Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:494

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
200.256.425/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

VvE-zaak; geluidsoverlast bij onderbuur, afkomstig van woning bovenbuur; onrechtmatige geluidshinder niet in geschil; verklaring voor recht en vordering aanbrengen nieuwe ondervloer met geluidsreductie + 10 dB toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.256.425/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/277298 / HA ZA 18-520

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 februari 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. E.J.W.F. Deen te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. Geerdes te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 4 maart 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 januari 2019 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar in hoger beroep gewijzigde eis, zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, met nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze zijn in hoger beroep niet in geschil zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

[appellante] woont sinds juli 2014 op de [adres 1] . [geïntimeerde]

woont sinds 2006 op de [adres 2] . De woningen zijn gelegen in een flatgebouw dat in de jaren zestig is gebouwd. [appellante] is de onderbuurvrouw van

[geïntimeerde] .

3.1.2

Partijen zijn eigenaar van hun woningen en zijn lid van de Vereniging van

Eigenaren [naam straat] [nummer] tot en met [nummer] (hierna: de VvE).

3.1.3

Artikel 17.5 van het door de VvE gehanteerde ‘Modelreglement bij splitsing in

appartementsrechten’ van januari 1992 luidt als volgt:

5. De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt op zodanige wijze dat naar het oordeel van het bestuur geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.

3.1.4

In de splitsingsakte van 26 september 2002 is de volgende bepaling opgenomen:

Artikel 17 lid 5 :

De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket, laminaat of stenen vloeren aan te brengen.

3.1.5

In het huishoudelijk reglement is onder punt 7 het volgende bepaald:

7. Geluidsoverlast

(…)

Harde vloerbedekking

Een harde vloerbedekking (parket, laminaat en plavuizen.) kan een belangrijke bron van geluidsoverlast zijn. Daarom is in een flat alleen zachte, geluiddempende vloerbedekking toegestaan. (...) Als uw buren overlast ondervinden van uw harde vloerbedekking, kunt u verplicht worden de vloerbedekking te verwijderen.

3.1.6

Uit de notulen van een Algemene Ledenvergadering van de VvE van 12 april 2010 blijkt dat de volgende afspraak is gemaakt over artikel 17.5 van de splitsingsakte:

6 Artikel 17.5 akte van splitsing (harde vloeren)

De voorzitter licht toe dat harde vloeren volgens artikel 17.5 van de splitsingsakte niet zijn toegestaan. Na het opstellen van deze splitsingsakte (2002) zijn er ontwikkelingen geweest, waardoor dit bij nieuwe V.V.E’s met een norm (10 dB) wel is toegestaan. Het aanpassen van de akte moet via de notaris en is kostbaar. Bij terugverkoop van een woning hoeft het laminaat, indien het er netjes uitziet, niet te worden verwijderd en wordt meegetaxeerd. Wat vindt de V.V.E. van dit artikel, hoe gaan we hiermee om?

Iedereen geeft zijn visie hierop. Het resultaat is dat er wordt afgesproken om voor artikel 17.5 een gedoogbeleid te hanteren. Dit betekent dat het nu niet langer zo is dat bv. laminaat/parket niet is toegestaan alleen vanwege het feit dat dit volgens de splitsingsakte niet is toegestaan. Dit is echter geen vrijbrief, want indien nodig kan er op artikel 17.5 worden teruggevallen.

3.1.7 In de woning van [geïntimeerde] ligt een parketvloer met ondervloer. In de woning van

[appellante] , die gebruik maakt van een rolstoel, ligt laminaat met een ondervloer.

3.1.8 [appellante] klaagt vanaf 2015 over geluidsoverlast uit de woning van [geïntimeerde] . Zij heeft

in 2015 hierover ook bij de VvE geklaagd.

3.1.9 In een e-mail van 15 maart 2016 heeft de accountbeheerder van de VvE, [A] , [appellante] meegedeeld:

Ik de formele reactie van je bovenburen ontvangen.

Zij geven aan dat zij een Redupax ondervloer onder de parketvloer hebben liggen. Dit is een TNO gekeurde ondervloer. Zij hebben het TNO rapport en een foto meegestuurd. Ik weet niet wat ik verder nog kan doen.

3.1.10 Nadien is gebleken dat onder de parketvloer van [geïntimeerde] geen Redupax maar een andere ondervloer ligt.

3.1.11 Bij brief van 4 juli 2017 heeft de toenmalig raadsvrouw van [appellante] [geïntimeerde]

gesommeerd om ervoor zorg te dragen dat de vloer van zijn woning zodanig wordt

aangepast dat de uiteindelijke vloerafwerking inclusief constructievloer een lco waarde heeft van + 10dB.

