Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:468

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
200.250.551/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Relatiebeding. Belang werknemer bij schorsing van het beding weegt zwaarder dan het belang van werkgever bij handhaving ervan. Financiële voordelen en loopbaanperspectief werknemer. Voldoende bescherming geheimhoudingsbeding en geen grote financiële gevolgen werkgever door vertrek.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:4819.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0255
JAR 2020/84
XpertHR.nl 2020-20003513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.250.551/01KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 7278765 KK EXPL 18-954

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 februari 2020

inzake

SOPHIA GROUP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Doornbos te Badhoevedorp,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. C. Uluman te Tilburg.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Sophia Group en [geïntimeerde] genoemd.

Sophia Group is bij dagvaarding van 26 november 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 7 november 2018, in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Sophia Group als gedaagde.

Het hof heeft een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op

11 maart 2019. Hieraan voorafgaand zijn op 26 februari 2019 nadere producties van [geïntimeerde] ontvangen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel;

- nadere producties van de zijde van [geïntimeerde] .

Sophia Group heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd het principaal appel ongegrond te verklaren. Voor het geval het principaal appel slaagt, heeft [geïntimeerde] subsidiair gevorderd als voorlopige voorziening te bepalen dat Sophia Group voor de duur van het bestaan van een relatiebeding maandelijks een bedrag van € 4.000,- aan [geïntimeerde] moet betalen. In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd het bestreden vonnis op een bepaald punt (zie hierna onder 3.3 en 3.4) te vernietigen en voor het overige te bekrachtigen. [geïntimeerde] heeft verder gevorderd Sophia Group te veroordelen in de proceskosten in principaal appel en in incidenteel appel, met rente, uitvoerbaar bij voorraad.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 29 november 2019 doen bepleiten door voornoemde advocaten, mr. Doornbos aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 1.a tot en met d de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. [geïntimeerde] heeft (in incidenteel appel met grief 1) bezwaar gemaakt tegen het onder 1.c genoemde feit dat hij van [X] Accountants en Adviseurs B.V. (hierna: [X] ) een aanbod heeft ontvangen om als recruiter bij haar te gaan werken. Het aanbod ging volgens [geïntimeerde] om een andere functie. De overige feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.2.

[geïntimeerde] , geboren [in] 1978, is op 5 april 2016 in dienst getreden van Sophia Group, aanvankelijk op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Op 12 maart 2018 zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan. [geïntimeerde] is werkzaam geweest als Consultant Executive Search tegen een salaris van laatstelijk € 2.700,- bruto per maand, exclusief acht procent vakantietoeslag en overige emolumenten, op basis van een veertig-urige werkweek.

2.3.

Sophia Group is een onderneming die zich bezig houdt met werving en selectie van ervaren professionals voor het bedrijfsleven, accountancy en de zorgsector. Zij heeft vier grote opdrachtgevers, waaronder [X] .

2.4.

In de arbeidsovereenkomst van 12 maart 2018 is in artikel 7 lid 2 een relatiebeding opgenomen dat luidt als volgt:

Werknemer zal tijdens de looptijd van de dienstbetrekking, alsmede gedurende een periode van één jaar na het einde van zijn dienstbetrekking noch voor eigen rekening, noch voor rekening van derden, noch ook anderszins werkzaam zijn ten behoeve van cliënten van werkgever, een en ander voorzover de te verrichten werkzaamheden geacht kunnen te worden te behoren tot het werkterrein van werkgever.”.

In lid 5 van artikel 7 is bepaald dat bij overtreding van het relatiebeding [geïntimeerde] jegens Sophia Group een onmiddellijk opeisbare boete verbeurt van € 4.500,- per overtreding en € 450,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt.

2.4.

