Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:530

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
23-002429-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling. Het hof acht het niet wenselijk dat de verdachte na het doorlopen van de ISD-maatregel wordt geconfronteerd met een in deze zaak opgelegde strafrechtelijke sanctie. Het hof geeft toepassing aan art. 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002429-18

datum uitspraak: 21 februari 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 15-010507-18 en 21-005545-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1971,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in D.C.Z. Vreemdelingen te Soesterberg.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

7 februari 2020.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 6 januari 2018 te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan de heer [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door deze [slachtoffer] met een ploertendoder en/of een (uitschuifbare) wapenstok, althans een slagwapen, op het hoofd te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 6 januari 2018 te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer de heer [slachtoffer] heeft mishandeld door deze [slachtoffer] met een ploertendoder en/of een (uitschuifbare) wapenstok, althans een slagwapen, op het hoofd te slaan;


2.
hij op of omstreeks 6 januari 2018 te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer een (uitschuifbare) wapenstok, zijnde een voorwerp als bedoeld in de categorie IV, onder 3, van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het wapen op de openbare weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats bij zich heeft gedragen. Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken,

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair
hij op 6 januari 2018 te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan de heer [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen deze [slachtoffer] met een ploertendoder op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken en een geldboete ter hoogte van 170 euro, bij niet betalen te vervangen door drie dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd, gelet op het feit dat de verdachte inmiddels in een andere strafzaak onherroepelijk is veroordeeld tot een ISD-maatregel.

Het hof constateert dat de verdachte momenteel een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren ondergaat, die hem is opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Amsterdam van 14 november 2019. Het hof stelt daarnaast vast dat het onderhavige feit is gepleegd voordat voornoemde maatregel werd opgelegd.

Het hof acht het niet wenselijk dat de verdachte na het doorlopen van de ISD-maatregel wordt geconfronteerd met een in deze zaak opgelegde strafrechtelijke sanctie. Het hof acht het derhalve raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof gevorderd dat de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling met een jaar wordt verlengd.

Per 1 januari 2020 is de Wet Herziening Tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) in werking getreden (Stb. 2019, nr. 507). In de door de Wet USB ingevoerde artikelen 6:6:7, 6:6:21 en 6:6:22 Wetboek van Strafvordering is – anders dan in de tot 1 januari 2020 bestaande regeling – niet voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf op grond van overtreding van de algemene voorwaarde van het niet plegen van een nieuw strafbaar feit.

Bij gebreke van andersluidende overgangsrechtelijke bepalingen geldt dat de gewijzigde wetsbepalingen niet van toepassing zijn op de behandeling van zaken van vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet USB. Het hof is daarom van oordeel dat voor wat betreft de toepasselijkheid van de bepalingen uit de Wet USB de datum van het vonnis in eerste aanleg beslissend is. De proceshandeling van het instellen van het hoger beroep wordt immers mogelijk vanaf het moment van het wijzen van het vonnis.

In het onderhavige geval is vonnis gewezen op 5 juni 2018. Het hof zal daarom toepassing geven aan de wettelijke bepalingen zoals die luidden vóór 1 januari 2020.

In het hoger beroep dat zich mede uitstrekt over de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging in het parketnummer 21-005545-14 is de verdachte dus ontvankelijk.

Het hof acht, gelet op het hiervoor wat betreft de strafoplegging overwogene, termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 6 februari 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2016, parketnummer 21-005545-14, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. R.L. Vermeulen en mr. T.D.A.M. de Lanoy, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 februari 2020.

Mr. M.J. Dubelaar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]