3.1.12 Op 8 november 2017 heeft in opdracht van [appellante] [X] B.V. (hierna: [X] ) in de woningen van [geïntimeerde] en van [appellante] een onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de lucht- en contactgeluidsisolatie van de horizontale scheidingsconstructie.

Het rapport van [X] , gedateerd 9 januari 2018, houdt onder meer het volgende in:

5.1.4 Resultaten en beoordeling volgens de NEN 1070;1999

(...)

Zendruimte nr.

[adres 2]

Ontvangst

ruimte nr. [adres 1]

Kwaliteitscijfer

Luchtgeluid

Contactgeluid

Installatiegeluid

Woonkamer

Woonkamer

4

4

-

Slaapkamer achterzijde rechts

Slaapkamer achterzijde rechts.

4

4

-

Slaapkamer

achterzijde links

Slaapkamer

achterzijde

links

4

4

-

(...)

Gezien de kwaliteitscijfers is de geluidweringsklasse voor de onderzochte woning nr. [adres 1] : GK = IV. Bij deze klasse hoort de volgende omschrijving:

Bij gelijksoortige leefpatronen en aangepast gedrag, zal regelmatig storing optreden.

Spraak en muziek zijn vaak hoorbaar. Zeer luide spraak goed verstaanbaar en muziek storend. Loopgeluidenzijn veelal hinderlijk (...) Naar schatting ondervindt 25 tot 50 % van de bewoners veelvuldig (ernstige) hinder.

5.1.5 Beoordeling volgens het Bouwbesluit

Aangezien de woningen voor de invoering van het Bouwbesluit zijn gebouwd, kan slechts een indicatieve beoordeling plaatsvinden. Hierbij moet tevens worden opgemerkt, dat de eisen met betrekking tot contactgeluid worden gesteld aan een ‘kale’ vloerconstructie. In onderhavige situatie zijn de contactgeluidsisolatiemetingen verricht op de aangebrachte vloerafwerking. Indien de onderzoeksresultaten worden vergeleken met de prestatie-eisen uit het Bouwbesluit van 1992 voor contactgeluid, blijkt dat zelfs met een vloerafwerking bij de slaapkamer aan de rechter achterzijde, niet kan worden voldaan aan de gestelde eis van 0 dB, terwijl deze eis geldt voor een ‘kale’ basisvloer, zonder vloerafwerking.

(…)

5.1.6 Beoordeling volgens de praktijkrichtlijn Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) en Huishoudelijk Reglement van de VvE

Naast wettelijke normen is door de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) een aanbeveling opgesteld ten aanzien van de minimale contactgeluidisolatie in een bewoonde toestand, ofwel inclusief vloerafwerking.

In bewoonde toestand (inclusief vloerafwerking) wordt in de praktijkrichtlijn een minimum contactgeluidisolatiewaarde (...) van +10 dB aanbevolen. Een dergelijke richtlijn wordt vaak in huurcontracten of huishoudelijke reglementen opgenomen.

Mogelijk dat deze richtlijn als hierboven omschreven ook op deze wijze is opgenomen in het huishoudelijke reglement van de VvE. Echter door de VvE is ook (tijdens een vergadering) aangegeven dat er een gedoogbeleid voor harde vloeren is afgesproken, wanneer er een speciale (10 dB) ondervloer toegepast wordt.

(…)

Ook aan de gestelde eis van de VvE, indien (…) met de ‘vloer’ de totale horizontale scheidingsconstructie (basisvloer inclusief vloerafwerking), wordt bedoeld kan niet worden voldaan.

Aangezien het onderzoek alleen heeft plaatsgevonden op de totale scheidingsconstructie namelijk de basisvloer inclusief de vloerafwerking, en de eigenschappen van de ‘kale’ basisvloer zonder vloerafwerking niet bekend zijn, kan geen beoordeling worden gegeven hoeveel de verbetering is van de gehanteerde ondervloer met betrekking tot de contactgeluidsisolatie-index, in onderhavige situatie.

6 Conclusie

(…)

Samenvattend kan worden gesteld dat aan de hand van de verkregen meetresultaten uit dit onderzoek de kans reëel is dat hinder tot ernstige hinder kan optreden ten gevolge van onder andere loopgeluiden, spraak- of muziekgeluiden.