Van [X] heeft [geïntimeerde] het aanbod gekregen om per 1 december 2018 als recruiter (volgens Sophia Group) dan wel als Coördinator Recruitment en Arbeidsmarkcommunicatie (volgens [geïntimeerde] ) - het hof merkt op dat in de als productie 3 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebrachte aanbieding van [X] over “Recruiter” wordt gesproken - in dienst te treden tegen een salaris van € 3.100,- bruto per maand, exclusief € 525,- per maand aan mobiliteitsvergoeding dan wel een leaseauto, een niet-ziek-zijn bonus van € 600,- per half jaar, 8,33 procent vakantietoeslag en overige emolumenten, op basis van een veertig-urige werkweek en met opbouw van een premievrij pensioen.

2.5.

Partijen hebben naar aanleiding van dat aanbod gecorrespondeerd over de geldigheid en reikwijdte van het relatiebeding, waarbij Sophia Group heeft laten weten [geïntimeerde] aan het relatiebeding te zullen houden.

2.6.

[geïntimeerde] is op 2 januari 2019 in dienst getreden bij [X] onder de voorwaarden als hiervoor in 2.4 genoemd.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd primair het in artikel 7 lid 2 van de arbeidsovereenkomst genoemde relatiebeding te schorsen en subsidiair (bij handhaving van het beding) een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen, in beide gevallen met veroordeling van Sophia Group in de proceskosten. Hij heeft ter onderbouwing van zijn vordering primair aangevoerd dat hij door zijn indiensttreding bij [X] het relatiebeding niet heeft overtreden en stelt subsidiair dat Sophia Group hem in redelijkheid niet aan het beding kan houden omdat hij er “enorm” op vooruit gaat en een veel beter carrièreperspectief heeft.

3.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, kort weergegeven, geoordeeld dat [geïntimeerde] door in dienst te treden bij [X] het relatiebeding wel overtreedt maar dat het belang van [geïntimeerde] bij schorsing van het relatiebeding zwaarder weegt dan het belang van Sophia Group bij handhaving van het beding. De voorzieningenrechter heeft het relatiebeding met onmiddellijke ingang geschorst, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Sophia Group in principaal appel met vijf grieven op. In incidenteel appel richt [geïntimeerde] zich met grief 2 tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat de (beoogde) werkzaamheden van [geïntimeerde] bij [X] en de door [geïntimeerde] bij Sophia Group verrichte werkzaamheden in ieder geval op bepaalde onderdelen overeenkomsten vertonen. Omdat het incidenteel appel de verste strekking heeft, zal allereerst grief 2 in het incidentele appel worden behandeld.

3.4.

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van die grief het volgende aangevoerd. In dienst van Sophia Group hield [geïntimeerde] zich voor 95 procent van de tijd bezig met wervingsactiviteiten, met name het afstruinen van LinkedIn-profielen naar mogelijk geschikte kandidaten voor opdrachtgevers van Sophia Group. Bij [X] houdt [geïntimeerde] zich bezig met het coördineren van aangedragen kandidaten bij de diverse service lines binnen [X] en besteedt hij een groot deel van zijn tijd aan beleidsmatige werkzaamheden op HR-gebied en aan arbeidscommunicatie. Deze werkzaamheden sluiten goed aan bij de door hem in 2016 afgeronde studie Work & Organisation Psychology. Wervingsactiviteiten verricht [geïntimeerde] niet meer. Zat [geïntimeerde] bij Sophia Group aan de deskzijde, bij [X] zit hij aan de corporate zijde, aldus steeds [geïntimeerde] .

3.5.

Het hof overweegt als volgt. Hoewel door [geïntimeerde] voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij in dienst van [X] ook diverse andere werkzaamheden verricht dan hij bij Sophia Group verrichtte, is hij, naar tussen partijen vast staat, de persoon bij [X] aan wie Sophia Group mogelijk binnen [X] te plaatsen kandidaten voordraagt en verloopt verder contact tussen Sophia Group en [X] over die personen eveneens via [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] bij [X] (helemaal) geen werkzaamheden verricht die geacht kunnen te worden te behoren tot het werkterrein van Sophia Group, is om die reden niet aannemelijk. Grief 2 in incidenteel appel faalt.

3.6.

