Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:605

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
23-002012-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

jeugdzaak, medeplegen opzetheling bromfiets en diefstal met braak uit woning, bewijsverweren, JD 90 dagen MA, geen voorwaardelijk strafdeel/reclasseringstoezicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002012-19

datum uitspraak: 27 februari 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741204-18 (A), 13/109488-18 (B) en 13-684122-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

GBA adres: [adres 1],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het in zaak B onder 1 en onder 2 ten laste gelegde. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is in zaak A ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 26 september 2018 tot en met 27 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een scooter/bromfiets (merk AGM, kenteken [kenteken]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.
hij op of omstreeks 14 februari 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning gelegen aan het [adres 2]) heeft weggenomen een playstation en/of een controller en/of een call of duty en/of een track mania turbo en/of een cash bandicoot en/of een GTA5 en/of een minecraft en/of een of meer micro machines world series en/of een motorcycle club en/of een Ipad (merk Apple) en/of een horloge en/of een of meer manchet knopen en/of een bril en/of een notebook (merk Asus) en/of een tablet (Samsung Galaxy Tab 2 10.1), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die woning heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op of verbreking van een ruit/raam van de tuindeur van voornoemde woning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd nu het hof tot een enigszins andere beslissing komt ten aanzien van de bewezenverklaring en een andere strafoplegging.

Bespreking bewijsverweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van de hem ten laste gelegde feiten. De verdachte ontkent beide ten laste gelegde feiten stellig.

Ten aanzien van de ten laste gelegde heling van een bromfiets merkt de raadsman op dat de verdachte tevergeefs heeft verzocht om het uitkijken van camerabeelden. De verbalisanten hebben de verdachte niet herkend als een van de jongens op de bromfiets, evenmin hebben zij gezien dat de verdachte van de bromfiets is afgestapt. De verbalisanten zijn de bestuurder en passagier op de bromfiets langer dan twee seconden uit het oog verloren. Het is zeer wel denkbaar dat de tweede persoon op de bromfiets in die tijdspanne uit het zicht van de verbalisanten is verdwenen door dan wel over de muur te klimmen dan wel in de bosjes aan het eind van de muur te verdwijnen en dat de verdachte door de verbalisanten per abuis voor hem is aangezien.

Ten aanzien van de ten laste gelegde woninginbraak heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte slechts uit nieuwsgierigheid bij de woning is gaan kijken. Hij heeft door het gat in de deur het gordijn aan de kant geschoven, waardoor bloed van de verdachte op het gordijn terecht is gekomen. De verdachte is niet in de woning geweest; in de woning is, behalve op het gordijn, geen bloedspoor van de verdachte aangetroffen, hetgeen wel voor de hand had gelegen als de verdachte de woning met een bloedende hand was binnen getreden.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde heling de volgende feiten en omstandigheden vast. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat zij op 28 september (naar het hof begrijpt: 27 september 2018) in de nacht in een opvallend dienstvoertuig reden over het parkeerterrein van het [tankstation] tankstation te Amsterdam aan de Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam en de volgende observaties deden. Zij zagen vanaf het voetpad bij de Theodorus Dobberstraat een bromfiets komen aanrijden met daarop twee in het donker geklede jongens. Zij zagen dat de jongens in hun richting keken, schrokken, hun bromfiets onmiddellijk omkeerden en wegreden via het voetpad achter de Theodorus Dobberstraat richting het Gerbrandypark. De verbalisanten reden onmiddellijk achter de bromfiets aan. De verbalisanten hadden vanwege een muur ongeveer twee seconden geen zicht op de jongens. Daarna reden de verbalisanten het voetpad op en zagen zij de bromfiets op de zijkant tegen het muurtje liggen. De verbalisanten zagen dat de verlichting van de bromfiets nog brandde. Verbalisant [verbalisant 1] herkende de bromfiets als de bromfiets welke hij enkele seconden eerder zag rijden ter hoogte van de Theodorus Dobberstraat. De verbalisanten zagen op ongeveer anderhalve meter afstand van de bromfiets twee jongens. De verbalisanten zagen verder geen andere personen. De verbalisanten reden naar deze jongens toe en stopten vlakbij hen. Verbalisant [verbalisant 1] hield een van de jongens, te weten de verdachte, aan. Verbalisant [verbalisant 2] liep achter de tweede jongen aan, maar deze wist te ontkomen. Bij de raadsheer-commissaris heeft verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat hij de door hem aangehouden jongen eerder had waargenomen op de bromfiets. Hij herkende hem aan zijn kleding. Verbalisant [verbalisant 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat er geen mogelijkheid is dat de opzittenden van de bromfiets over het muurtje zijn geklommen en zo zijn weggekomen, nu het moment dat hij hen op de bromfiets zag en het moment dat hij hen bij de bromfiets op de grond zag, heel kort is geweest.

Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, waarbij de verdachte slechts een toevallige passant was en door de verbalisanten per abuis is aangezien voor een van de berijders van de bromfiets acht het hof niet aannemelijk geworden. Hierbij acht het hof van belang dat de verbalisanten de bromfiets slechts enkele seconden uit het oog zijn verloren, dat de personen op de bromfiets gelijkende kleding droegen als de verdachte aan had en de verbalisanten geen andere personen ter plaatse hebben gezien. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken het door de verdachte geschetste scenario zo onwaarschijnlijk dat het hof het niet aannemelijk acht. Dat zich bij het dossier geen camerabeelden bevinden van het incident maakt het voorgaande niet anders.

Uit de aangifte blijkt dat de aangetroffen bromfiets kort voordat de verdachte en de medeverdachte er op reden, te weten op 26 september 2018 tussen 18.30 en 22.00 uur, was gestolen. Op het moment dat verbalisant [verbalisant 1] de bromfiets tegen het muurtje zag liggen zag hij dat het contactslot was uitgeboord, dat er geen sleutels in het contact zaten en dat de buddyseat was opengebroken. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van de gestolen bromfiets. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bromfiets wist dat deze van misdrijf afkomstig was en zich tezamen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde woninginbraak de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 14 februari 2018 is bij een inbraak in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam een aantal goederen weggenomen toebehorende aan [slachtoffer]. Op de vloer naast de tuindeur van deze woning werd een baksteen aangetroffen, waarmee het glas van de tuindeur was ingegooid. Bij sporenonderzoek werd op het gordijn achter bedoelde tuindeur een bloedspoor aangetroffen. Dit spoor is veilig gesteld voor nader onderzoek. Uit DNA-onderzoek is vervolgens gebleken dat dit bloedspoor afkomstig kan zijn van de verdachte, met een matchkans kleiner dan één op een miljard. Dit spoor is naar het oordeel van het hof aan te merken als een daderspoor. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, waarbij de verdachte slechts uit nieuwsgierigheid polshoogte is gaan nemen bij de woning nadat hij het kapotte raam had ontdekt en de inbraak door een ander is gepleegd, acht het hof niet aannemelijk geworden. Daaraan doet niet af dat uit het dossier niet blijkt dat er meer bloedsporen in de woning zijn aangetroffen. Het hof merkt daartoe op dat onbekend is of daarnaar is gezocht en ook goed voorstelbaar is dat de politie heeft volstaan met het veiligstellen van het spoor op het gordijn. Bovendien ziet het hof geen reden om aan te nemen dat het bloeden niet kon worden gestelpt, zodat verdere verspreiding van sporen is voorkomen. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 27 september 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een scooter/bromfiets (merk AGM, kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen wisten, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op 14 februari 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan het [adres 2] heeft weggenomen een playstation en een controller en een call of duty en een track mania turbo en een cash bandicoot en een GTA5 en een minecraft en micro machines world series en een motorcycle club en een Ipad (merk Apple) en een horloge en manchet knopen en een bril en een notebook (merk Asus) en een tablet (Samsung Galaxy Tab 2 10.1), toebehorende aan [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak van een ruit van de tuindeur van voornoemde woning.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 24 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met algemene en bijzondere voorwaarden: te weten meewerken aan ambulante begeleiding gericht op schoolgang en/of (het vinden van) een (andere) dagbesteding en/of het vinden van passende huisvesting.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen waarvan 54 dagen voorwaardelijk, met algemene voorwaarden en een bijzondere voorwaarde, te weten het opvolgen van de aanwijzingen van de Reclassering Nederland. Voor het geval het hof geen bijzondere voorwaarde zal opleggen, heeft de advocaat-generaal jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 24 dagen voorwaardelijk gevorderd.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht bij het bepalen van een straf af te zien van verdere vrijheidsontneming. De verdachte heeft al 66 dagen in voorarrest doorgebracht en is nadien civielrechtelijk geplaats in Groot Emmaus, hetgeen door hem evenzeer als een straf is ervaren. Tevens dient te worden meegewogen dat de verdachte licht verstandelijk beperkt is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tezamen met een ander schuldig gemaakt aan opzetheling van een scooter. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor van misdrijf afkomstige goederen. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan inbraak in een woning. Hij heeft hierbij een ruit van de tuindeur van deze woning vernield en verschillende goederen weg genomen. De verdachte heeft hiermee schrik, schade en overlast bezorgd aan de bewoners van de woning en een inbreuk gemaakt op hun eigendomsrecht.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt voor een minderjarige first offender voor heling met een schade van meer dan 150 euro vanaf 30 uur taakstraf genoemd en voor inbraak in een woning 120 uur taakstraf dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie.