Indien een verbetering van de isolatie tussen de beide onderzochte woningen gewenst is, wordt geadviseerd om de isolatie van de horizontale scheidingsconstructie te verbeteren.

Een mogelijke maatregel is het niet meer toepassen van een harde vloerafwerking in de bovengelegen woning. Tijdens het onderzoek zijn een tweetal extra contactgeluidisolatiemetingen verricht tussen de beide woonkamers waarbij ‘lichte’ vloerbedekking ofwel tapijt is gebruikt plus een situatie waarbij ‘zware’ tapijt is neergelegd op de bestaande parketvloer. Indien een ‘lichte’ vloerbedekking ofwel tapijt wordt toegepast geeft dit een gemiddelde verbetering van de contactgeluidisolatie-index van 3 tot 4 dB.

Hiermee kan ook nog niet worden voldaan aan de gestelde richtlijn van het NSG plus de gestelde eis van de VvE. Indien hier met ‘vloer’ de totale horizontale scheidingsconstructie tussen de woningen wordt bedoeld.

Indien een ‘zware ‘ vloerbedekking wordt toegepast zal een verbetering kunnen worden bereikt van circa 15 tot 20 dB. Hiermee kan wel worden voldaan aan de gestelde richtlijn van het NSG. (…)

Ten behoeve van de optimale isolatie tussen beide woningen wordt geadviseerd om zowel aan de bovenzijde van de scheidingsconstructie als ook aan de onderzijde geluidreducerende maatregelen te treffen. Dit betekent dat de huidige afwerkvloer(en) verwijderd zullen moeten worden tot aan de originele betonvloer. Op deze vloer kan men dan een zwevende dekvloer aanbrengen (b.v. Estrich vloerelementen of een Anhydrietvloer op geperste minerale wol platen), waarbij de zijkanten van de nieuw aan te brengen vloer bij alle wanden en aansluitingen volledig zal worden vrijgehouden door middel van het toepassen van kantstroken.

Aan de onderzijde dient een nieuw geheel vrijhangend verlaagd plafond te worden aangebracht afgewerkt met dubbele gipsplaat en minerale wol in de spouw. Tevens wordt geadviseerd om geen harde vloerafwerking meer toe te passen.

3.1.13

Naar aanleiding van dit geluidsonderzoek heeft de raadsman van [appellante] bij brief van 7 februari 2018 [geïntimeerde] gesommeerd om zwaar tapijt in zijn woning aan te brengen dan wel een andere oplossing aan te dragen waarmee wordt voldaan aan de Ico waarden binnen de norm van +10 dB.

3.1.14

In reactie daarop heeft [geïntimeerde] op 18 februari 2018 te kennen gegeven medewerking te willen verlenen maar meer tijd nodig te hebben.

3.1.15

Bij e-mail van 4 april 2018 heeft [Y] van [Y] Woninginrichting aan [geïntimeerde] laten weten:

Het best kan je een ondervloer gebruiken van Soundkiller. Dit is een dikke plaat waardoor er een hoop geluid geabsorbeerd wordt. Ook zou je voor een Redupax ondervloer kunnen gaan, maar deze plaat is dunner waardoor de bovenstaande echt beter zal zijn. Beide platen zijn 10db getest.

3.1.16

Bij brief van 23 april 2018 heeft de raadsvrouw van [geïntimeerde] laten weten dat [geïntimeerde] bereid was om de Soundkiller als ondervloer in zijn woning aan te brengen.

De Soundkiller ondervloer heeft een geluidsreductie van +10 dB.

3.1.17

Op 24 april 2018 heeft de raadsman van [appellante] bericht:

Mijn cliënte gaat akkoord met de ondervloer ‘Soundkiller’. Dit is echter wel op eigen verantwoordelijkheid van uw cliënten. (...) Indien uw cliënten persisteren in een harde vloerbedekking, kan het natuurlijk zo zijn dat cliënte nog steeds overlast hiervan ondervindt.

Uw cliënten voldoen immers nog steeds niet aan de leefregels binnen de VvE. Cliënte behoudt zich het recht voor uw cliënten daarop aan te spreken c.q. in een procedure te betrekken bij aanhoudende overlast. Vooralsnog gaat cliënte er echter van uit dat hier geen noodzaak voor zal zijn. (...)

3.1.18

Bij e-mail van 18 mei 2018 heeft de raadsman van [appellante] te kennen gegeven dat

het voor [appellante] niet acceptabel was dat de nieuwe ondervloer pas in september 2018 gelegd zou worden. Aan [geïntimeerde] is nog een termijn van een maand gegeven voor het leggen van de ondervloer bij gebreke waarvan gedagvaard zou worden.

