Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:544

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
23-001434-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte mishandelde verschillende (jonge) vrouwen op straat, uitte een ernstige bedreiging en had seks met een minderjarig meisje.

Tbs met dwangverpleging: vanuit maatschappelijk oogpunt acht het hof het onverantwoord de verdachte de noodzakelijke behandeling te laten ondergaan in een kader van TBS met voorwaarden; de kans dat de verdachte niet aan de voorwaarden zal kunnen voldoen is daarvoor te groot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001434-18

datum uitspraak: 25 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2018 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-800300-17 en 15-800512-16, alsmede 15-223502-14 (TUL) tegen

[verdachte ] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1], in zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en met dien verstande dat het hof de motivering van de oplegging van de maatregel TBS met verpleging, alsmede de overwegingen met betrekking tot de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van de rechtbank aanvult. Tevens zal het hof de bewijsmiddelen aanvullen.

Aanvullend bewijsmiddel

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 11 februari 2020, inhoudende:

Ik voer geen verweer meer ten aanzien van de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten en accepteer de in het vonnis weergegeven bewezenverklaring van de rechtbank.

Oplegging van de maatregel TBS met verpleging

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde (naast een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden) veroordeeld tot de maatregel ter beschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om de verdachte een kans te geven en TBS met voorwaarden op te leggen, omdat TBS met verpleging een te ingrijpende maatregel zou zijn voor de verdachte.

Het hof overweegt met betrekking tot de TBS maatregel als volgt.

Het hof neemt (met uitzondering van de laatste zin, beginnend onderdaan pagina 15 van het vonnis) de motivering van de rechtbank zoals weergegeven in hoofdstuk 6.3.2. onder TBS met verpleging. over.

In aanvulling op de rapportages die in eerste aanleg zijn opgemaakt met betrekking tot de verdachte heeft de reclassering op 4 oktober 2019 aanvullend gerapporteerd. In dit rapport, opgemaakt door reclasseringswerker [reclasseringswerker], wordt overwogen:

“In het verleden is betrokkene verscheidene malen veroordeeld voor bedreiging, mishandeling en vernieling, en kreeg werkstraffen en voorwaardelijke straffen met verplicht reclasserings- en behandelcontact opgelegd. Daarnaast heeft hij diverse trajecten (zowel ambulant als in open en gesloten instellingen) doorlopen in zijn jeugd. Tot op heden heeft dit niet geleid tot een afname van het delictrisico. […] Zowel de psychiater als de psycholoog gaven aan dat de ernstige problematiek van de heer [verdachte ] langdurige behandeling vereist in een hoog beveiligde kliniek (FPK), teneinde het recidiverisico te kunnen laten afnemen. Destijds stond betrokkene geenszins open voor een dergelijke behandeling, en daarmee voor het kader tbs met voorwaarden. Om die reden zag de reclassering geen andere mogelijkheid dan tbs met verpleging te adviseren. Thans geeft de heer [verdachte ] aan zich wel te willen conformeren aan de voorwaarden, inclusief een (langdurig) klinische behandeling. Desalniettemin neemt hij nog altijd weinig verantwoordelijkheid voor het delictgedrag, waardoor GGZ Reclassering Fivoor twijfelt aan de intrinsieke motivatie van betrokkene. Het probleembesef lijkt gering.[..] Bij gebrek aan dwangmiddelen vereist tbs met voorwaarden een zekere vorm van probleeminzicht van de cliënt, teneinde commitment over de behandeling te bereiken. […] GGZ Reclassering Fivoor wil aantekenen dat we twijfels hebben over de haalbaarheid van adequaat risicomanagement en/of mogelijkheden voor gedragsverandering in dit kader.

Voorts zijn in dit rapport 16 voorwaarden geformuleerd waaraan de verdachte zich zou moeten houden in het kader van een TBS met voorwaarden, waaronder klinische behandeling.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij, anders dan voorheen, inmiddels bereid is mee te werken aan TBS met voorwaarden, zoals geformuleerd in voormeld rapport, omdat hij zo snel mogelijk bij zijn vriendin en kind wil wonen en van betekenis wil zijn voor zijn gezin.

De genoemde reclasseringswerker [reclasseringswerker] is als deskundige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. Hij heeft naar voren gebracht dat hij blijft bij hetgeen hij heeft verwoord in zijn rapport en dat er nog steeds sterke twijfels bestaan over de haalbaarheid van TBS met voorwaarden. Betwijfeld wordt of de attitudeverandering van de verdachte doorleefd is of voortkomt uit de lijdensdruk van de detentie en of de verdachte de verantwoordelijkheid van TBS met voorwaarden aan kan, mede omdat in het verleden ondanks diverse pogingen geen enkel hulpverleningstraject van de grond is gekomen.

Anders dan aanvankelijk de bedoeling was konden de rapporterende psychiater en psycholoog door omstandigheden niet binnen een aanvaardbare termijn aanvullend rapporteren dan wel ter zitting in hoger beroep worden gehoord. Deze deskundigen hebben derhalve geen geactualiseerd oordeel kunnen geven over de intrinsieke motivatie van de verdachte bij diens attitudeverandering ten opzichte van een behandeling. Met instemming van de verdediging en het openbaar ministere maakt het hof desalniettemin gebruik van hun rapportages van 4 december 2017, respectievelijk 26 november 2017. De inhoud van en overwegingen in die rapportages neemt het hof over en maakt deze tot de zijne.

