Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3954

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
28-07-2021
Zaaknummer
18/00728 tot en met 18/00739
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:9307, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft bij het vaststellen van de belastingaanslagen voldoende voortvarend gehandeld, zodat hij terecht gebruik heeft gemaakt van zijn in artikel 16, lid 4, AWR gegeven bevoegdheid. Hij heeft op goede gronden kunnen en mogen besluiten het door de FIOD ingestelde onderzoek af te wachten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-7-2021
FutD 2021-2421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 18/00728 tot en met 18/00739

7 juli 2020

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: mrs. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma en N. van den Hoek)

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 17/220 tot en met HAA 17/231 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De volgende (navorderings- en primitieve) aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) zijn door de inspecteur ten name van belanghebbende vastgesteld:

Dagtekening

Aanslag vastgesteld naar een

*

15-12-2014

IB 2002

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 116.187

€ 93.613

N

25-09-2015

IB 2003

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 260.670

€ 97.678

N

25-09-2015

IB 2004

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 158.935

€ 104.188

N

25-09-2015

IB 2005

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 140.627

€ 109.719

N

25-09-2015

IB 2006

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 123.634

€ 113.976

N

03-10-2015

IB 2007

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 132.685

€ 117.636

N

03-10-2015

IB 2008

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 139.726

€ 121.210

N

03-10-2015

IB 2009

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 156.179

€ 99.816

N

26-09-2015

IB 2010

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 160.467

€ 98.850

N

15-12-2014

IB 2011

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 99.457

€ 93.372

P

25-09-2015

IB 2012

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 75.513

€ 76.250

P

26-11-2015

IB 2013

Belastbaar inkomen uit box 1

Belastbaar inkomen uit box 3

€ 75.368

€ 85.476

P

* N = navorderingsaanslag; P = (primitieve) aanslag

1.2.

Belanghebbende heeft tegen voormelde (navorderings)aanslagen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar (gedagtekend 21 december 2016) heeft de inspecteur de (navorderings)aanslagen over de jaren 2002 tot en met 2010, 2012 en 2013 gehandhaafd. Met betrekking tot de aanslag IB 2011 heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar (gedagtekend 12 januari 2017) bij de berekening van de verschuldigde IB nog € 14.201 buitenlandse bronheffing in mindering gebracht en voormelde belastingaanslag dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor vermelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 november 2018 heeft de rechtbank daarop als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade van € 500;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 501; en

  • -

    draagt de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 december 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen, waarvan afschriften zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2020. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser is op 6 maart 2014 via een derdenonderzoek geïdentificeerd als houder van een bankrekening in Luxemburg. Op 16 mei 2014 is in overleg tussen […] het Openbaar Ministerie, de FIOD en de Belastingdienst tot strafrechtelijke vervolging besloten. Eiser heeft - nadat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek was gestart - via zijn gemachtigde bij brief van 9 juli 2014 met betrekking tot een bankrekening in Luxemburg een inkeerverzoek gedaan. Bij deze brief zijn bankafschriften betreffende deze bankrekening gevoegd.

2. Met dagtekening 15 december 2014 heeft verweerder in verband met niet aangegeven vermogen in het buitenland en met het oog op het verlopen van de voor het opleggen van een aanslag verlopende termijnen een navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en een aanslag IB/PVV 2011 vastgesteld.

3. Op 12 juni 2015 heeft de officier van justitie overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) toestemming gegeven om de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek ook voor fiscale doeleinden te gebruiken. Na bestudering van de ontvangen informatie heeft verweerder contact opgenomen met de gemachtigde en heeft bij brieven van 8 juli en 15 september 2015 aangekondigd (navorderings)aanslagen vast te zullen stellen over de jaren 2003 tot en met 2010, 2012 en 2013.

4. Eiser heeft verzocht de behandeling van de bezwaarschriften aan te houden totdat meer duidelijkheid bestaat over de aard en omvang van de ontnemingsvordering van de officier van justitie. Bij brief van 20 juni 2016 heeft verweerder eiser bericht geen aanleiding meer te zien om de bezwaarprocedure langer aan te houden omdat hij vernomen heeft dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen in de ontnemingsprocedure. In deze brief heeft verweerder eiser voorts verzocht de bezwaarschriften inhoudelijk te motiveren.

5. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 24 juni 2016 te kennen gegeven dat de officier van justitie desgevraagd niet inhoudelijk heeft gereageerd op zijn vraag of hij het reeds door verweerder over de jaren 2002 tot en met 2013 nagevorderde fiscale nadeel eveneens in de ontnemingsvordering wenst te betrekken, terwijl de inspecteur in geval van ontneming over deze jaren moet terugtreden. Eiser heeft hierbij opgemerkt dat hij niet begrijpt waarom verweerder de behandeling van de bezwaarschriften bij deze voortdurende onduidelijkheid niet wil aanhouden. In deze brief worden voorts de gronden van het bezwaar uiteengezet.

6. Verweerder heeft eiser bij brief van 2 augustus 2016 bericht tot afhandeling over te zullen gaan en hem verzocht aan te geven of er behoefte bestaat aan een mondelinge toelichting. Bij mail van 21 september 2016 heeft eiser dit aanbod aangenomen. Bij brief van verweerder van 6 oktober 2016 is eiser om data en tijdstippen voor een hoorgesprek verzocht. Bij gebreke van een voorstel heeft verweerder op 17 november een hoorgesprek bepaald op 2 december 2016. Eiser heeft bij e-mail van 28 november 2016 te kennen gegeven in afwachting te zijn van de uitkomst van afstemmingsoverleg tussen het OM en verweerder en daarom geen data te kunnen verstrekken. Eiser is zonder afmelding niet verschenen op het hoorgesprek. Verweerder heeft op 21 december 2016 en 12 januari 2017 uitspraken op bezwaar gedaan.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.

2.2.

Tot de stukken behoort een door ambtenaren van de FIOD met dagtekening 3 juni 2015 opgemaakt overzichtsproces-verbaal (dossiernummer [...] , codenummer [...] ). Volgens dat proces-verbaal is onder gezag van een officier van justitie van het Functioneel Parket te Zwolle een strafrechtelijk onderzoek aangevangen tegen onder andere belanghebbende. Het strafrechtelijk onderzoek is op 16 mei 2014 in een Ad Hoc Tripartiete overleg geaccepteerd. Op 14 juli 2014 is door één van de verbalisanten een voorstel gedaan tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. Machtiging daartoe is op vordering van de officier van justitie op 25 juli 2014 verleend door de rechter-commissaris.

Het proces-verbaal vermeld in par. 1.3 – voor zover hier van belang:

1.3 Vermoedelijk gepleegde strafbare feiten

V-001

Verdachte [X] (V-001) wordt verdacht van:

Opzettelijk doen van onjuiste aangifte

Het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten zijn aangiften

inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2013, onjuist of onvolledig doen, namelijk door (buitenlandse) inkomsten of vermogen op buitenlandse bankrekeningen, dan wel een

aanmerkelijk belang in een buitenlandse onderneming niet te vermelden, welk feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en gepleegd op diverse momenten te [Z] of [Y] , althans in Nederland, in de periode 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014, althans in de jaren 2003 tot en met 2014.

Witwassen

(…)

Van het witwassen een gewoonte maken

(…)”.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de onder 1.1. genoemde belastingaanslagen over de jaren 2003 tot en met 2009 moeten worden vernietigd omdat – gelijk belanghebbende betoogt en de inspecteur betwist – bij het opleggen daarvan niet voldoende voortvarend is gehandeld. Niet in geschil is dat de uitspraak van de rechtbank voor zover die betrekking heeft over de belastingaanslagen over de jaren 2002 en 2010 tot en met 2013 moet worden bevestigd. Belanghebbende verzoekt voorts om veroordeling van de inspecteur in de werkelijk gemaakte proceskosten.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2011

10. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2011 is ter griffie van de rechtbank ontvangen op 10 januari 2017, dus voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar van 17 januari 2017. Aangezien partijen voorafgaand aan deze uitspraak op bezwaar uitgebreid over de (navorderings)aanslagen hebben gecorrespondeerd en de volledige motivering van deze uitspraak op bezwaar reeds met dagtekening 22 december 2016 (een dag na de dagtekening van de overige uitspraken op bezwaar) aan eiser is toegezonden, is de rechtbank van oordeel dat eiser in ieder geval redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak op bezwaar reeds tot stand was gekomen. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2011 op grond van voortijdige indiening van het beroepschrift dient daarom achterwege te blijven.

Voortvarendheid

11. Artikel 16, vierde lid, van de AWR luidt:

“Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.”

12. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie 11 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:368, volgt - kort gezegd - dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar van artikel 16, vierde lid, van de AWR in beginsel gerechtvaardigd is, maar dat in het geval de belastingautoriteiten beschikken over aanwijzingen over in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, geen rechtvaardiging is voor de algemene toepassing van de verlengde navorderingstermijn die niet afhankelijk is van de tijd die noodzakelijkerwijs moet verlopen om op nuttige wijze gebruik te maken van de regelingen voor wederzijdse bijstand. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:689, onder meer geoordeeld dat verweerder voldoende tijd moet worden gegund om op zorgvuldige wijze vast te stellen welke belastingplichtigen precies belasting hebben ontdoken en welk bedrag van hen kan worden nagevorderd. De vereiste voortvarendheid is in elk geval niet betracht indien bij voormeld onderzoek een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (Hoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717).