3.1.19

[geïntimeerde] heeft aan deze sommatie niet voldaan omdat de firma die de ondervloer

zou komen leggen, dat pas in september 2018 zou kunnen doen.

3.2

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de rechtbank [geïntimeerde] zal veroordelen tot het leggen van een vloerbedekking van zwaar tapijt dan wel het verwijderen van de huidige afwerkvloer tot aan de originele betonvloer en het daarop aanbrengen van een zwevende dekvloer,een en ander binnen een maand na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de (buitengerechtelijke) kosten.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft daarbij na bespreking van de te hanteren maatstaf en de toetsing aan die maatstaf in rov. 4.5 overwogen dat ‘thans sprake is van onrechtmatige geluidshinder’ maar het de vraag is of dat moet leiden tot toewijzing van (één van) de door [appellante] gevorderde maatregelen, waarmee in de visie van [appellante] voldaan wordt aan het gedoogbeleid in de door haar, [appellante] bepleite zin dat de totale tussenvloer inclusief afwerking voldoet aan de norm +10 dB. Zonder toelichting van de VvE die in deze procedure geen partij is, kan de door [appellante] bepleite uitleg niet worden vastgesteld, terwijl de door haar overgelegde stukken hiervoor onvoldoende aanknopingspunten bieden, aldus de rechtbank. De e-mail van 15 maart 2016, waarin de VvE genoegen lijkt te nemen met een Redupax ondervloer die een geluid reducerend effect van +10 dB heeft, lijkt eerder te wijzen op de juistheid van de door [geïntimeerde] bepleite uitleg, waarbij van belang is dat [geïntimeerde] bereid was de huidige ondervloer te vervangen door een Soundkiller ondervloer, die een geluid reducerend effect van +10 dB heeft, aldus nog steeds de rechtbank.

Dit brengt de rechtbank in rov. 4.6 tot de conclusie dat de vorderingen van [appellante] moeten worden afgewezen, nu zij jegens [geïntimeerde] geen vordering heeft ingesteld dat hij een ondervloer aanbrengt die (op zich zelf beschouwd) voldoet aan de eis van +10 dB geluidsreductie en [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij gelet op het gedoogbeleid in deze procedure meer van [geïntimeerde] mag verlangen.

3.4

In hoger beroep komt [appellante] met twee grieven tegen dit oordeel op.

3.5

Grief I bevat tevens een wijziging van (de grondslag van) eis die ertoe strekt (I) voor recht te verklaren dat voor [appellante] er sprake is van onrechtmatige geluidshinder, (II) [geïntimeerde] te veroordelen binnen een maand na betekening van het te wijzen arrest een ondervloer aan te brengen althans een zodanige voorziening te treffen dat aan de eis van +10 dB geluidsreductie wordt voldaan en (III) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor iedere dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft met het onder I gevorderde. Ter toelichting voert [appellante] aan dat volgens de bevindingen als neergelegd in het rapport van [X] vast staat dat in de huidige situatie onrechtmatige geluidshinder wordt veroorzaakt. Hoewel het gedoogbeleid van de VvE uitgaat van een ondervloer met een reductie van +10 dB kan en mag hieruit niet worden geconcludeerd dat met het aanbrengen van zo’n ondervloer is voldaan aan de te stellen eisen met betrekking tot reductie van geluidsoverlast, aldus [appellante] . Er is immers een duidelijk voorbehoud gemaakt voor het geval de overlast aanhoudt. In dat geval kan worden teruggevallen op het verbod in artikel 17 lid 5 van de splitsingsakte tot het aanbrengen van laminaat, parket of stenen vloeren, aldus nog steeds [appellante] .

3.5.1

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat thans sprake is van onrechtmatige geluidshinder, zoals ook de rechtbank in rov. 4.5, op grond van het door haar besproken samenstel van omstandigheden, heeft overwogen. Ook staat vast dat er op dit moment bij [geïntimeerde] geen ondervloer ligt met een geluidsreductie van +10 dB. Het hof verenigt zich met de desbetreffende, niet bestreden, overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Voorts heeft [geïntimeerde] ook in hoger beroep aangeboden een nieuwe ondervloer aan te brengen met een geluidsreductie van +10 dB. Hij heeft dat tot op heden echter nog niet gedaan.