Strafverzwarend weegt het hof mee dat de verdachte de heling tezamen en in vereniging heeft gepleegd.

Verder weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee dat hij blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 januari 2020 eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens vermogensdelicten en in verband hiermee ten tijde van het plegen van de feiten in een proeftijd liep.

Het hof slaat acht op het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 januari 2020, opgesteld naar aanleiding van een andere dan onderhavige verdenkingen. In dit advies concludeert de Raad dat de verdachte zich niets lijkt aan te trekken van de strafmaat en eventuele bijzondere voorwaarden. Geadviseerd wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat de Raad voor de Kinderbescherming niet langer mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.

Ter terechtzitting heeft mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming toegelicht dat het geven van een advies in onderhavige zaken moeilijk is nu enerzijds de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft laten weten dat de verdachte niet bereid is gebleken aan hulpverlening mee te werken, maar dat anderzijds verdachte zelf ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij een baan wil en naar school wil gaan en dat hij daarbij een steuntje in de rug nodig heeft. Gebleken is ook dat het hem alleen niet lukt. Gelet hierop heeft zij het hof toch geadviseerd aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met algemene voorwaarden en een bijzondere voorwaarde: te weten hulp en toezicht door de Reclassering Nederland, toegespitst op wonen en dagbesteding.

Het hof overweegt dat de verdachte ter terechtzitting op geen enkele wijze de motivatie heeft getoond om te gaan samenwerken met de Reclassering Nederland. Gelet hierop, alsmede gelet op alle begeleiding die de verdachte al eerder is geboden maar waar hij geen gebruik van heeft gemaakt, acht het hof het niet zinvol om reclasseringstoezicht op te leggen. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Gelet op de houding van de verdachte en de hierboven genoemde omstandigheden – in het bijzonder het recidiveren van de verdachte tijdens de proeftijd - acht het hof een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2017 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het hof verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een tweetal strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen terzake van het in zaak B onder 1 en onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

PL1300-2018076847- 5560046, bril, Rayban, kleur wit

PL1300-2018076847-5560045, handschoen, 2 stuks, kleur zwart.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 november 2017, parketnummer 13-684122-17, te weten van:

taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.I.M. van Bergen, mr. C. Fetter en mr. H. Durdu, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2020.

De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]