Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:574

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
200.246.889/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6:162 BW. Aansprakelijkheid grondroerder voor schade aan laagspanningskabel wegens schending van de op hem rustende lokalisatieplicht na KLIC-melding zoals die voortvloeit uit de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces CROW 250.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:3797.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.246.889/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 6534137 \ CV EXPL 17-9180

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 februari 2020

inzake

LIANDER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

appellante,

advocaat: mr. F.J. van Velsen te Haarlem,

tegen

[X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C.J. Jonckers te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Liander en [X] genoemd.

Liander is bij dagvaarding van 16 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton (hierna: de kantonrechter) van 13 juni 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Liander als eiseres en [X] als gedaagde.

Het hof heeft bij arrest van 16 oktober 2018 een comparitie van partijen gelast.

Nadat partijen eenstemmig hadden laten weten geen comparitie te wensen, is de zaak naar de rol verwezen voor memorie van grieven aan de zijde van Liander.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 9 december 2019 doen bepleiten, Liander door mr. F.I.S.A.L. van Velsen, advocaat te Haarlem, en [X] door mr. Jonckers voornoemd en P.W. den Hollander, beiden advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.

Liander heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog [X] zal veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan Liander te voldoen de somma ad € 6.702,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom ad € 5.948,60 vanaf de dag van de inleidende dagvaarding (21 november 2017), tot aan die van de algehele betaling, met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties.

[X] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Liander in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

[X] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 en 2.2 de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Daar waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

Liander is regionaal netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 in onder meer de provincie Noord-Holland. [X] is een aannemingsbedrijf.

2.3

[X] heeft in februari 2016 een dam aangelegd in de sloot ter hoogte van een woning aan de [adres] om zo een oprit naar de woning te maken. Hiervoor heeft zij twee damwanden in de grond getrild met een kraan, haaks op de walkanten. Deze damwanden bestaan elk uit een aantal planken die één voor één zijn ingetrild. Bij het intrillen van één van de laatste planken is een hoogspanningskabel beschadigd geraakt. Liander heeft de schade hersteld.

2.4

Begin februari 2016 heeft [X] in verband met de voorgenomen werkzaamheden een zogenaamde KLIC-melding gedaan (geregistreerd onder nummer: [nummer] ).

2.5

Op een zeker moment is ter hoogte van de [adres] een laagspanningskabel van Liander (hierna: de laagspanningskabel) beschadigd geraakt.

3 Beoordeling

3.1

Centraal in dit geschil staat de vraag of [X] tegenover Liander aansprakelijk is voor schade die is toegebracht aan de laagspanningskabel van Liander zoals Liander die op 8 april 2016 stelt te hebben geconstateerd en hersteld op de locatie [adres] . Liander heeft in eerste aanleg veroordeling van [X] gevorderd tot vergoeding van de schade die zij in verband met de beschadiging van de laagspanningskabel heeft geleden, vermeerderd met kosten en rente.

3.2

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de stelling van Liander dat [X] op grond van een onrechtmatige daad gehouden is haar schade te vergoeden, niet (tijdig) voldoende onderbouwd geacht. De kantonrechter heeft de vorderingen van Liander daarom afgewezen.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Liander met haar grieven op. Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Liander onvoldoende (tijdig) heeft onderbouwd dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld. Grief 2 bestrijdt de weigering door de kantonrechter van producties van Liander die betrekking hebben op de schade aan de laagspanningskabel en die reeds bij [X] bekend waren. Grief 3 keert zich tegen het oordeel dat het, gezien het niet-ontvankelijkheidsverweer van [X] , op de weg van Liander had gelegen om haar overeenkomst met Geko Infraschade B.V. te Haarlem (hierna: Geko) in het geding te brengen. Grief 4 ziet op de afwijzing van de vorderingen van Liander en de proceskostenveroordeling.

Deze grieven zijn door [X] bestreden.