Het hof ziet zich aldus voor de vraag gesteld of de enkele verklaring van de verdachte dat hij thans wel bereid is mee te werken aan de behandeling en te voldoen aan de overige voorwaarden in het kader van een TBS met voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering, zodanig kan overtuigen dat met oplegging van die maatregel kan worden volstaan. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de verdachte, afgestraft en onbehandeld, een groot gevaar blijft vormen voor de samenleving in het algemeen en voor de (fysieke) veiligheid van personen. Dit leidt het hof af uit voornoemde rapportages en rapporten en uit de delictsgeschiedenis van de verdachte, waaruit blijkt dat hij, na meerdere malen te zijn veroordeeld voor geweldsdelicten, zich in de onderhavige zaak in de periode van een jaar heeft schuldig gemaakt aan een zestal in ernst en heftigheid toenemende gewelddadige feiten jegens jonge en kwetsbare vrouwelijke slachtoffers, veelal in de relationele sfeer. Een van hen is de vrouw die destijds zwanger van hem was, met wie hij inmiddels een dochtertje heeft van drie jaar oud en met wie hij in gezinsverband wil gaan samenwonen zodra hij vrij komt. Uit zijn verklaring ter zitting blijkt dat hij met name daarom thans wil meewerken aan behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden. Desgevraagd heeft hij ter zitting in hoger beroep verklaard: “Als ik mijn leven weer wil oppakken zou ik gewoon moeten meewerken. Ik ben het nog steeds niet eens met TBS. Ik wil eigenlijk geen antwoord geven op de vraag of er iets met mij aan de hand is. Ik wil er gewoon zo snel mogelijk zijn voor mijn gezin”. Verder heeft de verdachte tijdens die zitting aangegeven tot een maand voor de zitting nog positief te zijn getest op cannabisgebruik in detentie, terwijl hij wist dat dat gebruik in niet onbelangrijke mate bijdraagt aan zijn problematiek en het abstineren van cannabis een van de vele voorwaarden is die aan een eventuele TBS met voorwaarden is verbonden.

Uit deze woorden en dat voortdurend cannabis gebruik van de verdachte concludeert het hof, mede gelet op zijn houding ter zitting en op de bevindingen van de deskundigen, dat zijn intrinsieke motivatie voor een behandeling, zeker als deze inhoudt een klinische behandeling in een streng beveiligde setting, niet sterk is nu deze niet gebaseerd is op inzicht in de noodzaak tot behandeling. Bovendien is het hem onmogelijk gebleken te laten zien dat hij een andere, overzichtelijke voorwaarde bestendig zou kunnen naleven.

Het hof twijfelt dan ook sterk aan het vermogen van de verdachte om zich daadwerkelijk aan de te stellen voorwaarden te houden. De voorgestelde voorwaarden zijn zeer strikt en omvangrijk en vragen veel initiatief, inzet en volhardendheid van de verdachte. De kans dat hij daaraan niet zal kunnen voldoen en vervolgens alsnog zal worden geconfronteerd met een omzetting naar TBS met verpleging acht het hof bijzonder groot. Gelet op het voorgaande en op het hoge recidiverisico op persoonsgevaarlijke (gewelds)delicten bij gebrek aan intensieve behandeling acht het hof het vanuit maatschappelijk oogpunt onverantwoord de verdachte die noodzakelijke behandeling te laten ondergaan in een kader van TBS met voorwaarden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het ook in het belang van de verdachte is, temeer nu helaas inmiddels lange tijd is verstreken, dat de noodzakelijke behandeling zo spoedig mogelijk begint. Gelet op het voorgaande zal het hof het vonnis van de rechtbank, waarbij aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd én het bevel is geven dat hij van overheidswege wordt verpleegd, bevestigen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 828,96 waarvan € 750,00 immateriële schade en € 55,83 materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 805,83. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat van [benadeelde 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals naar voren gebracht dat het gevorderde bedrag van € 750,00 immateriële schade dient te gelden als een voorschot omdat de daadwerkelijke schade nog niet is vast te stellen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-800300-17 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij vordert voorts een voorschot op de vergoeding van de geleden immateriële schade. Het hof begrijpt aldus dat de benadeelde partij zich daarmee voor de immateriële schade voor een deel van de vordering (het voorschot) heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken. Nu het hof in het kader van dit strafproces niet op grond van een voorlopig oordeel het gevorderde bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.8.4.), zal het hof een deel van de immateriële schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk verklaren zodat de weg naar de burgerlijk rechter open blijft.

De benadeelde partij heeft langdurig en mogelijk blijvend fysiek letsel opgelopen met betrekking tot haar oogkas als gevolg van het gewelddadige incident. Daarnaast zijn er bij haar ook nog steeds gevoelens van angst. Gelet op deze en bij gebreke van enige gemotiveerde betwisting van die aangevoerde feiten en omstandigheden van de zijde van de verdachte, leent de vordering zich voor toewijzing tot een bedrag van € 700,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De advocaat van de benadeelde partij, mr. A. Koopsen, heeft ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren gebracht het bedrag van de immateriële schadevergoeding te verminderen tot het bedrag van € 1000,00 indien de verdachte zou worden veroordeeld voor het subsidiaire feit. Ter terechtzitting in hoger beroep is de advocaat van de benadeelde partij hierop terug gekomen en heeft zij het bedrag van € 2000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd.

Het hof merkt op dat ingevolge art. 421, derde lid eerste volzin, Sv, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep kan voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet aldus worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, LJN ZD0945, NJ 1998/449). Naar het oordeel van het hof breng een en ander met zich dat de benadeelde partij in casu gebonden is aan haar vordering in eerste aanleg op basis van het bewezenverklaarde, in dit geval het subsidiair tenlastegelegde feit.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-800300-17 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 755,83 (zevenhonderdvijfenvijftig euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 55,83 (vijfenvijftig euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-800300-17 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 755,83 (zevenhonderdvijfenvijftig euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 55,83 (vijfenvijftig euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 juli 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. R.D. van Heffen en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 februari 2020.

Mr. De Wit is buiten staat dit arrest te ondertekenen

[…]

.