Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:505

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
02-03-2022
Zaaknummer
200.248.885/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:6241
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1423, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen eigenaren belendende percelen: hoeveel auto’s mogen worden geparkeerd op eigen pad en waar? Uitleg notariële akte van verdeling en aktes van levering. Bedoeling partijen bij verdeling stuk grond in twee gedeeltes en van vestiging over en weer van tweetal erfdienstbaarheden. Bedoeling latere akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.248.885/01

zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/264228 / HA ZA 17-670

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 februari 2020

inzake

1 [appellante sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonend te [plaats B] , gemeente [Z] ,

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. K. Walburg te Alkmaar,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonend te [plaats A] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. H.P. Verheyen te Den Burg.

Partijen worden hierna – in enkelvoud – [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 6 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2018, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord tevens memorie van incidenteel appel, met productie;

- memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende akte vermeerdering van eis, met producties;

- akte bezwaar vermeerdering van eis;

- antwoordakte houdende bezwaar tegen eisvermeerdering.

Bij rolbeslissing van 8 juli 2019 heeft de rolraadsheer de eisvermeerdering niet toegestaan.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en die van haar zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, inclusief nakosten. Zij heeft in incidenteel appel geconcludeerd dat het hof dit beroep zal verwerpen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, in principaal appel het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en in incidenteel appel dat vonnis voor zover in reconventie onder 5.5 gewezen zal vernietigen en de vorderingen van [appellante] zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerde] is sinds 29 januari 2016 eigenaar van de vrijstaande zomerwoning met aanhorigheden aan de [a-straat] 66 te [plaats B] , kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 1] . In de leveringsakte van die datum is onder meer het navolgende opgenomen:

“Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzonder verplichtingen wordt verwezen naar:

A. de akte van verdeling op vierentwintig februari negentienhonderd achtenzeventig voor de toen te [gemeente Z] standplaats hebbende notaris [notaris A] verleden, (..) waarin woordelijk staat vermeld:

(..)

2. Ten nutte en ten laste van de bij deze akte in scheiding gebrachte perceelsgedeelten als heersende en lijdende erven over en weer, de erfdienstbaarheid om vensters, lichten, uitzichten en deuren te mogen hebben en houdens als thans aanwezig zijn (ook voorzover dit in strijd is met de bepalingen van het burenrecht), met verbod voor de lijdende erven tot het stichten van beplantingen of bouwwerken, anders dan thans aanwezig, waardoor dit uitzicht of deze lichtschepping zou worden belemmerd.

(..)

B. de akte van leveirng op éénentwintig december negentienhonderd negenenzeventig voor genoemde notaris [notaris A] verleden, (..) waaraan woordelijk het volgende wordt ontleend:

A. ten behove vna het aan de comparant [comparant 1] [het huidige perceel van [geïntimeerde] , hof] in eigendom toebehorende perceelsgedeelte als heersend erf en ten laste van het aan de comparant [comparant 2] [het huidige perceel van [appellante] , hof] in eigendeom behorende perceelsgedeelte als lijdend erf:

De erfdienstbaarheid van weg en het mogen parkeren van een automobiel op de strook grond gelegen ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur van het woonhuis [a-straat] 64;

B. (..)

C. de akte van levering op twee november negentienhonderd achtennegentig voor notaris [notaris B] te [gemeente Z] verleden, bij afschrift ingeschreven ten gemelde kantore van het Kadaster waarin woordelijk staat vermeld:

De comparante verklaarde namen haar genoemde volmchtgever als eigenaar van het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] , plaatselijk bekend als [a-straat] 66 te [plaats B] op [gemeente Z] , met de comparante [comparante 3] te zijn overeengekomen de voormelde erfdienstbaarheden te wijzigen en aan te vullen ter uitvoering van welke overeenkomst partijen verklaarden:

(..)

2. de hiervoor onder A.2. genoemde erfdienstbaarheid wordt aangevuld met een uitzondering voor het aanbrengen, houden en onderhouden van een erfafscheiding (schutting of beplanting) op de grens van het heersende en dienende erf vanaf de achtergevel van het woonhuis [a-straat] 64, welek erafscheiding eventueel licht en uitzicht mag belemmeren.

3. aan de hiervoor onder B.A. genoemde erfdienstbaarheid wordt toegevoegd dat geparkeerde auto’s het uitzicht uit de noordelijke zijgevel van eht perceel [a-straat] 64 niet mogen belemmeren.

