Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:432

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
200.267.805/01 en 200.268.626/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:6772
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing, bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.267.805/01 en 200.268.626/01

zaaknummers rechtbank: C/15/291015 / JU RK 19-1311 en C/15/293151 / JU RK 19-1667

beschikking van de meervoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaak met zaaknummer 200.267.805/01 inzake:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Verhagen te Hoofddorp,

en

Raad voor de Kinderbescherming

locatie Haarlem,

gevestigd te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en in de zaak met zaaknummer 200.268.626/01 inzake:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Verhagen te Hoofddorp,

en

de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,

gevestigd te Haarlem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden in beide zaken zijn aangemerkt:

- de na te noemen minderjarige [dochter] (hierna te noemen: [de minderjarige] );

- [de moeder] , de moeder van [de minderjarige] (hierna te noemen: de moeder).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 22 juli 2019 en 9 oktober 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 18 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 juli 2019 (inzake de ondertoezichtstelling, zaaknummer 200.267.805/01).

2.2

De raad heeft daarin op 5 december 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

De vader is op 4 november 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 oktober 2019 (inzake de verlenging machtiging uithuisplaatsing, zaaknummer 200.268.626/01).

2.4

De GI heeft daarin op 6 december 2019 een verweerschrift ingediend.

2.5

De advocaat van de vader heeft bij journaalbericht van 10 januari 2020, ingekomen op 14 januari 2020, het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 22 juli 2019 ingediend.

2.6

[de minderjarige] heeft haar mening kenbaar gemaakt per brief, ingekomen ter griffie van dit hof op 27 november 2019.

2.7

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft op 16 januari 2020 gelijktijdig plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Daalderop;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

De gezinsmanager heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Zij zijn sinds 2010 uit elkaar.

Uit hun relatie is geboren [de minderjarige] [in] 2005.

De vader heeft [de minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 11 juli 2019 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 juli 2019 voor de duur van drie maanden en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 juli 2019 voor de duur van vier weken.

Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 22 juli 2019 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs tot uiterlijk 11 oktober 2019. Zij verblijft sindsdien in Gezinshuis [Z] in [plaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 22 juli 2019 is, op verzoek van de raad, voor zover thans van belang, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 juli 2019 tot 22 juli 2020.

4.2

In de zaak met zaaknummer 200.267.805/01 verzoekt de vader, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

4.3

Bij de bestreden beschikking van 9 oktober 2019 is op verzoek van de GI de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis (voorziening 24 uurs zorg) verlengd tot uiterlijk 22 juli 2020.

4.4

In de zaak met zaaknummer 200.268.626/01 verzoekt de vader, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In beide zaken:

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter de verleende machtiging tot uithuisplaatsing verlengen met ten hoogste een jaar.

5.3

De vader is van mening dat er geen gronden (meer) zijn voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Vanaf het moment dat de moeder liet weten niet meer voor [de minderjarige] te kunnen zorgen, heeft hij zich over haar ontfermd en voor haar gezorgd. Er is veel strijd tussen hem en [de minderjarige] , omdat zij in de thuissituatie brutaal en moeilijk hanteerbaar is en niet goed naar hem luistert. Hij heeft altijd om hulp voor haar gevraagd, maar deze is nog steeds niet van de grond gekomen. Er moet worden uitgezocht wat er met [de minderjarige] aan de hand is. Hij bestrijdt dat de situatie bij hem thuis emotioneel onveilig is en weerspreekt dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Vader accepteert de zorg en heeft altijd meegewerkt met de hulpverlening. Het is moeilijk om met de moeder te communiceren. Op 11 juni 2019 heeft een incident plaatsgevonden, waarna [de minderjarige] aangifte van mishandeling door de vader heeft gedaan. De vader is naar aanleiding daarvan aangehouden en meegegaan naar het politiebureau. Sindsdien heeft de vader niet meer over vervolging gehoord. Waar de moeder voor die tijd niet beschikbaar was voor [de minderjarige] , beschermt zij haar sinds dat moment. De vader betwist dat sprake is van een loyaliteitsconflict, hij meent dat [de minderjarige] er last van heeft dat zij met de moeder alleen maar leuke uitstapjes maakt terwijl hij als hoofdopvoeder grenzen aangeeft en haar opvoedt. Hij heeft begrepen dat [de minderjarige] al drie keer een afspraak voor het PO-onderzoek heeft afgezegd. De verantwoordelijkheid voor het wel of niet doen van een PO-onderzoek moet echter niet bij haar, maar bij een volwassene worden gelegd. Voorts merkt de vader dat hij niet of laat over belangrijke zaken wordt geïnformeerd, waaronder een seksueel incident dat heeft plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en een jongen op de groep. Nu voor de ondertoezichtstelling een termijn van een jaar is gegeven, is er voor de GI geen spoed en worden zaken die geregeld moeten worden, vooruit geschoven. Zo is eerst recentelijk een psychologisch onderzoek bij [de minderjarige] verricht. De vader wil dat er hulpverlening komt voor [de minderjarige] in een vrijwillig kader.

