Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:435

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
19/00559
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortvarend handelen inspecteur, conservatoir beslag effect op waarde box 3?, arbeidskorting, onmiddellijke tegenprestatie voor verrichtte arbeid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-03-2020
V-N Vandaag 2020/530
FutD 2020-0714
V-N 2020/22.19.5
NTFR 2020/1364 met annotatie van mr. drs. S. Oosterbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/00559

18 februari 2020

uitspraak van de vierde belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 18/3045 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.244 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.845. De aanslag resulteert na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslag(en) en inclusief belastingrente in een te betalen bedrag van € 4.119.

1.2.

Na daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 1 juni 2018 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 februari 2019 op het tegen de hiervoor vermelde uitspraak op bezwaar ingestelde beroep als volgt beslist:

“De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert het bedrag van de - over 2015 - verschuldigde ib/pvv tot € 10.053 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    gelast verweerder het betaalde griffierecht ad € 46 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 april 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020. Aldaar zijn verschenen mr. T.V. van der Veen en mr. M. Gomes namens de inspecteur. Van de zijde van belanghebbende, die voor de zitting is uitgenodigd bij aangetekende brief met dagtekening 23 december 2019 verzonden naar zijn adres [adres] is niemand verschenen. Blijkens gegevens van PostNL is de brief op 30 december 2019 om 9:45 uur opgehaald bij de PostNL locatie en voor ontvangst getekend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Feiten

1. Bij beschikking van 15 mei 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op verzoek van [Y], advocaat, aan de verzoeker verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekeningen van eiser; hieraan is uitvoering gegeven op 1 en 2 juni 2015. De door eiser ingestelde vordering tot opheffing van het beslag is afgewezen bij vonnis in kort geding van 6 juli 2015.

2. Op verzoek van de ABN-AMRO Bank N.V. (hierna: ABN-AMRO) is de arbeidsovereenkomst tussen deze bank en eiser bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2015 ontbonden met ingang van 1 december 2015, waarbij de ABN-AMRO aan eiser een vergoeding dient te voldoen van € 26.560. (…)

3. Eiser heeft in 2015 een bedrag van € 2.088 terugbetaald aan de gemeente Amsterdam in verband met een in het verleden - ten onrechte - genoten uitkering ingevolge de Participatiewet.

4. Blijkens een door verweerder verstrekt overzicht ‘Inkomstenverhoudingen per jaar’ heeft eiser van de ABN-AMRO € 26.560 ontvangen, alsmede over de periode 1 januari 2015 tot en met 30 november 2015 een bedrag van € 772. Volgens het overzicht heeft de ABN-AMRO hierop een bedrag van € 11.772 en een bedrag van € 1.017 aan loonheffing ingehouden. In een door verweerder verstrekt overzicht ‘Details inkomstenverhouding’ is een arbeidskorting van € 33 opgenomen.

5. De aangifte van eiser voor de ib/pvv voor het jaar 2015 is door verweerder ontvangen op 31 oktober 2016. In deze aangifte zijn de door de ABN-AMRO betaalde vergoeding en de terugbetaling aan de gemeente Amsterdam opgenomen als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Op grond van deze aangifte is met dagtekening 16 december 2016 een voorlopige aanslag opgelegd, waarbij de volledige arbeidskorting ad € 2.220 is toegekend, en aan eiser een bedrag van € 6.559 is uitbetaald.

De definitieve aanslag is gedagtekend 2 februari 2018. Op het bedrag van de berekende belasting is uitsluitend de algemene heffingskorting in mindering gebracht.”

Het Hof gaat van dezelfde feiten uit als de rechtbank voor zover die hierboven zijn geciteerd en voegt daar nog het volgende aan toe.

2.2.

De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 20 oktober 2015 het toekennen aan belanghebbende ten laste van ABN-AMRO van een vergoeding van € 26.560, als volgt gemotiveerd:

“18. Met betrekking tot de vraag of een billijke vergoeding moet worden toegekend en zo ja

welke, overweegt de kantonrechter dat de verstoring van de arbeidsverhouding aan

beide partijen is te wijten. Aan ABN AMRO door het onterechte ontslag op staande

voet, de langdurige procedures en vervolgens de gebrekkige afrekening daarvan, maar

ook aan [X] gezien diens opstelling, waarschijnlijk mede ingegeven door zijn

ziektebeeld. Een opstelling die gekenmerkt wordt door een voortdurende eenzijdige en

uitvoerige standpuntbepaling, met herhalingen en weinig inzicht in en relativering van

zijn eigen handelen, waardoor communicatie met hem moeizaam verloopt. Dat ABN

AMRO, zoals [X] heeft gesteld, ook overigens als een slecht werkgeefster

heeft gehandeld door bewust op deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan te

sturen, door hem denigrerend te behandelen en in diskrediet te brengen en hem het

volledige personeelsdossier te onthouden, is niet met concrete gegevens onderbouwd

en zal daarom buiten beschouwing blijven.