(..)

(ii) [appellante] is sinds 1 april 2016 eigenaar van de naastgelegen woning met aanhorigheden aan de [a-straat] 64 te [plaats B] , kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] . In de leveringsakte waarin de woning aan [appellante] is geleverd, zijn dezelfde erfdienstbaarheden opgenomen als die in de akte van [geïntimeerde] zoals hiervoor onder (i) weergegeven.

(iii) De ligging van de woningen van partijen ten opzichte van elkaar blijkt uit de navolgende kadastrale kaart en foto (genomen vanaf de [a-straat] , ontleend aan productie 16 eerste aanleg van [geïntimeerde] , waarop de woning van [geïntimeerde] links is gesitueerd en die van [appellante] rechts):

(iv) In november 2016 heeft [appellante] een hekwerk vanaf de voorzijde en langs haar woning geplaatst tot aan de reeds bestaande schutting ter hoogte van haar achtertuin.

( v) De woning van [geïntimeerde] wordt verhuurd aan toeristen.

(vi) Bij vonnis van 30 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland in een door [geïntimeerde] jegens [appellante] aangespannen kort geding, bij wijze van ordemaatregel bepaald dat [geïntimeerde] of derden namens hem totdat in een bodemprocedure nader is beslist maximaal twee voertuigen op het pad mag parkeren, met dien verstande dat de voertuigen zodanig worden geparkeerd dat deze niet voorbij de schutting van [appellante] komen.

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie – na wijziging van eis – gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank

a. a) voor recht verklaart dat de rechtstoestand van de onderhavige registergoederen zo is als [geïntimeerde] in de dagvaarding alsmede in de bijbehorende producties heeft gesteld, althans de rechtstoestand van de onderhavige registergoederen vaststelt zoals de rechtbank juist acht,

b) [appellante] gebiedt zorg te dragen voor het voor hun rekening verwijderen van het lage hekwerk alsmede de bomen en struiken althans beplanting, die door [appellante] is aangebracht op de strook grond van 1 meter evenwijdig aan de noordgevel van [a-straat] 64,

c) [appellante] gebiedt zich in de toekomst te onthouden van het opwerpen van belemmeringen van welke aard ook, waardoor het vrije en ongestoorde gebruik van de erfdienstbaarheid van weg en parkeren beperkt kan worden aan de zijde van [geïntimeerde] ,

d) [appellante] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag of dagdeel daarvan dat [appellante] niet voldoet aan het gevorderde onder b en c,

e) [appellante] veroordeelt, op straffe van verbeurte van een dwangsom, om de camera’s die op het erf van [geïntimeerde] zijn gericht te verwijderen en verwijderd te houden,

f) [appellante] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, veroordeelt om het obstakel dat is te zien op productie 16 en is aangebracht boven de schutting te (laten) verwijderen en verwijderd te houden,

g) [appellante] veroordeelt in de kosten van dit geding, met nakosten en wettelijke rente.

[appellante] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en in reconventie gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank

a. a) [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, verbiedt meer dan een auto althans (subsidiair) twee auto’s, te (laten) parkeren op het pad,

b) [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, verbiedt een voertuig te (laten) parkeren op het pad zodanig dat deze in het zicht vanuit de woning van [appellante] komt,

c) [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, gebiedt de door of namens hem geplaatste camera verwijderd te houden,

d) [geïntimeerde] veroordeelt in de (na)kosten van het geding.

[geïntimeerde] heeft tegen de vorderingen in reconventie verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep in conventie

- de vordering onder b) – zij het beperkt tot dat gedeelte dat evenwijdig loopt aan en ter hoogte van de noordgevel van [a-straat] 64 – met een daaraan verbonden dwangsom, toegewezen,

- de vordering onder c) toegewezen,

- de vordering onder e) toegewezen in die zin dat de rechtbank [appellante] hoofdelijk heeft verboden om camera’s op het pad van [geïntimeerde] te richten voor zover het zicht verder reikt dan de schutting van [appellante] in de richting van de woning van [geïntimeerde] ,

- de vordering onder g) toegewezen,

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Zij heeft in reconventie de vordering onder b) in zoverre toegewezen dat zij [geïntimeerde] heeft verboden een voertuig recht voor de gevelopeningen aan de noordgevel van de woning van [appellante] te (laten) parkeren op de in geschil zijnde strook grond, deel uitmakend van het perceel van [appellante] . Zij heeft [appellante] veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten en wettelijke rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen deze beslissing in zowel conventie als reconventie komt [appellante] in principaal hoger beroep met drie grieven op, tegen de beslissing in reconventie komt [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep met één grief op.