De grieven van Sophia Group in principaal appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling aangezien deze alle betrekking hebben op de vraag of het belang van Sophia Group bij handhaving van het relatiebeding zwaarder dient te wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij schorsing van het beding. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] bij [X] maandelijks bruto € 925,- meer verdient dan dat hij bij Sophia Group verdiende. Dat is een salarisverhoging van bijna 35%. Bovendien bouwt [geïntimeerde] premievrij pensioen op en geniet hij uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst met [X] andere financiële voordelen (zie 2.4). Verder is niet aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] in dienst van Sophia Group evenveel laat staan meer carrièremogelijkheden dan bij [X] had. De blote stelling ter zitting in hoger beroep van Sophia Group dat [geïntimeerde] wellicht in de toekomst partner had kunnen worden, is daartoe onvoldoende. Bovendien is ter zitting naar voren gekomen dat Sophia Group niet heeft geïnvesteerd in opleiding en training van [geïntimeerde] anders dan door ‘training on the job’, terwijl [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat [X] hem diverse cursussen en trainingen aanbiedt, zoals een cursus leidinggeven en een training op het gebied van HR. Ook gelet op de omvang van Sophia Group - naast de directeur zijn er vier of vijf personen werkzaam - in vergelijking met de omvang van [X] - vijfhonderd werknemers in negen vestigingen in Nederland - is het niet waarschijnlijk dat Sophia Group [geïntimeerde] betere loopbaanperspectieven had kunnen bieden. Ter zitting heeft Sophia Group aangevoerd dat de door haar tot dan toe over 2019 bij [X] behaalde omzet een factor zeven minder is ten opzichte van de omzet over 2018, in welk jaar vier door Sophia Group aangedragen kandidaten binnen [X] zijn geplaatst waarmee een omzet van ongeveer € 47.000,- exclusief btw was gemoeid. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat er in 2019 acht mogelijke kandidaten door Sophia Group bij [X] zijn aangedragen, van wie er zes zich hebben teruggetrokken en twee een gesprek hebben gehad en zijn geplaatst, dat nog in 2019 met een derde kandidaat een vervolggesprek zou plaatshebben en dat plaatsing van deze persoon een fee van ongeveer € 17.000,- zal opleveren, naast de in 2019 al gerealiseerde fees van in totaal bijna € 24.000,- exclusief btw (zie producties 12 en 13 bij memorie van antwoord). [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat gemiddeld twee tot vier door Sophia Group aangedragen kandidaten per jaar binnen [X] zijn geplaatst. Een en ander is door Sophia Group niet gemotiveerd weersproken. Dat Sophia Group in belangrijke mate is of wordt geraakt door het vertrek van [geïntimeerde] naar [X] , met name dat dit grote financiële gevolgen voor haar heeft, is, gezien het hiervoor overwogene, onvoldoende gebleken. Ten slotte heeft Sophia Group aangevoerd dat [geïntimeerde] de gehele ‘digitale knowhow’ van Sophia Group heeft gekopieerd naar een van zijn privé e-mailadressen en dat die know how nu voor [X] beschikbaar is. Uit het door haar in dat kader overgelegde stuk (productie 2 bij memorie van grieven) kan dat echter niet worden afgeleid. Dat Sophia Group onvoldoende door het voor [geïntimeerde] geldende geheimhoudingsbeding is of wordt beschermd, is dan ook niet aannemelijk geworden. Al met al is het hof evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij schorsing van het relatiebeding zwaarder weegt dan het belang van Sophia Group bij handhaving daarvan en dat aannemelijk is dat de bodemrechter tot hetzelfde oordeel zal komen. De conclusie is dat de grieven in principaal appel falen.

3.7.

Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Sophia Group zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal hoger beroep. De gevorderde wettelijke rente hierover is niet betwist en eveneens toewijsbaar. Het hof zal geen proceskostenveroordeling in incidenteel appel geven omdat het incidenteel appel nodeloos is ingesteld. [geïntimeerde] beoogde immers geen wijziging van het dictum.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Sophia Group in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 318,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit arrest;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. Verbeek, A.M.A. Verscheure en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.