19. Alles overziende en rekening houdend met de langdurige ziekteperiode en de lange

termijn waarover ABN AMRO het loon heeft doorbetaald zonder dat daar arbeid

tegenover heeft gestaan, acht de kantonrechter het billijk bij de vergoeding uit te gaan

van factor C is 0,5. Wat betreft het in aanmerking te nemen loon komt ABN AMRO

onderbouwd op een bedrag van € 3.494,17 bruto per maand (excl. vakantietoeslag en

emolumenten), terwijl [X] stelt aanspraak te hebben op laatstelijk € 4.477,57

bruto per maand. Bij zijn berekening is [X] onder meer uitgegaan van een

jaarlijkse verhoging van 3% voor elk functiejaar, hoewel hij onweerspoken in het

maximum van zijn schaal zat, en van alle voorheen genoten winstuitkeringen en

positieve beoordelingstoeslagen, hoewel aannemelijk is dat deze in de afgelopen tien

jaar versoberd zijn. Anderzijds zijn bij de berekening van ABN AMRO ook

kanttekeningen te plaatsen zoals hiervoor onder punt 13. is overwogen. Er vooralsnog

van uitgaande dat middels overgangsregelingen de 13e en 14e maand van ABN AMRO

en winstuitkering voor zittende werknemers grotendeels zijn gecompenseerd zal de kantonrechter daarom uitgaan van een salaris inclusief vakantietoeslag van afgerond

€ 4.250,= bruto per maand. Aan deze uitkomst kunnen partijen geen rechten ontlenen

voor hun geschil over de hoogte van het salaris over het verleden. De kantonrechter

stelt de billijke vergoeding vast op afgerond € 26.560, bruto. De kantonrechter gaat uit dat ABN AMRO dit bedrag zal vermeerderen met de geheel voor haar

rekening komende pensioenopbouw, indien dit gebruikelijk is voor dit soort

vergoedingen.”

2.3.

In eerste aanleg heeft de inspecteur nader het standpunt ingenomen dat belanghebbende recht heeft op € 33 aan arbeidskorting. De rechtbank heeft hem daarin gevolgd.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In het hoger beroep van belanghebbende is in geschil of de aanslag moet worden vernietigd dan wel moet worden verminderd. In geschil is onder meer:

  • -

    of de aanslag moet worden vernietigd omdat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, en – in verband daarmee – of terecht belastingrente in rekening is gebracht;

  • -

    de hoogte van de arbeidskorting waarbij het geschil zich toespitst op de vraag of het door de ABN-AMRO betaalde bedrag van € 26.560 behoort tot het ‘arbeidsinkomen’ in de zin van artikel 8.1, lid 1, onderdeel e, Wet IB 2001, en

  • -

    of, en zo ja in hoeverre, de saldi van belanghebbendes bankrekeningen behoren tot het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

Belanghebbende neemt voorts het standpunt in dat ten onrechte invorderingsrente en aanmaningskosten in rekening zijn gebracht.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd verwijst het Hof naar het van de zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende voert terecht aan dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met art. 8:37, lid 1, Awb door de in hoger beroep bestreden uitspraak niet aangetekend te verzenden. Aan dit verzuim verbindt het Hof echter geen gevolgen, omdat belanghebbende tijdig hoger beroep heeft ingesteld en hierdoor dus niet is geschaad. Het niet binnen de termijn van vier weken bedoeld in art. 8:42, lid 1, Awb indienen van een verweerschrift heeft op zichzelf niet tot gevolg dat het verweerschrift buiten aanmerking moet blijven en/of dat hetgeen van de zijde van belanghebbende aan feiten is gesteld als vaststaand moet worden aangemerkt. Het dossier geeft geen aanleiding in dit geval anders te oordelen, omdat belanghebbende door het niet indienen van een verweerschrift binnen de termijn van vier weken in zijn verdediging zou zijn geschaad.

4.2.

Het doen van aangifte is – zoals de inspecteur terecht betoogt – geen aanvraag in de zin van de Awb (art. 8, lid 2 van de Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR)). Tot het horen van belanghebbende voorafgaande aan het vaststellen van de aanslag was de inspecteur dan ook niet gehouden.

4.3.

De aanslag is vastgesteld binnen de daartoe in art. 11, lid 3, AWR in verbinding met art. 11, lid 4, AWR gestelde termijn van drie jaar na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. De aanslag is derhalve tijdig vastgesteld; de inspecteur was niet gehouden de aanslag eerder vast te stellen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ‘het vereiste van voortvarend handelen’ in dezen toepassing mist. Het Hof merkt op dat waar belanghebbende in punt 43 van zijn hoger beroepschrift spreekt over ‘wettelijk rente’ hij kennelijk doelt op de in rekening gebrachte belastingrente. Bij het vaststellen van de aanslag is de belastingrente overeenkomstig de wettelijke bepalingen in rekening gebracht. Het tijdsverloop tot het vaststellen van de aanslag geeft ook geen grond de in rekening gebrachte belastingrente te verminderen.

