Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:4004

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
23-003526-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof extra bewijsmiddelen zal toevoegen en de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn zal beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003526-18

Datum uitspraak: 25 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-731011-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1953,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof extra bewijsmiddelen zal toevoegen en de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn zal beoordelen.

Ten aanzien van de strafmaat merkt het hof nog op dat het zich – in tegenstelling tot de advocaat-generaal- gelet op de lange duur en de omvang van de fraude, kan vinden in de gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van 11 september 2019, opgemaakt door mr. E. Mijnsberge,

raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam [ongenummerde pagina’s].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 september 2019 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Deze mensen (het hof begrijpt: de verdachte en haar partner) hebben er altijd samen gewoond. Zij gaan meestal ’s morgens samen weg met de auto. Begin van de avond zijn ze dan weer terug. Ik weet niet of ze langere tijd zijn weggeweest. De frequentie dat ik ze heb gezien heb is eigenlijk steeds dezelfde geweest.

’s Avonds zie ik de man en vrouw in de woning lopen. Ik hoor ze in de woning als ik via de trap naar mijn woning ga. De situatie die ik nu beschrijf is eigenlijk al zo vanaf het moment dat zij daar woonden. Nu ik erover nadenk klopte die tien jaar die ik bij de recherche genoemd heb wel. Toen de woning vrij kwam had ik die woning graag voor mijn ouders willen hebben. Dat is toen niet gelukt. Toen kwamen de man en vrouw er wonen.

Ik blijf erbij dat het echtpaar in de woning is komen wonen nadat de Hollandse vrouw is weggegaan. Vanaf het begin tot nu heb ik ze altijd samen gezien.

2. Een proces-verbaal van 11 september 2019, opgemaakt door mr. E. Mijnsberge,

raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam [ongenummerde pagina’s].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 september 2019 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

Ik zie de man en vrouw altijd samen in de woning en samen de woning in en uitgaan. Soms waren ze in [geboorteland] en dan zag ik ze een tijdje niet, anders één of twee keer per week. De frequentie is vanaf 2005 eigenlijk steeds dezelfde geweest.

3. Een proces-verbaal van 19 juli 2019, opgemaakt door mr. E. Mijnsberge, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het hof Amsterdam [ongenummerde pagina’s].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 juli 2019 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 3]:

Ik woon al langere tijd (vanaf 2003) op het adres [adres 2]. U vraagt mij wie er op het adres [adres 1] wonen. Daar wonen een man en een vrouw. Deze man en vrouw woonden er al toen ik er kwam wonen. Ik ben er in 2003 komen wonen.

Ik zag de man en vrouw altijd samen naar binnen gaan en naar buiten gaan. Sinds ik op de [adres 2] ben komen wonen heb ik de vrouw gezien en het is niet zo dat ik haar in de loop der tijd steeds vaker ben gaan zien.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de onderhavige zaak is overschreden. Immers, de verdachte is op 8 februari 2016 aangehouden en eerst op 25 februari 2020 zal het hof arrest wijzen. De procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, gerekend vanaf de datum dat verdachte is aangehouden, betreft dus vier jaren en 17 dagen. De overschrijding van de redelijke termijn door de duur van de behandeling in eerste aanleg is gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep. Gelet op de minimale overschrijding van de redelijke termijn met 17 dagen, ziet het hof geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden en wordt volstaan met het constateren van de overschrijding.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O Mooy, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van

mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

25 februari 2020.