3.5.2

Gelet op het onder 3.5.1 overwogene komt de door [appellante] in hoger beroep gevorderde verklaring voor recht als na te melden voor toewijzing in aanmerking.

3.5.3

De vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot het aanbrengen van een nieuwe ondervloer met een geluidsreductie van +10 dB (zoals [geïntimeerde] heeft aangeboden) zal het hof eveneens toewijzen. Voor zover deze vordering méér inhoudt, zal het hof hierop ingaan bij de bespreking van de tweede grief (zie rov. 3.6).

3.5.4

Hoewel [appellante] de vordering tot betaling van een dwangsom heeft gekoppeld aan het in gebreke blijven van [geïntimeerde] met het gevorderde onder punt I van de eis (de verklaring voor recht) begrijpt het hof deze vordering, mede gelet op de formulering van de vorderingen in eerste aanleg, aldus dat de dwangsom betrekking heeft op het gevorderde onder II, het aanbrengen van een ondervloer. Gelet op het daartegen in eerste aanleg gevoerde verweer, zal het hof een termijn van twee maanden aan de veroordeling verbinden. De vordering zal in die zin worden toegewezen, zij het dat het hof voorts aanleiding ziet de dwangsom te matigen tot € 250,-- per dag/dagdeel en maximaal

€ 7.500,--.

3.5.5

De grief slaagt en de vorderingen zullen worden toegewezen als hiervoor overwogen.

3.6

Grief II is gericht tegen rov. 4.6 van het vonnis. Volgens [appellante] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat zij in het kader van het gedoogbeleid niet meer van [geïntimeerde] kan en mag verlangen dan dat hij een ondervloer aanbrengt die voldoet aan de eis van +10 dB. De grief houdt in dat indien na het leggen door [geïntimeerde] van een ondervloer met een geluidsreductie van +10 dB de geluidshinder niet geheel is weggenomen, [appellante] op grond van dit arrest en met een beroep op artikel 17 lid 5 van de splitsingsakte, ondanks het gedoogbeleid van de VvE, moet kunnen bewerkstelligen dat de onrechtmatige geluidshinder wordt teniet gedaan.

3.6.1

De grief berust in ieder geval op een onjuiste lezing van het vonnis. waarin de vorderingen van [appellante] zijn beoordeeld zoals zij deze in eerste aanleg heeft geformuleerd. In het vonnis staat dat thans (cursivering hof) sprake is van onrechtmatige geluidshinder en [appellante] in elk geval van [geïntimeerde] mag verlangen dat hij een ondervloer aanbrengt die voldoet aan de eis van +10 dB geluidsreductie maar zij, [appellante] , niet een daarop gerichte vordering heeft ingesteld.

3.6.2

Voorts betoogt [appellante] met deze grief dat zij op basis van het te wijzen arrest moet kunnen bewerkstelligen dat de onrechtmatige geluidshinder teniet wordt gedaan ingeval deze na het door [geïntimeerde] leggen van een ondervloer van +10 dB geluidsreductie niet geheel is weggenomen. Zij wijst daartoe op het gedoogbeleid van de VvE inhoudend dat in dat geval kan worden teruggevallen op het bij de splitsingsakte vermelde verbod van laminaat, parket en stenen vloeren.

[appellante] gaat er met dit betoog aan voorbij dat de rechtbank en ook het hof zich in deze procedure niet (kunnen) uitlaten over een situatie die thans niet aan de orde is en waarvan onzeker is of deze zich zal voordoen. Een oordeel over de vraag of eventueel optredende geluidshinder na het leggen van de ondervloer met +10 dB geluidsreductie onrechtmatig is, kan thans niet worden gegeven. Voor zover de vorderingen van [appellante] mede zien op de situatie die ontstaat na het leggen van een ondervloer met +10 dB geluidsreductie zijn deze dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

De grief faalt.

3.7

De slotsom is dat de eerste grief slaagt en het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [appellante] zullen worden toegewezen als hierna te melden.

3.8

[geïntimeerde] zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat thans sprake is van onrechtmatige geluidshinder;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen twee maanden na betekening van dit arrest een nieuwe ondervloer met een geluidsreductie van +10 dB aan te brengen;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij in gebreke blijft aan voornoemde veroordeling te voldoen, met een maximum van € 7.500,--

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 389,01 aan verschotten en € 1.086,-- voor salaris, alsmede in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 423,01 aan verschotten en € 1.074,-- voor salaris;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.H.M. ten Dam, C. Uriot en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020.