3.4

Het meest verstrekkende verweer van [X] is dat Liander niet bevoegd is onderhavige vordering in stellen, omdat Liander deze aan Geko zou hebben gecedeerd. Liander heeft gemotiveerd betwist dat zij haar vorderingen heeft gecedeerd. Geko is volgens haar enkel dossierhoudster geworden en heeft slechts medegedeeld de zaak namens Liander krachtens volledige volmacht af te wikkelen. In lijn met het betoog van Liander is het hof van oordeel dat de aan [X] gedane mededeling dat het dossier ter finale afwikkeling is overgedragen en de kwestie dus niet met Liander zelf kan worden afgedaan onvoldoende is om de stelling te kunnen dragen dat de vordering is overgedragen. Dit verweer van [X] wordt dan ook verworpen.

3.5

Liander legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [X] tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat bij de werkzaamheden van [X] aan een van de damwanden een laagspanningskabel zodanig naar beneden is gedrukt dat deze daarbij beschadigd is geraakt. De kabel is enkele weken later in storing getreden. Ter onderbouwing hiervan heeft Liander een uitdraai overgelegd uit haar storingsadministratie alsook een schaderapport en een aantal foto’s van het schadebeeld. Hieruit blijkt dat Liander in de ochtend van 8 april 2016 een storingsmelding heeft ontvangen van de bewoner aan de [adres] die inhoudt dat de elektriciteit aldaar is uitgevallen. Voorts blijkt hieruit dat door onderzoek van een storingsmonteur en inzet van een meetwagen geconstateerd is dat op de locatie [adres] schade aan een laagspanningskabel van Liander is ontstaan. Het in dit verband opgemaakte schaderapport vermeldt als ‘omschrijving schadevoorval’: ‘bij het slaan van damwand de hoofdkabel naar beneden geslagen +- 4 weken geleden’. Met de overgelegde foto’s die op 8 april 2016 zijn gemaakt wil Liander in beeld brengen dat de kabelbeschadiging is aangetroffen onder een van de door [X] geslagen houten damwandplanken. Liander verwijt [X] dat zij in strijd met de ‘Voorwaarden bij uitvoering van werkzaamheden door derden nabij Liander infrastructuren’ en de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces CROW 250 (hierna ook: de Richtlijn) binnen een afstand van 2 meter van de vermelde locatie van een laagspanningskabel damwandplanken heeft geplaatst, zonder voorafgaand contact op te nemen met de afdeling schadepreventie van Liander en voorts dat [X] voorafgaande aan de grondroering niet de precieze ligging van de kabel op de locatie heeft vastgesteld, ofschoon zij dit op grond van de Richtlijn wel had moeten doen.

3.6

[X] stelt hiertegenover dat uit het door Liander overgelegde bewijsmateriaal niet volgt (i) dat een laagspanningskabel is geraakt, (ii) voor zover een laagspanningskabel is geraakt, dat die in de periode dat [X] werkzaamheden heeft verricht is geraakt, en/of (iii) dat [X] degene is die de laagspanningskabel heeft geraakt. Zelfs al zou [X] die kabel wel hebben geraakt, dan acht zij zich daarvoor niet aansprakelijk, omdat zij in haar ogen alle vereiste voorzorgsmaatregelen heeft genomen. De schade aan de laagspanningskabel heeft volgens haar andere oorzaken. Liander heeft immers zelf gedurende meer dan een week omvangrijke graaf- en grondwerkzaamheden ter plaatse verricht dan wel laten verrichten ter reparatie van de eerder beschadigde hoogspanningskabel. Verder betoogt [X] dat de schade willekeurig is begroot.

