Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:642

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
200.220.178/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

: huur bedrijfsruimte; vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2018:3394; huurder geslaagd in bewijs dat partijen met ingang van 1 mei 2014 een nieuwe huurovereenkomst zijn aangegaan, waarbij ieder met inachtneming van een termijn van een maand de huur kon opzeggen en dat verhuurder heeft ingestemd met de door huurder verzonden opzegging; huurder heeft (uitsluitend) zichzelf als getuige doen horen; deze verklaring en schriftelijke verklaring van een derde acht hof voldoende om tot de conclusie te komen dat huurder in het hem opgedragen bewijs is geslaagd; weliswaar heeft verhuurder voornoemde verklaringen weersproken maar hij heeft zijnerzijds geen getuigenverklaring afgelegd of stukken overgelegd die het hof tot een ander oordeel brengen; vernietiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.220.178/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: 5510375 CV EXPL 16-9317

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2020

inzake

[appellant] ,

handelend onder de namen Moves! Hoorn en Moves! Medemblik,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. M. Sliphorst-Dekker te Purmerend (onttrokken),

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [X] Installatie Techniek,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Y.A.R. Seen te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [X] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 18 september 2018 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot die datum wordt verwezen naar dat tussenarrest.

Na het tussenarrest heeft het hof op 9 januari 2019 aan de zijde van [appellant] de partij zelf als getuige gehoord. Van dit getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt.

Nadien hebben partijen de volgende stukken overgelegd:

- akte aan de zijde van [X] , met producties;

- antwoordakte aan de zijde van [appellant] .

Ten slotte hebben partijen andermaal arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen het in genoemd tussenarrest heeft overwogen in het kader van de behandeling van de grieven 1 tot en met 6 en grief 11. In dat arrest heeft het hof onder 3.5.1 tot en met 3.7 overwogen dat het aan [appellant] is om bewijs te leveren van zijn stellingen

- dat partijen met ingang van 1 mei 2014 een nieuwe huurovereenkomst zijn aangegaan waarbij zij allebei te allen tijde met inachtneming van een termijn van één maand de huur konden opzeggen;

- dat [X] heeft ingestemd met de door [appellant] op 31 mei 2015 verzonden opzegging;

- dat [X] heeft toegezegd de verhoogde kosten voor de nutsvoorzieningen ten bedrage van € 401,09 aan [appellant] te betalen.

Aangezien [appellant] nader bewijs heeft aangeboden door middel van het horen van getuigen, heeft het hof hem toegelaten tot bewijslevering.

2.2

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft [appellant] (uitsluitend) zichzelf als getuige doen horen.

2.2.1

[appellant] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

(…)

Na de opzegging van de huurovereenkomst van meneer [X] in september 2013 en voor mijn opzegging van 31 mei 2015 is er het volgend gebeurd. Meneer [X] had het gehuurde zelf nodig. Dat was ook de reden van opzegging. (…). Een paar maanden voordat het huurcontract afliep, volgens mij was dat februari, heb ik een gesprek gehad met de heer [X] . Bij dat gesprek was ook mevrouw [A] aanwezig. Ik vroeg toen of ik nog even kon blijven, tegen betaling van hetzelfde tarief en met een maand opzegtermijn. Ik noem dat een gebruiksovereenkomst. Wij hebben dat toen besproken en de heer [X] ging daarmee akkoord. De opzegtermijn van een maand gold voor beide partijen. Dit was wel tricky want ik heb een bedrijf.

Het is tussen ons niet aan de orde gekomen om deze afspraak schriftelijk vast te leggen. Het is geen nieuwe overeenkomst. Met mijn opmerking dat het geen nieuwe overeenkomst is bedoel ik dat het contract was opgezegd en dat deze afspraak voor de time being was. Liefst zo snel mogelijk, voor de heer [X] omdat hij het contract had opgezegd en voor mij omdat ik op zoek was naar een nieuwe locatie en ook was het van belang voor de continuïteit van mijn bedrijf. De relatie met de heer [X] was goed, van beide kanten was er geen behoefte om de afspraak op schrift te zetten.

Mevrouw [A] was mijn partner en zij heeft in de periode dat ik in de gehuurde bedrijfsruimte van de heer [X] zat voor mij de administratie gedaan, de mails en de website onderhouden. Verder was zij bij alle gesprekken aanwezig die ik met de heer [X] heb gevoerd.

Ik heb de overeenkomst in mei 2015 opgezegd omdat ik een ruimte had gevonden in [plaats] , anderhalve kilometer verder. Dat heb ik gedaan met inachtneming van de afgesproken opzegtermijn van een maand.

Op uw vraag waarom de heer [X] in zijn mail van 8 juli 2015 heeft aangeboden mij te willen helpen met een stukje pormotie of reclame, antwoord ik dat ik die mail niet snapte. Ik heb hem ook gevraagd “hoe bedoel je dat?”. Wij kwamen elkaar tegen in de dansschool en toen kwam ter sprake dat hij mij die mail had gestuurd. Ik heb toen gezegd “Hoe bedoel je dat?”. Ik zal gezegd hebben “ik zal er naar kijken. Mail het nog maar even.”. Ik snapte die mail niet, want hij had toch opgezegd.

