld is ook niet gebleken, zodat ook om die reden geen grond voor schadevergoeding bestaat.

3.7.

Dat [X sr.] en [X jr.] tot het afgesproken plafond facturen hebben voldaan terwijl [Y] hen in de procedure tegen VNI niet tot het eind toe heeft bijgestaan, is ook niet onredelijk te noemen nu de opzegging door [Y] op redelijke grond heeft plaatsgevonden en mede aan de opstelling van [X sr.] en [X jr.] zelf te wijten is geweest.

i. [X] c.s. en [X sr.] zijn van het vonnis van de kantonrechter van 15 juli 2014 in hoger beroep gekomen. Bij de memorie van grieven hebben [X] c.s. en [X sr.] hun eis gewijzigd en gevorderd, primair, dat de overeenkomst van opdracht zou worden ontbonden en [Y] BV zou worden veroordeeld tot terugbetaling van het volledige door [X] c.s. en [X sr.] betaalde bedrag van € 23.477,28, met rente en, subsidiair, dat de overeenkomst gedeeltelijk zou worden ontbonden met evenredige vermindering van de reeds ontvangen prestaties, in die zin dat aan [X] c.s. en [X sr.] een bedrag van € 15.355,53 zou moeten worden terugbetaald, met rente.

j. Bij arrest van 28 juni 2016 heeft dit hof het vonnis van de kantonrechter van 15 juli 2014 bekrachtigd. Het hof heeft daartoe in rechtsoverweging 3.2. samengevat overwogen dat van de door [X] c.s. en [X sr.] aan de vordering tot gehele of gedeeltelijke ontbinding ten grondslag gelegde wanprestatie niet was gebleken, omdat mr. [Y] de overeenkomst op toereikende gronden heeft opgezegd, waarbij in het midden kan blijven op welke werkzaamheden die overeenkomst exact betrekking had.

Hierna volgt de volgende overweging:

3.3.

Het hof overweegt ten overvloede het volgende. Voor zover de verwijten van [X] c.s. (mede) zouden behelzen dat [Y] weliswaar op uurbasis tot een plafondbedrag van € 19.000,-- mocht declareren, maar dat [Y] van [X] c.s. meer heeft ontvangen dan waarop hij op die basis aanspraak kon maken, moet worden vastgesteld dat zulks onvoldoend grondslag oplevert voor een vordering uit hoofde van wanprestatie en een daarop gegronde ontbinding van de overeenkomst. Als vast zou komen te staan dat [Y] inderdaad minder uren heeft besteed dan overeenkomt met de betalingen, hetgeen het hof op basis van de thans beschikbare stukken zeker niet uitsluit, zou dat hooguit grond vormen voor een vordering uit onverschuldigde betaling. Een dergelijke rechtsgrond is (…) door [X] c.s. echter niet aan het gevorderde ten grondslag gelegd, zodat het hof (een deel van) het gevorderde - indien het vorenstaande was komen vast te staan - ook niet op die rechtsgrond zou kunnen toewijzen.

3 Beoordeling

3.1

In deze procedure hebben [X] c.s. gevorderd dat [Y] BV wordt veroordeeld tot betaling aan [X] c.s. van een bedrag van € 12.500,=. Zij hebben hieraan ten grondslag gelegd dat zij dat bedrag onverschuldigd hebben betaald, omdat mr. [Y] / [Y] BV slechts een klein deel van de toegezegde werkzaamheden heeft verricht. Voor de verrichte werkzaamheden is volgens [X] c.s. slechts een bedrag van € 10.620,75 verschuldigd. [Y] BV heeft de vordering bestreden, onder meer met een beroep op het gezag van gewijsde van het oordeel van de kantonrechter van 15 juli 2014 over de vordering van [X] c.s. en [X sr.] uit onverschuldigde betaling.