3.7

Naar het oordeel van het hof heeft Liander door overlegging van de uitdraai uit haar storingsadministratie, het door haar opgemaakte schaderapport en de door haar gemaakte foto’s alsmede haar toelichting daarop voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op 8 april 2016 heeft geconstateerd dat haar laagspanningskabel beschadigd is geraakt doordat deze naar beneden is gedrukt door een door [X] geslagen damwandplank. Hetgeen [X] daartegenin brengt, is niet voldoende gesubstantieerd en het beeld dat uit de overgelegde stukken spreekt en de toelichting daarop van Liander heeft [X] niet met voldoende concrete feiten weerlegd. De verweren van [X] dat uit de foto’s niet onomstotelijk blijkt dat de schade aldaar onder een damwandplank is geconstateerd en dat iedereen van alles in een eigen rapport kan opschrijven, leggen in het licht van de gemotiveerde stellingen van Liander onvoldoende gewicht in de schaal, zodat het hof daaraan voorbij gaat. [X] heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting van Liander, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Liander zelf de laagspanningskabel heeft beschadigd bij haar werkzaamheden in het kader van het herstel van de schade aan de hoogspanningskabel ter plaatse. Dit volgt niet reeds uit het enkele feit dat Liander in het kader van het herstel van de beschadigde hoogspanningskabel ter plaatse omvangrijke graaf- en grondverzetwerkzaamheden heeft uitgevoerd gedurende meer dan een week in de periode voordat de schade aan de laagspanningskabel werd geconstateerd, zoals [X] ten bewijze aanbiedt. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Liander overtuigend weersproken dat uit overgelegde foto’s zou blijken dat de laagspanningskabel op dat moment nog onbeschadigd was. De bewijsaanbiedingen van [X] ter zake worden gepasseerd omdat zij niet zijn betrokken op voldoende concrete stellingen die van belang kunnen zijn voor de uitkomst van de zaak.

3.8

Het hof houdt het er daarom voor dat [X] bij zijn werkzaamheden aan de betreffende damwand de laagspanningskabel naar beneden heeft gedrukt als gevolg waarvan schade aan de kabel is ontstaan. Die schade is enkele weken later ontdekt, toen de kabel in storing is getreden. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of [X] zodoende een rechtsnorm heeft geschonden en voor de schade aansprakelijk is.

3.9

Volgens vaste rechtspraak dienen diegenen onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht (hierna: grondroerders) hun werkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten en rusten op hen zorgplichten ter voorkoming van het toebrengen van schade aan in de grond gelegen kabels en leidingen (HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:772). Daartoe dienen grondroerders volgens de in deze zaak toepasselijke Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) ten minste ervoor zorg te dragen dat voor aanvang van de werkzaamheden een graafmelding is gedaan, onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie en dat de ontvangen gebiedsinformatie over de ligging van het net op de graaflocatie aanwezig is. De rechter dient bij de invulling van de zorgplicht van een grondroerder in beginsel aan te sluiten bij de in dit geval toepasselijke Richtlijn Zorgvuldig Graafproces CROW 250. Indien hij in het concrete geval een daarvan afwijkende invulling van de zorgplicht wil geven, dient hij te motiveren welke omstandigheden rechtvaardigen dat in het concrete geval van de Richtlijn mocht worden afgeweken. In het geval van het slaan van een damwand vloeit uit de Richtlijn voort dat de plicht tot zorgvuldig graven met zich brengt dat binnen een strook van 1,50 meter rondom de ruimte waar daadwerkelijk wordt gegraven (het graafprofiel) kabels en leidingen die zich daar volgens de tekening van de leidingbeheerder bevinden, in beginsel worden gelokaliseerd. Uitgangspunt – volgens het in de Richtlijn vervatte Handelingsprotocol voor het graven van proefsleuven – is dat proefsleuven worden gegraven als zich volgens de tekening binnen 1,50 meter aan weerszijden van het graafprofiel kabels of leidingen bevinden.