3.4.

De kernvraag in het onderhavige geschil is hoeveel auto’s [geïntimeerde] mag (laten) parkeren op het hem in eigendom toebehorende pad dat loopt vanaf de [a-straat] (in oostelijke richting) naar zijn woning langs de (noordgevel van de) woning van [appellante] (verder: het pad), en op welke plaats(en) op dat pad die auto mag, dan wel die auto’s mogen, worden geparkeerd. Hierop hebben de eerste twee grieven van [appellante] alsmede de grief van [geïntimeerde] betrekking. Het hof ziet daarom aanleiding deze grieven gezamenlijk te behandelen.

3.5.

Cruciaal voor de beantwoording van de kernvraag is hoe de hiervoor (onder 3.1 sub (i) in het daar opgenomen citaat onder A, B en C) genoemde aktes van respectievelijk 24 februari 1978 (verder: de akte van 1978), 21 december 1979 (verder: de akte van 1979) en 2 november 1998 (verder: de akte van 1998) moeten worden uitgelegd. Nu het hier om een notariële akte van verdeling (de akte van 1978) en twee notariële aktes van levering (de akte van 1979 en de akte van 1998) gaat, zal die uitleg moeten plaatsvinden door middel van een objectieve interpretatie van de desbetreffende aktes. Om vast te stellen welke rechten en verplichtingen thans tussen partijen gelden, komt het daarom aan op de in die aktes tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in die aktes opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van die aktes uit te leggen omschrijving van die rechten en plichten, waarbij de situatie ter plaatse mag worden betrokken.

3.6.

Partijen zijn het erover eens dat de percelen die thans worden aangeduid als [a-straat] 64 en [a-straat] 66 aanvankelijk één perceel vormden – in gezamenlijke eigendom van [comparant 1] en [comparant 2] – met een kaveloppervlakte van 1242 m² en aangeduid als [a-straat] 64, waarop aanwezig waren een woning met garage en een achter de woning gelegen zomerhuisje. [comparant 1] en [comparant 2] hebben dit perceel, gezamenlijk verworven in 1976, in 1978 verdeeld in twee gelijke stukken van circa 621 m², waarbij aan [comparant 2] de woning met garage werd toegescheiden (thans [a-straat] 64) en [comparant 1] een stuk grond verkreeg – bestaande uit het pad en verder in hoofdzaak een aan het pad grenzend (groter) stuk grond gelegen ten oosten van het perceel van [comparant 2] – waarop hij een nieuwe zomerwoning wilde realiseren (thans [a-straat] 66), waarvoor hij blijkens de akte van 1979 ook vergunning heeft verkregen. Uit die akte blijkt tevens dat [comparant 1] voor de bouw van die nieuwe zomerwoning een stuk grond van 60 m² tekort kwam en dat [comparant 2] hem deze bij die akte heeft geleverd. In het licht van deze plaatselijke situatie moeten de in de diverse aktes tussen de toenmalige en latere perceeleigenaren gemaakte afspraken worden uitgelegd.

3.7.

Bij de akte van 1978, waarbij het aanvankelijk één geheel vormende perceel in twee wat omvang betreft gelijkwaardige gedeeltes werd verdeeld tussen [comparant 2] en [comparant 1] , werden, voor zover thans nog relevant, over en weer erfdienstbaarheden gevestigd om vensters, lichten, uitzichten en deuren te mogen hebben en houden “als thans aanwezig zijn”, met verbod voor de lijdende erven tot het stichten van beplantingen of bouwwerken, “anders dan thans aanwezig”, waardoor dit uitzicht of deze lichtschepping zou worden belemmerd. Hieruit blijkt dat de bedoeling van [comparant 2] en [comparant 1] bij verdeling van het perceel in twee gedeeltes moet zijn geweest de op dat moment bestaande toestand met betrekking tot de bebouwing en beplanting vast te leggen en voort te zetten. Vervolgens heeft, toen [comparant 1] (kennelijk) een vergunning had verkregen voor de bouw van een nieuwe woning, bij de akte van 1979 niet alleen [comparant 2] een stuk grond van 60 m² aan [comparant 1] overgedragen, maar hebben partijen ook over en weer een tweetal erfdienstbaarheden gevestigd, waarvan die ten behoeve van het perceel van [comparant 1] en ten laste van het perceel van [comparant 2] inhield