3.2

Bij het tussenvonnis van 13 april 2018 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de zaak niet geschikt was voor een verschijning van partijen en de zaak naar de rol verwezen voor conclusie van repliek. Bij het eindvonnis heeft de kantonrechter het beroep van [Y] BV op het gezag van gewijsde gehonoreerd. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

In de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 2014, is hetzelfde aan de vordering ten grondslag gelegd als in de onderhavige procedure, namelijk dat niet alle overeengekomen werkzaamheden zijn verricht. In het vonnis van 2014 is het gevorderde afgewezen, welk vonnis in het arrest van 2016 is bekrachtigd. Tegen dat arrest is geen cassatie ingesteld, zodat die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De vordering is niet afgewezen omdat de rechter daarover niet kon oordelen, maar omdat die ongegrond was. De afwijzing van het gevorderde heeft op grond van artikel 236 lid 1 Rv dan ook bindende kracht, aldus nog steeds de kantonrechter in het bestreden eindvonnis. Met betrekking tot de overweging ten overvloede in 3.3. van het arrest van 28 juni 2016 heeft de kantonrechter overwogen dat het hof daarbij niet kenbaar onder ogen heeft gezien of een vordering op die grondslag nog mogelijk zou zijn gezien het gezag van gewijsde van het vonnis van de kantonrechter van 15 juli 2014, zoals door het hof in 2016 bekrachtigd, maar dat dat in het midden kon blijven omdat de vordering in de onderhavige procedure niet was gebaseerd op de stelling dat mr. [Y] minder uren aan de zaak heeft besteed dan overeenkomt met de betalingen, maar op de stelling dat hij bepaalde overeengekomen werkzaamheden niet heeft verricht.

3.3

Met grief 1 bestrijden [X] c.s. een overweging in het incidentele vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel waarbij die kantonrechter zich op grond van artikel 99 Rv. relatief onbevoegd heeft verklaard en de zaak van [X] en [X sr.] tegen [Y] BV heeft verwezen naar de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam. De grief faalt, omdat tegen een dergelijk vonnis op grond van artikel 110, lid 3 Rv geen hogere voorziening is toegelaten. Bovendien hebben [X] c.s. bij hun klacht inhoudelijk ook geen belang, omdat het antwoord dat de kantonrechter in het kader van het bevoegdheidsincident heeft gegeven op de vraag of [X sr.] en [X jr.] de overeenkomst met [Y] BV als consumenten zijn aangegaan, in de hoofdzaak niet bindend is, voor zover al relevant.

3.4

Grief 2 houdt in dat de kantonrechter in het bestreden vonnis onder het verloop van de procedure heeft vermeld dat na het tussenvonnis in beide gevoegde zaken gelijkluidende processtukken zijn ingediend, maar heeft verzuimd te vermelden dat de door [Y] BV in de beide zaken genomen conclusies van antwoord op enkele punten van elkaar verschillen. Voor zover relevant zal het hof met die verschillen rekening houden.

3.5

De grieven 9 tot en met 16 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met die grieven bestrijden [X] c.s. de overwegingen 7 tot en met 15 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter heeft beargumenteerd waarom het beroep van [Y] BV op het gezag van gewijsde slaagt. [X] c.s. betwisten dat over hun op onverschuldigde betaling gebaseerde vordering reeds een rechterlijk oordeel is gegeven waaraan gezag van gewijsde toekomt.

3.6

In het vonnis van 15 juli 2014 heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 3.3. de op onverschuldigde betaling gebaseerde vordering van [X] c.s. behandeld. Deze vordering is afgewezen op grond van de overweging dat partijen geen vast honorarium, maar een uurprijs met een maximumtotaalbedrag zijn overeenkomen en het aantal gedeclareerde uren overeenstemt met de verrichte werkzaamheden. Dit oordeel van de kantonrechter raakt de vordering uit onverschuldigde betaling zowel voor zover die is gebaseerd op de stelling dat niet alle overeengekomen werkzaamheden zijn verricht, als voor zover die is gebaseerd op de stelling dat voor de wel verrichte werkzaamheden een te groot aantal uren is gedeclareerd. Beide stellingen zijn in de processtukken van [X] c.s. in de eerste procedure tegen [Y] BV te lezen (zie hiervoor onder 2.3 sub g).

3.7

In grief 12 erkennen [X] c.s. met zoveel woorden dat de op onverschuldigde betaling gegronde vordering in het vonnis van 15 juli 2014 al is afgewezen. Zij zijn echter van mening dat aan dat oordeel geen gezag van gewijsde toekomt, omdat zij na de eiswijziging in hoger beroep hun vordering in die procedure niet langer op onverschuldigde betaling baseerden, zodat het hof in het arrest van 28 juni 2016 over dat onderdeel van het vonnis van 15 juli 2014 geen oordeel heeft gegeven. Bovendien menen zij blijkens grief 9 dat het oordeel van de kantonrechter in 3.3 van het vonnis van 15 juli 2014 geen gezag van gewijsde toekomt omdat het ten overvloede is gegeven, wat zou blijken uit het feit dat het aanvangt met de woorden “Voor zover [X sr.] en [X jr.] bedoeld hebben”.