3.10

Op basis van de overgelegde tekening kan worden vastgesteld dat de ligging van kabels van Liander, waaronder de beschadigde laagspanningskabel, zich binnen het voorziene graafprofiel voor de damwand bevindt of in ieder geval binnen het zoekgebied van 1,50 meter buiten het graafprofiel. [X] heeft weliswaar gesteld dat geen kabels of leidingen stonden ingetekend op de plaats waar de damwanden stonden ingetekend, maar daarmee miskent [X] dat voor de onderzoeksplicht van de grondroerder in het geval van het slaan van een damwand uit de Richtlijn voortvloeit dat binnen een strook van 1,50 meter rondom de ruimte waar daadwerkelijk wordt gegraven kabels en leidingen die zich daar volgens de tekening van de leidingbeheerder bevinden, moeten worden gelokaliseerd. Zelfs als de stelling van Liander dat het graafprofiel de hele dam omvat niet wordt gevolgd, maar het graafprofiel beperkt wordt uitgelegd zoals [X] ingang wil doen vinden, dan nog kan op basis van de tekeningen en foto’s die zijn overgelegd en ter gelegenheid van het pleidooi zijn getoond en toegelicht, worden vastgesteld dat de beschadigde laagspanningskabel zich volgens de door Liander aan [X] verstrekte gebiedsinformatie binnen een strook van 1,50 meter rondom dat graafprofiel bevond. Uit de maatvoering van de tekening die [X] op grond van de KLIC-melding heeft gekregen volgt dat de laagspanningskabel zich in het talud bevond en parallel liep aan de sloot op een afstand van ongeveer 2,5 meter (volgens Liander), of 3 meter (volgens [X] ) vanaf de slootkant. Uit de overgelegde foto’s (productie A5 en A11 bij memorie van grieven) blijkt verder dat de damwandplanken haaks vanaf de slootkant over een aanmerkelijke afstand (volgens Liander: 3 meter vanaf de slootkant) in het talud zijn getrild. Op basis van deze foto’s faalt het verweer van [X] (memorie van antwoord, 51) inhoudende dat de laagspanningskabel in ieder geval 3 meter van de walkant en dus ook 3 meter van de damwandplanken af lag.

3.11

Onder deze omstandigheden had [X] als grondroerder – naar het oordeel van het hof – in beginsel het gehele graafprofiel van de betreffende door haar aan te brengen damwand en tevens de bodem rondom over een afstand van 1,50 meter van het graafprofiel moeten onderzoeken om de kabel daadwerkelijk te lokaliseren. Omstandigheden die rechtvaardigen dat in dit concrete geval van de Richtlijn mocht worden afgeweken zijn niet gebleken. Dienaangaande heeft het hof de volgende stellingen van [X] in ogenschouw genomen, maar van onvoldoende gewicht bevonden. [X] stelt dat [A] (hierna: [A] ), een medewerker van Liander met wie de medewerkers van [X] contact hebben opgenomen, aan de medewerkers van [X] heeft bevestigd dat ter plaatse van het intrillen van de damwanden geen kabels of leidingen zouden liggen en dat [X] kon overgaan tot het intrillen van de damwanden. Liander heeft dit gemotiveerd betwist onder het overleggen van een op schrift gestelde ondubbelzinnige ontkenning van de gestelde mondelinge mededeling door de desbetreffende medewerker. [X] biedt ter zake (getuigen)bewijs aan. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de door [X] gestelde mededeling daadwerkelijk is gedaan. Het verweer van [X] stuit namelijk reeds af op de omstandigheid dat deze volgens [X] namens Liander verstrekte informatie en instemming niet schriftelijk is vastgelegd. De Richtlijn schrijft immers voor dat dergelijke contacten met de netbeheerder worden vastgelegd. Dat is onbetwist niet gebeurd. Dit betekent dat de blote betwisting door [X] van de waarheid van de overgelegde gemotiveerde schriftelijke verklaring van [A] (dat op het werk niet is gesproken over de ligging van de laagspanningskabel en dat hij op locatie nooit zou zeggen dat er geen kabels liggen) in het licht van artikel 149 Rv onvoldoende is en dat het hof aan het bewijsaanbod ter zake voorbijgaat. Voorts voert [X] aan proefsleuven te hebben gegraven op de plek waar de damwanden in de wal steken en de grond handmatig met steekpennen te hebben onderzocht. Zij erkent evenwel daarbij geen leidingen of kabels te hebben aangetroffen en de laagspanningskabel dus niet te hebben gelokaliseerd. Lokaliseren zoals in de Richtlijn voorgeschreven impliceert niet alleen zoeken, maar ook vinden. Onder deze omstandigheden had [X] op grond van de Richtlijn voorafgaande aan de uitvoering van het werk verder moeten zoeken totdat zij de kabel ter plaatse wel zou hebben gelokaliseerd ofwel hierover contact moeten opnemen met Liander. Dit brengt mee dat het bewijsaanbod van [X] met betrekking tot de door haar wel genomen voorzorgsmaatregelen moet worden gepasseerd, nu deze eventuele maatregelen niet kunnen afdoen aan de vaststelling dat zij de op haar rustende lokalisatieplicht heeft geschonden.