“de erfdienstbaarheid van weg en het mogen parkeren van een automobiel op de strook grond gelegen ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur van het woonhuis [a-straat] 64;”

Gelet op de feitelijke situatie op dat moment – [comparant 1] ging met instemming van [comparant 2] (die immers een stuk grond van 60 m² daarvoor aan [comparant 1] leverde) een nieuwe woning realiseren op een stuk grond dat wat verder van de [a-straat] was gelegen, maar via het pad bereikbaar was – hebben partijen aldus ondubbelzinnig bedoeld vast te leggen dat [comparant 1] het pad zou mogen gaan gebruiken om met “een automobiel”, dat wil zeggen één auto, van en naar zijn nieuwe woning te gaan en, voorts, dat hij die auto op dat pad zou mogen parkeren. Deze uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken ligt, daargelaten of dit in de vorm van een erfdienstbaarheid moest gebeuren, in de rede, gelet op het feit dat [comparant 1] groot belang erbij had zeker te stellen dat hij het pad aldus – voor zover nodig: met instemming van [comparant 2] – zou kunnen gaan gebruiken en [comparant 2] groot belang erbij had dat dit gebruik gereguleerd zou gaan plaatsvinden. Dit laatste is, kennelijk in ruil voor zijn medewerking aan de realisatie van de nieuwe woning van [comparant 1] , gebeurd (het gebruik van het pad werd beperkt tot één auto), welke uitleg wordt ondersteund door de overige inhoud van de akte, waarbij aan [comparant 2] in de vorm van een erfdienstbaarheid ook expliciet bepaalde rechten werden toegekend (het mogen hebben en houden van leidingen en buizen ten openbare nutte in het perceel/pad van [comparant 1] ). Ten slotte hebben de toenmalige eigenaren van de percelen [a-straat] 64 en [a-straat] 66 bij de akte van 1998 de tussen hun voorgangers gemaakte afspraken op, voor zover thans relevant, tweeërlei wijze aangevuld en/of gewijzigd. In de eerste plaats werd op de bij de akte van 1978 gevestigde erfdienstbaarheid een uitzondering gemaakt voor het oprichten van een erfafscheiding (schutting of beplanting) op de erfgrens van de beide percelen vanaf de achtergevel van het woonhuis op het perceel [a-straat] 64, waar vervolgens ook een schutting is gerealiseerd die vanaf die achtergevel loopt tot circa drie meter vóór de woning op perceel [a-straat] 66. In de tweede plaats is aan de tussen partijen bij akte van 1979 gemaakte afspraak omtrent het gebruik van, en het parkeren op, het pad van een auto door [comparant 1] toegevoegd

“dat geparkeerde auto’s het uitzicht uit de noordelijke zijgevel van het perceel [a-straat] 64 niet mogen belemmeren.”

Deze zin kan niet anders worden opgevat dan als een beperking van de uitoefening van de erfdienstbaarheid van parkeren. Het hof overweegt voorts dat uit het gebruik van het woord “auto’s” niet kan worden afgeleid dat partijen daarbij hebben beoogd het aantal op het pad te parkeren auto’s uit te breiden. Indien dit de bedoeling van partijen zou zijn geweest zou explicieter (moeten) zijn geformuleerd dat daar voortaan in plaats van één auto meerdere auto’s zouden mogen worden geparkeerd. Een objectieve uitleg van deze zin komt erop neer dat met het woord “auto’s” niet meer kan zijn bedoeld dan aan te geven dat de ene auto die over het pad mag rijden en daar mag worden geparkeerd niet altijd dezelfde auto behoeft te zijn en dat de geparkeerde (ene) auto het uitzicht vanuit de (noordelijke zijgevel van de) woning op perceel [a-straat] 64 niet mag belemmeren. Dit betekent dat de auto die op het pad mag worden geparkeerd, in elk geval naast de schutting dient te worden geparkeerd en niet de grens van de achtergevel van het woonhuis op het perceel [a-straat] 64 mag overschrijden.