3.8

De kantonrechter heeft in het vonnis van 15 juli 2014 de op onverschuldigde betaling gebaseerde vordering ongegrond geoordeeld. [X] c.s. en [X sr.] hebben hun vordering in hoger beroep vervolgens nog slechts gebaseerd op wanprestatie. Die wijziging van (de grondslag van de) eis bracht mee dat het hof in 2016 niet meer kon, althans hoefde te oordelen over de vordering uit onverschuldigde betaling. Aldus hebben [X] c.s. zich in processuele zin neergelegd bij het oordeel van de kantonrechter over die vordering, dat daardoor gezag van gewijsde heeft gekregen. Aan dat gezag van gewijsde staat niet in de weg dat de kantonrechter in de aanhef van overweging 3.3. tot uitdrukking heeft gebracht dat er twijfel mogelijk was over wat [X] c.s. nu precies bedoelden. In grief 12 in de onderhavige procedure hebben [X] c.s. erkend dat zij in de vorige procedure in eerste aanleg inderdaad hebben beoogd een vordering uit onverschuldigde betaling in te stellen, wat betekent dat de kantonrechter het standpunt van [X] c.s. goed heeft begrepen. Het oordeel in 3.3. was dus geen overweging ten overvloede, maar een dragend rechtsoordeel, waaraan gezag van gewijsde toekomt nu het in hoger beroep niet (tijdig) is bestreden.

3.9

In de eerste aanleg en het hoger beroep van de onderhavige (tweede) procedure tussen [X] c.s. en [Y] BV hebben [X] c.s. wederom gesteld dat zij aan [Y] BV onverschuldigd hebben betaald omdat niet alle overeengekomen werkzaamheden zijn verricht en/of meer uren zijn gedeclareerd dan overeenkomt met de verrichte werkzaamheden. Dit zijn dezelfde feitelijke en juridische grondslagen als in eerste aanleg in de eerste procedure tussen partijen aan de orde waren. Het gezag van gewijsde van het eerdere afwijzende oordeel in het vonnis van 15 juli 2014 staat dan ook aan toewijzing van de vordering van [X] c.s. in de weg. De grieven 9 tot en met 16 missen dus doel.

3.10

De laatste grief, grief 17, bouwt grotendeels voort op de hiervoor reeds verworpen grieven 9 tot en met 16. Voorts bevat deze grief de klacht dat de kantonrechter in het tussenvonnis van 13 april 2018 ten onrechte geen verschijning van partijen heeft gelast en zo [X] c.s. nodeloos op kosten heeft gejaagd. Om dezelfde reden bestrijden [X] c.s. de omvang van de proceskostenveroordeling. Deze klacht miskent dat op grond van het bepaalde in artikel 131 Rv tegen de beslissing om geen verschijning van partijen te gelasten, geen hoger beroep open staat. Andere gronden om de kosten van de conclusiewisseling na het tussenvonnis voor rekening van [Y] BV te laten zijn naar het oordeel van het hof niet aanwezig.

3.11

Grief 7 betreft eveneens de proceskostenveroordeling. [X] c.s. voeren aan dat de kantonrechter [X] c.s. ten onrechte hoofdelijk in de proceskosten heeft veroordeeld, omdat [Y] BV die hoofdelijkheid alleen in de zaak van [X] en [X sr.] heeft gevorderd en niet in de zaak van [X jr.] Deze grief heeft geen succes. Voor zover de kantonrechter geacht kan worden hier buiten de rechtsstrijd van partijen te zijn getreden, is dat in hoger beroep geredresseerd door de formulering door [Y] BV van haar petitum in hoger beroep.

3.12

Grief 8 ontbreekt.

3.13

Alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [X] c.s. hebben geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat hun bewijsaanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [X] c.s. hoofdelijk worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X] c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [Y] BV begroot op € 741,= aan verschotten en € 1.074,= voor salaris en € 157,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Haanappel-van der Burg, J.C.W. Rang en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.