3.12

In het licht van voorgaande overwegingen oordeelt het hof dat van [X] meer zorgvuldigheid mocht worden verwacht. Door na te laten de ligging van de laagspanningskabel vast te stellen ter plaatse van de damwand, heeft zij onzorgvuldig en daarmee toerekenbaar onrechtmatig tegenover Liander gehandeld. Voor de schade die Liander dientengevolge heeft geleden is [X] naar het oordeel van het hof aansprakelijk.

3.13

Liander heeft gesteld dat haar schade bestaat uit een bedrag van € 5.948,60 aan herstelkosten, zoals gespecificeerd in de aan [X] gestuurde factuur d.d. 19 mei 2016, de wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag van de dagvaarding ad € 54,11, alsmede een bedrag van € 700,- voor kosten voor vaststelling van schade, aansprakelijkheid en verhaal, en nog oploopt met wettelijke rente. [X] heeft de schade van Liander betwist. Zij stelt dat Liander de schade en buitengerechtelijke kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd, onvoldoende heeft onderbouwd en niet heeft bewezen.

3.14

Dienaangaande hanteert het hof als uitgangspunt dat Liander als gevolg van de onrechtmatige beschadiging recht heeft op vergoeding van de naar objectieve maatstaven berekende herstelkosten. In het onderhavige geval heeft Liander een specificatie gegeven van de concrete kosten die zij bij het herstel op 8 april 2016 heeft gemaakt, bestaande uit kosten eigen personeel, materiaal kosten, compensatievergoedingen en kosten derden. Deze schadeopstelling is door [X] niet concreet bestreden, terwijl dit wel op haar weg had gelegen, zodat vergoeding van de hoofdsom, als niet voldoende betwist, kan worden toegewezen. Ook de gevorderde vergoeding van wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is toewijsbaar. Het hof volgt [X] niet in haar stellingname dat de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 700,- onder de werking van artikel 241 Rv vallen, althans niet naar aard en omvang redelijk zijn. Liander heeft de kosten toegelicht en beroept zich op vaste rechtspraak waaruit volgt dat het rechtens is dat Liander forfaitaire bedragen in rekening brengt voor de werkzaamheden van haar verhaalsafdeling die veelvuldig met schades als de onderhavige te maken heeft. Het hof stelt vast dat de omvang van de vordering aansluit bij de aanbevelingen die volgen uit het rapport Voorwerk II. Naar het oordeel van het hof voldoet de vordering aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW. Het hof zal ook deze vordering toewijzen.

3.15

De slotsom is dat grief 4 slaagt en dat Liander geen belang heeft bij een verdere bespreking van haar grieven. [X] heeft geen feiten te bewijzen aangeboden, die tot een ander oordeel aanleiding zouden kunnen geven, zodat het hof aan bewijslevering niet toekomt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vorderingen van Liander zullen alsnog worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. [X] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X] om tegen bewijs van kwijting aan Liander te voldoen een bedrag van € 6.702,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 5.948,60 vanaf 21 november 2017 tot aan de dag van de algehele betaling;

veroordeelt [X] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Liander begroot op € 470,- aan verschotten en € 625,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 726,- aan verschotten en € 2.277,- voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.L.M. Keirse en C.A.H.M. ten Dam en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2020.