Nadat ik de mail van 31 mei 2015 had gestuurd heb ik hem gebeld en gezegd dat ik naar [plaats] ging. Dat was naar aanleiding van de vraag van de heer [X] waarom ik had opgezegd. Bij het telefoongesprek dat ik met de heer [X] heb gevoerd was ook mevrouw [A] aanwezig. Mevrouw [A] zat er naast toen ik de heer [X] belde. De telefoon stond niet op de speaker maar zij kon het gewoon horen.

De reactie van de heer [X] was heel relaxed, hij zei “oké, bedankt voor het doorgeven en succes.”. Wij hebben het er toen (…) kort over gehad dat ik binnen een maand het pand zou leeghalen.

In mijn mail van 1 augustus 2015 noem ik een bespreking die op 31 juli 2015 heeft plaatsgevonden. Dat was een gesprek in het pand van de heer [X] , het was een eindinspectie waarbij wij alles zijn nagelopen. Daarbij was ook mevrouw [A] aanwezig.

Tijdens die bespreking op 31 juli 2015 hebben we alles nagelopen, gekeken of de vloer netjes was, de spiegels weggehaald en gekeken of er geen gaten in de muur zaten. Ik heb toen nog gevraagd of de grote platen met de naam van de dansschool weg moesten maar het was geen probleem om die later op te halen. Er is toen afgesproken dat ik die platen de maandag erop zou komen ophalen. (…) Wij hebben nog foto’s gemaakt van de meterkast, hij heeft mij de modem gegeven en ik vroeg nog hoe het moest met de sleutels. De heer [X] zei dat als ik de platen had opgehaald dat hij nieuwe sloten op de deur zou doen.

Ik heb de heer [X] gemaild dat de kosten van energie veel hoger waren en hem ook de specificatie daarvan gestuurd. De heer [X] zei dat het waarschijnlijk kwam door Poolse werknemers maar dat hij daarnaar zou kijken en het netjes zou oplossen. Deze discussie over de hogere energiekosten was ruim daarvoor, dat staat los van het feit dat ik wegging.

In de mail die ik heb gestuurd staat een bedrag genoemd van ongeveer € 400,-. Die naheffing van de NUON was dat bedrag van ongeveer € 400,-.

(…)

Tijdens het gesprek dat ik in februari 2014 met de heer [X] heb gehad heeft hij niet gezegd dat hij de opzegging introk.

De relatie met de heer [X] was goed. (…)

Toen ik de huurovereenkomst had opgezegd bleef het contact hetzelfde, namelijk goed. Wij zagen elkaar nadat ik had opgezegd even vaak.(…)

De heer [X] heeft in die periode nooit gezegd dat hij het niet eens was met de opzegging.

(…)

Toen ik van het gehuurde gebruik maakte stuurde de heer [X] mij altijd facturen. Hij stuurde deze facturen in principe iedere maand. Ik heb na mijn opzegging volgens mij in november van dat jaar een aantal facturen ontvangen en toen in het jaar daarna nog een keer in februari en daarna nooit meer.

(…)

Alle afspraken die er met de heer [X] zijn geweest, vonden plaats in de avonduren. Ik bedoel bijna alle afspraken, want de eindinspectie vond overdag plaats. Volgens mij was dat in de middag, de exacte tijd weet ik niet meer. (…)

De gesprekken met de heer [X] vonden plaats bij de heer [X] thuis.

(…)

2.2.2

Het hof stelt vast dat [appellant] uitsluitend zichzelf als getuige heeft gehoord en niet [A] , die volgens [appellant] aanwezig is geweest bij alle gesprekken tussen hem en [X] . [appellant] heeft wel een schriftelijke verklaring van [A] overgelegd (conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie, productie IX). [X] heeft niet zichzelf en/of anderen als getuige(n) laten horen.

2.2.3

De verklaring van [appellant] is een partijgetuigenverklaring die op grond van art. 164 lid 1 Rv als bewijsmiddel is toegelaten. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig art. 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).

2.2.4

De verklaring van [appellant] strekt er toe dat een paar maanden voordat het huurcontract afliep (per 30 april 2014, hof) [appellant] een gesprek met [X] heeft gehad in aanwezigheid van [A] , met het verzoek of hij nog even in het pand kon blijven tegen betaling van hetzelfde tarief en met een maand opzegtermijn voor beide partijen, waarmee [X] akkoord is gegaan (eerste bewijsonderdeel). Ook de overgelegde schriftelijke verklaring van [A] wijst in die richting; daarin verklaart zij dat tijdens een gesprek waarbij zij ook aanwezig was [X] aangaf dat [appellant] nog wel enige tijd gebruik kon maken van het pand en als hij, [X] , het nodig had dit een maand tevoren zou laten weten en ook [appellant] bij het vinden van een geschikte locatie dit een maand tevoren zou aangeven.