3.8.

[geïntimeerde] heeft gesteld – en de rechtbank is in die redenering meegegaan – dat de bij akte van 1979 tussen partijen gemaakte afspraak omtrent het gebruik van en parkeren op “de strook grond gelegen ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur van het woonhuis [a-straat] 64” inhield dat beoogd is dat de erfdienstbaarheid ten laste van de aan [appellante] in eigendom toebehorende strook grond, gelegen naast de noordelijke buitenmuur van haar woning, uitgeoefend dient te worden (zie onder meer rechtsoverweging 4.7 van het vonnis waarvan beroep). Die uitleg houdt in dat de erfdienstbaarheid zou zijn gevestigd op een strook grond van één meter breedte die bovendien direct aan de noordelijke gevel van de woning op perceel [a-straat] 64 grenst, dus een strook grond waarop geen enkele auto kan worden geparkeerd die bovendien (nagenoeg) de gevel zou kunnen raken, zodat dit alleen al daarom geen uitleg is die, naar objectieve maatstaven gemeten, in de rede ligt. Dat het om een strook grond zou gaan die direct aan de noordelijke gevel grenst is bovendien niet voor de hand liggend omdat in de omschrijving niet staat ‘ten noorden van de noordelijke buitenmuur’, maar “ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur” [curs. hof], wat veeleer erop duidt dat nog enige ruimte aanwezig is tussen de noordelijke gevel en de strook grond waar het om gaat en pleit voor de uitleg dat partijen destijds hebben gedoeld op het (aan [comparant 1] in eigendom toebehorende) pad. Kennelijk is de (door de rechtbank gevolgde) uitleg van [geïntimeerde] ingegeven door de gedachte dat de vorm waarin de afspraken tussen partijen zijn vervat (een erfdienstbaarheid) beslissend is en dat een erfdienstbaarheid slechts op de eigendom van een stuk grond van een lijdend erf kan drukken, zodat deze in het onderhavige geval slechts de strook grond van één meter breed toebehorend aan [appellante] kan betreffen. Het hof laat, zoals hiervoor (onder 3.7) reeds overwogen, in het midden of die redenering juist is, omdat het slechts aankomt op de in de genoemde aktes tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in die aktes opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van die aktes uit te leggen omschrijving van rechten en plichten, waarbij de situatie ter plaatse mag worden betrokken, en het hof, daarvan uitgaande, tot geen andere dan tot de hiervoor (onder 3.7) gegeven uitleg kan komen. Die uitleg, die inhoudt dat de (ene) auto die op het pad mag worden geparkeerd, in elk geval naast de schutting dient te worden geparkeerd en niet de grens van de achtergevel van het woonhuis op het perceel [a-straat] 64 mag overschrijden, brengt mee dat in het geheel niet mag worden geparkeerd voor (of tussen) de gevelopeningen van de noordelijke buitenmuur van dat woonhuis. Hierin ligt besloten dat de vordering van [geïntimeerde] om [appellante] te bevelen zorg te dragen voor het voor hun rekening verwijderen van het lage hekwerk alsmede de bomen en struiken althans beplanting, die door [appellante] is aangebracht op de strook grond van 1 meter evenwijdig aan de noordgevel van [a-straat] 64, ten onrechte is toegewezen en alsnog dient te worden afgewezen.

3.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief I en grief II in principaal appel slagen en dat de grief in incidenteel appel faalt.

3.10.