5.4

De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden voor ondertoezichtstelling van [de minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. [de minderjarige] zit sinds het uiteengaan van de ouders klem tussen hen. [de minderjarige] heeft in de thuissituatie gedragsproblemen, zoals woedeaanvallen. Zij speelt de ouders tegen elkaar uit. Hulpverlening in een vrijwillig kader is onvoldoende van de grond gekomen. [de minderjarige] is uit huis geplaatst omdat na het incident tussen de vader en [de minderjarige] de ouders ieder voor zich lieten weten niet voor haar te willen of kunnen zorgen. Sindsdien werkt de vader uiterst moeizaam mee met de hulpverlening. Hij heeft lange tijd geen toestemming gegeven voor een PO bij [de minderjarige] en weigert mee te werken aan systeemtherapie. Mede daardoor is het moeilijk het contact tussen de vader en [de minderjarige] te herstellen.

5.5

De GI stelt zich op het standpunt dat er gronden zijn voor verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Er is sprake van fysieke en emotionele onveiligheid in de thuissituatie. De communicatie tussen de ouders is vijandig en verwijtend. Bij [de minderjarige] is sprake van een loyaliteitsconflict. Sinds zij in [plaats] verblijft, wordt zij opener over haar emoties. Zij heeft een vermijdende coping strategie. [de minderjarige] wil zelf vooralsnog niet terug naar de vader. Vanwege de zorgen heeft Family Supporters diagnostiek, systeemtherapie en een gezinscoach ingezet. Het doel is herstel van het contact tussen de vader en [de minderjarige] . Gezinsgesprekken zijn tot op heden niet van de grond gekomen. De moeder en [de minderjarige] werken aan de hulpverlening mee. De vader wijst hulpverlening af en is niet benaderbaar. De vader erkent zijn eigen aandeel in de problematiek niet.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Sinds het uiteengaan van de ouders zit [de minderjarige] klem tussen hen. Inmiddels is al een aantal jaren hulpverlening betrokken. In gesprek met hulpverleningsinstelling Spirit heeft de moeder in 2016 laten weten [de minderjarige] los te laten om haar rust te bieden. [de minderjarige] verblijft sindsdien bij de vader. De vervolgens betrokken hulpverleningsinstantie Meer-Team heeft in augustus 2018 de hulpverlening overgedragen aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, omdat zij onvoldoende zicht kreeg op de thuissituatie bij de vader terwijl er nog steeds zorgen waren over de ontwikkeling van [de minderjarige] . In oktober 2018 is Family Supporters gestart met het voeren van gesprekken met [de minderjarige] . De moeder verzette zich tegen pogingen om te werken aan contact tussen [de minderjarige] en haar. Ook weigerde zij mee te werken aan onderzoek naar de psychische toestand van [de minderjarige] . Op 11 juni 2019 heeft bij de vader thuis een incident plaatsgevonden waarna [de minderjarige] aangifte heeft gedaan van mishandeling door de vader. Daarop liet de vader weten dat hij geen vertrouwen meer heeft in [de minderjarige] en dat hij voorlopig niet voor haar kon zorgen. De moeder heeft nogmaals herhaald dat zij niet voor [de minderjarige] kan zorgen.