4.4.

In zijn arrest van 31 januari 2014, nr. 12/05642, ECLI:NL:HR:2014:165, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“Voor het onderscheid tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid en inkomsten uit vroegere arbeid komt het erop aan of de genoten inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die inkomsten een rechtstreekse beloning vormen, dan wel of die inkomsten niet een onmiddellijke tegenprestatie voor die arbeid vormen doch slechts meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid. De omstandigheid dat de dienstbetrekking waaruit de inkomsten worden genoten ten tijde van het genieten ervan nog bestond, is daarbij niet doorslaggevend (vgl. HR 26 juni 1968, nr. 15929, BNB 1968/169).”

4.5.

Uit de overwegingen van de kantonrechter, aangehaald onder 2.2, volgt dat de toegekende vergoeding geen rechtstreekse beloning vormt voor bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en niet een onmiddellijke tegenprestatie vormt voor die arbeid. De vergoeding behoort derhalve niet tot hetgeen door belanghebbende uit tegenwoordige arbeid is genoten en daarmee niet tot het arbeidsinkomen (art. 8.1, lid 1, onderdeel e, Wet IB 2001). De vergoeding dient dan ook niet in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de arbeidskorting (art. 8.11, lid 2, Wet IB 2001).

De wetgever heeft de hem toekomende (ruime) beoordelingsmarge niet overschreden door de arbeidskorting alleen te koppelen aan inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Hij is daarmee niet in strijd gekomen met het verdragsrechtelijk gewaarborgde discriminatieverbod, en de inspecteur handelt niet vooringenomen door de wettelijke bepalingen toe te passen.

4.6.

Ingevolge art. 5.2, lid 1, Wet IB 2001 in verbinding met art. 5.3, lid 1, Wet IB 2001 wordt de rendementsgrondslag bepaald naar de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden aan het begin van het kalenderjaar. De saldi van belanghebbendes bankrekeningen op 1 januari 2015 behoren als bezittingen tot de rendementsgrondslag.

De omstandigheid dat daarop, na daartoe op 15 mei 2015 verleend verlof, in juni 2015 conservatoir derdenbeslag is gelegd, maakt dit niet anders en vormt evenmin een omstandigheid die als waardeverminderende factor of schuld in aanmerking moet worden genomen. Die omstandigheden hebben zich pas voorgedaan na de peildatum. Het Hof voegt hier nog aan toe dat ook indien het beslag al zou zijn gelegd op 1 januari 2015 dit voor de berekening van de rendementsgrondslag buiten aanmerking had moeten blijven. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 november 2008, nr. 42096, ECLI:NL:HR:2008:BG4235, voor de heffing van de vermogensbelasting beslist dat de omstandigheid dat op een banktegoed conservatoir beslag is gelegd geen waardeverminderende factor vormt en evenmin in aanmerking kan worden genomen als een schuld. Het Hof ziet geen reden voor de toepassing van de hiervoor gemelde artikelen van de Wet IB 2001 anders te oordelen. Voor tijdsevenredige vermindering van de in aanmerking te nemen waarde van de banksaldi biedt de Wet IB 2001 geen ruimte. Feiten en omstandigheden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat heffing in dezen voor belanghebbende een individuele en buitensporige last oproept zijn niet aannemelijk geworden.

4.7.

De invorderingsrente en de aanmaningskosten zijn belanghebbende niet in rekening gebracht door de inspecteur. De rechtbank heeft terecht overwogen dat hetgeen belanghebbende ter zake heeft aangevoerd in de onderhavige procedure niet ter beoordeling kan worden voorgelegd.

4.8.

Het door belanghebbende in 2015 aan de Gemeente Amsterdam terugbetaalde bedrag van € 2.088 is in aanmerking genomen bij het bepalen van belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning. Het kan niet in aftrek worden gebracht op het te betalen bedrag aan belasting.

4.9.

Hetgeen belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd onder ‘Poging tot moord, afpersing’, ‘Misdadige inlichtingendiensten’, en ‘Hoogverraad’, raakt de juistheid van de aanslag niet en behoeft geen bespreking.

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de verschuldigde IB/PVV terecht heeft verminderd tot € 10.053, hetgeen leidt tot een te betalen bedrag van € 4.083 (IB/PVV € 10.053 – loonheffing € 12.789 + eerdere voorlopige aanslag(en) € 6.559 + belastingrente € 260). Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, B.A. van Brummelen en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.L. Cheung als griffier. De beslissing is op 18 februari 2020 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.