2.2.5

Voorts strekt de getuigenverklaring van [appellant] er toe dat [X] heeft ingestemd met de door [appellant] op 31 mei 2015 verzonden opzegging (tweede bewijsonderdeel). [appellant] verklaart na het versturen van de mail een telefoongesprek met [X] te hebben gevoerd en hem te hebben gezegd dat hij naar [plaats] ging; toen hij [X] belde zat [A] naast hem en zij kon het gewoon horen, aldus [appellant] . Volgens [appellant] was de reactie van [X] heel relaxed (“oké, bedankt voor het doorgeven en succes.”). [appellant] verklaart dat op 31 juli 2015 een eindinspectie in het pand van [X] heeft plaatsgevonden, waarbij zij alles hebben nagelopen, foto’s van de meterkast hebben gemaakt en waarbij ook [A] aanwezig was. Er is toen afgesproken dat [appellant] de platen met de naam van de dansschool de maandag erop zou komen ophalen en als hij de platen had opgehaald [X] nieuwe sloten op de deur zou doen.

Ook de eerder genoemde schriftelijke verklaring van [A] wijst op instemming van [X] met de opzegging door [appellant] . [A] verklaart over de eindinspectie dat [X] “alles dik in orde” vond, volledig meewerkte tijdens de ontruiming en eindinspectie van het pand en er met geen woord over heeft gerept dat de mondelinge overeenkomst niet meer geldig was. Volgens [A] namen [X] en [appellant] samen de meterstanden op en maakte [appellant] (hof: [appellant] ) voor de zekerheid foto’s van deze meterstanden zodat deze juist zouden doorkomen. Over het inleveren van de sleutels verklaart [A] dat [appellant] [X] de sleutels wilde overhandigen maar dat dit niet nodig was omdat [X] er toch nieuwe sloten op liet zetten.

2.2.6

Ten slotte bevestigt [appellant] als getuige dat [X] heeft toegezegd de verhoogde kosten voor de nutsvoorzieningen ten bedrage van € 401,09 aan [appellant] te betalen (derde bewijsonderdeel). Volgens [appellant] zei [X] dat de oorzaak van de hogere energiekosten waarschijnlijk kwam door Poolse werknemers maar dat hij daarnaar zou kijken en het netjes zou oplossen.

Ook volgens de schriftelijke verklaring van [A] heeft [X] aangegeven de bijbetaling aan NUON te zullen vergoeden, die het gevolg was van het feit dat gedurende enige tijd Poolse mannen gehuisvest waren op de begane grond van het pand, waardoor het stroomgebruik aanzienlijk was opgelopen.

2.2.7

Het hof acht de verklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig en acht voorts de getuigenverklaring van [appellant] en de schriftelijke verklaring van [A] voldoende om tot de conclusie te komen dat [appellant] in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. Weliswaar heeft [X] voornoemde verklaringen weersproken maar hij heeft zijnerzijds geen getuigenverklaring afgelegd of stukken overgelegd die het hof tot een ander oordeel brengen. Het hof betrekt bij deze conclusie dat het voor de hand had gelegen dat [X] , na de verklaringen van [appellant] als getuige, op zijn beurt als getuige onder ede zou hebben verklaard wat er volgens hem is gebeurd.

2.2.8

De conclusie is dat [appellant] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs en de grieven 1 tot en met 6 en grief 11 succes hebben. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [X] in conventie (afgifte sleutels; betaling huur) alsnog zullen worden afgewezen en de reconventionele vordering van [appellant] tot terugbetaling van € 401,09 aan teveel betaalde nutskosten zal worden toegewezen.

2.3

Het slagen van voornoemde grieven heeft tot gevolg dat ook de grieven 7 tot en met 9, gericht tegen toewijzing van (achtereenvolgens) de door [X] gevorderde boete, buitengerechtelijke kosten en wettelijke handelsrente, succes hebben. Deze vorderingen van [X] zullen alsnog worden afgewezen.

2.4

Het hof zal het bestreden vonnis in conventie en in reconventie om proceseconomische redenen geheel vernietigen als na te melden. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. De grieven 10 en 12 die gericht zijn tegen afwijzing van de proceskosten behoeven geen behandeling meer.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 10 mei 2017, zowel in conventie als in reconventie gewezen, en opnieuw rechtdoende:

in conventie

wijst de vorderingen alsnog geheel af;

in reconventie

veroordeelt [X] tot betaling aan [appellant] van € 1.901,09 (waarborgsom ad € 1.500 + nutskosten ad € 401,09) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 januari 2017 tot aan de dag van de algehele betaling;

in conventie en reconventie

veroordeelt [X] in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg begroot op € 900,-- voor salaris en in hoger beroep tot op heden begroot op € 393,42 aan verschotten en € 2.685,-- voor salaris en op € 157,-- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 82,-- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in geval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot de dag van voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, J.C. Toorman en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.