[de minderjarige] is uit huis geplaatst omdat er sprake is van fysieke en emotionele onveiligheid in de thuissituatie bij de vader, omdat zij zich in een loyaliteitsconflict bevindt als gevolg van een verstoorde verstandhouding en het ontbreken van communicatie tussen de ouders, vanwege haar gedragsproblemen en vanwege het onvermogen van de ouders om haar een positieve, pedagogische opvoedomgeving te bieden. De zorgen over de ontwikkeling en gesteldheid van [de minderjarige] zijn nog niet weggenomen. Zij is terughoudend in de wens contact te hebben met de vader. Blijkens een recent door Family Supporters alsnog bij [de minderjarige] afgenomen PO waar de GI ter zitting in hoger beroep naar heeft verwezen, voelt zij zich enigszins ongelukkig en voelt zij zich snel angstig, piekert zij en voelt zij zich zenuwachtig. Daarnaast zijn haar vrije tijdsbesteding, haar thuissituatie en haar vriendschappen niet op het gewenste niveau gebleken.

5.7

De vader heeft ter zitting in hoger beroep laten weten dat hij van mening is dat [de minderjarige] op korte termijn weer thuis kan komen wonen en dat één of enkele gesprekken tussen hen voldoende moet zijn alvorens tot thuisplaatsing van [de minderjarige] over te gaan. In zijn optiek kan [de minderjarige] in de thuissituatie therapie krijgen. Het hof deelt die opvatting niet. De problematiek van [de minderjarige] zoals hiervoor vermeld, is ernstig. Het advies van Family Supporters luidt dat aan de ouders psycho-educatie dient te worden gegeven, dat systeemtherapie dient te worden ingezet en dat gewerkt dient te worden aan de weerbaarheid van [de minderjarige] . Daartoe is een constructieve samenwerking tussen de vader en de hulpverlening noodzakelijk. Gebleken is evenwel dat deze samenwerking uitermate moeizaam van de grond komt. Het lukt de vader (nog) niet volmondig in te stemmen met de voorwaarden die de GI aan hem stelt, waaronder het accepteren van begeleiding door een systeemtherapeut. Het hof acht het van belang dat de vader zich leerbaar zal opstellen, dat hij bereid zal zijn bij [de minderjarige] en haar ontwikkelingsfase aan te sluiten en dat hij oog heeft voor haar sociale en emotionele behoeften. Wat dat betreft is positief dat de vader zich begin januari 2020 alsnog bereid heeft verklaard contact te hebben met de systeemtherapeut. Indien de vader zich ten aanzien van de hulpverlening bereidwillig blijft opstellen en zijn aandeel in de problemen erkent, zal kunnen worden toegewerkt naar herstel van het contact tussen [de minderjarige] en de vader. Daarna kan – in geval van voldoende verbetering van de relatie van [de minderjarige] en de vader – haar terugkeer naar huis aan de orde komen.

5.8

Uit het voorgaande volgt dat de noodzaak voor uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de verzochte duur in het belang van de verzorging en opvoeding ten tijde van de bestreden beschikking van 9 oktober 2019 aanwezig was en ook thans aanwezig is. Ook volgt daaruit dat ten tijde van de bestreden beschikking van 22 juli 2019 aan de gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] was voldaan en dat die gronden zich ook thans nog voordoen.

Het hof zal de beide beschikkingen waarvan hoger beroep is ingesteld, bekrachtigen.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer: 200.267.805/01:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

in de zaak met zaaknummer: 200.268.626/01:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

in beide zaken:

draagt de griffier op krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.C. Schenkeveld en mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier en is op 11 februari 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.