Met haar derde grief stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte haar vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de door of namens [geïntimeerde] geplaatste camera heeft afgewezen met als motivering dat niet is gebleken dat deze op het erf/de woning van [appellante] is gericht en als zodanig inbreuk maakt op haar privacy. Het hof overweegt hieromtrent dat de rechtbank haar beslissing kennelijk heeft gebaseerd op de stelling van [geïntimeerde] (zie akte vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie onder 31) dat de camera door hem aan de buitengevel van zijn woning is bevestigd en uitsluitend zicht biedt op de inrit vanaf de straat naar diens woning, alsmede op de verklaring van [geïntimeerde] bij gelegenheid van de in eerste aanleg gehouden descente en comparitie van partijen op 25 mei 2018, inhoudende “Ik laat u het camerabeeld zien van de camera zoals die op mijn woning is bevestigd. Daarop is mijn pad zichtbaar en een klein deel van de schutting van [appellante] ”. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] echter kort vóór de descente plaatsvond de camera weggedraaid en de rechtbank aldus een vertekend beeld voorgehouden en is de camera kort na de descente weer als vanouds volop gericht op de zijgevel van de woning, het erf en de tuin van [appellante] , wat zij als een enorme inbreuk op haar privacy beschouwt. Het hof is van oordeel dat als dit laatste het geval is, dit inderdaad als een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van [appellante] moet worden beschouwd. [geïntimeerde] heeft weliswaar betwist dat de camera volop was gericht op de zijgevel van de woning, het erf en de tuin van [appellante] en dat hij de camera kort vóór de descente heeft weggedraaid en nadien weert heeft teruggedraaid, maar heeft niet gesteld dat technisch onmogelijk is dát de camera aldus kan worden (weg)gedraaid, laat staan een dergelijke stelling concreet toegelicht. Omdat [appellante] aldus geen inzicht heeft in, en geen controle heeft over, het zicht van de camera en groot belang heeft bij handhaving van haar privacy, ligt haar vordering op dit punt voor toewijzing gereed. Een en ander betekent dat ook grief III in principaal appel slaagt. Het in conventie aan [appellante] gegeven verbod om camera’s op het pad van [geïntimeerde] te richten voor zover het zicht verder reikt dan de schutting van [appellante] in de richting van de woning van [geïntimeerde] , blijft gehandhaafd, nu daartegen geen grief is opgeworpen.

3.11.

[geïntimeerde] heeft geen voldoende concrete stellingen geponeerd die, indien bewezen, tot andere oordelen dan hiervoor gegeven leiden, zodat zijn bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.

3.12.

De slotsom luidt dat het principale appel slaagt en dat het incidentele appel faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, de vorderingen in conventie zullen – behoudens voor zover het gaat om het onder 5.3 gegeven verbod – worden afgewezen en die in reconventie zullen worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum bepaald. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in zowel conventie als reconventie alsmede in die van het principale en incidentele hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw recht doende:

in conventie

- wijst de vorderingen af, behoudens voor zover dit betreft het hoofdelijk aan [appellante] gegeven verbod om camera’s op het pad van [geïntimeerde] te richten voor zover het zicht verder reikt dan de schutting van [appellante] in de richting van de woning van [geïntimeerde] , en bekrachtigt dit vonnis in zoverre;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellante] gevallen, op € 287,00 voor verschotten en op € 1.086,00 voor salaris advocaat;

in reconventie

- verbiedt [geïntimeerde] hoofdelijk meer dan één auto te (laten) parkeren op het pad, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet aan dit gebod wordt voldaan, met dien verstande dat nimmer een hoger bedrag aan dwangsommen zal kunnen worden verbeurd dan een bedrag van € 50.000,00;

- verbiedt [geïntimeerde] hoofdelijk de desbetreffende auto zodanig te (laten) parkeren op het pad dat het uitzicht vanuit de (noordelijke zijgevel van de) woning op perceel [a-straat] 64 wordt belemmerd, wat betekent dat deze in elk geval naast de schutting dient te worden geparkeerd en niet de grens van de achtergevel van het woonhuis op het perceel [a-straat] 64 mag overschrijden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet aan dit gebod wordt voldaan, met dien verstande dat nimmer een hoger bedrag aan dwangsommen zal kunnen worden verbeurd dan een bedrag van € 50.000,00;

- gebiedt [geïntimeerde] hoofdelijk de door of namens hem geplaatste camera binnen twee weken na betekening van dit arrest te verwijderen en verwijderd te houden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet aan dit gebod wordt voldaan, met dien verstande dat nimmer een hoger bedrag aan dwangsommen zal kunnen worden verbeurd dan een bedrag van € 50.000,00;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellante] gevallen, op nihil voor verschotten en op € 543,00 voor salaris advocaat;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellante] in principaal appel gevallen, op € 416,01 voor verschotten en op € 1.074,00 voor salaris advocaat, en, voor zover tot heden aan de kant van [appellante] in incidenteel appel gevallen, op nihil voor verschotten en op € 537,00 voor salaris advocaat, alsmede op € 157,00 voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in geval betekening van dit arrest plaatsvindt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, D.J. van der Kwaak en B.J.P.G. Roozendaal en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020.