13. Eiser heeft aan zijn betoog dat verweerder bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten grondslag gelegd dat verweerder na de ontvangst van zijn brief met bijlagen van 9 juli 2014 reeds over alle voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen benodigde informatie beschikte, zodat tussen deze datum en de data van het vaststellen van de navorderingsaanslagen een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij na identificatie van eiser als houder van een bankrekening in het buitenland op 6 maart 2014 het (strafrechtelijk) onderzoek van de FIOD heeft afgewacht, aangezien daaruit zou kunnen blijken of er nog andere onbekende buitenlandse bankrekeningen waren en of en wanneer er verzwegen inkomsten op de bankrekening zijn gestort die mogelijk gevolgen hebben voor het inkomen uit werk en woning. Alleen vanwege de dreigende verjaring van de mogelijkheid tot het vaststellen van een (navorderings)aanslag over de jaren 2002 en 2011 zijn deze voorafgaand aan de afronding van het onderzoek van de FIOD op basis van de beschikbare informatie vastgesteld.

14. Vast staat dat verweerder wat betreft het jaar 2002 pas in juli 2014 over voor het vaststellen van de navorderingsaanslag benodigde informatie beschikte en dat verweerder deze informatie daarvoor ook heeft bestudeerd en gebruikt. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verweerder daarbij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat verweerder de uitkomsten van het onderzoek van de FIOD met betrekking tot het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB/PVV over de latere jaren niet heeft mogen afwachten. In een geval als het onderhavige, waarin eiser decennialang belasting heeft ontdoken en zich niet uit zichzelf, maar pas nadat een strafrechtelijk onderzoek tegen hem is gestart bij verweerder heeft gemeld, heeft verweerder begrijpelijkerwijs eerst willen kunnen beoordelen of eiser met zijn in juli 2014 verstrekte informatie daadwerkelijk openheid van zaken over zijn fiscale verplichtingen heeft gegeven. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verweerder door de uitkomsten van het onderzoek van de FIOD af te wachten iets anders heeft gedaan dan zich op zorgvuldige wijze informeren omtrent de belastingschulden van eiser. Het doet er onder deze omstandigheden niet toe of de uitkomsten van het onderzoek van de FIOD bij de aanslagregeling nog tot andere inzichten hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het vaststellen van alle navorderingsaanslagen welke met toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn vastgesteld, dus voldoende voortvarend gehandeld. Nu de voortvarendheidseis niet geldt voor primitieve aanslagen en de hoogte van de (navorderings)aanslagen als zodanig niet in geschil is, zijn deze terecht tot deze bedragen vastgesteld. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Heffingsrente en belastingrente

15. Artikel 30fc, vijfde lid, van de AWR luidt:

“Ingeval de navorderingsaanslag is vastgesteld naar aanleiding van een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 12 weken na de datum van ontvangst van het verzoek.”

16. Voor zover eiser zijn betoog dat de heffingsrente en de belastingrente in verband met zijn brief van 9 juli 2014 moeten worden beperkt tot 1 oktober 2014 baseert op de voormelde wetsbepaling faalt het in zoverre, dat deze wetsbepaling slechts geldt voor navorderingsaanslagen na invoering van de belastingrente, en de regeling van de heffingsrente die voordien gold geen vergelijkbare regeling bevatte. Voor zover eiser zich beroept op door verweerder gevoerd beleid faalt het, aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder ter zake beleid voert dat steun biedt aan zijn standpunt. Eiser heeft in dat verband slechts verwezen naar beleid betreffende het opleggen van voorlopige aanslagen dat in casu toepassing mist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding dat beleid in het onderhavige geval van overeenkomstige toepassing te achten. Overigens is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door rente te berekenen tot 15 december 2014. De beroepen zijn ook in zoverre ongegrond.

17. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

18. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de bezwaarschriften (een half jaar) en de beroepszaken in eerste aanleg (anderhalf jaar) tezamen.

19. De in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Bijzondere omstandigheden kunnen echter aanleiding geven voor verlenging van deze termijn. Tot deze bijzondere omstandigheden wordt onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces. Bij overschrijding van de redelijke termijn dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

20. In het onderhavige geval zijn de bezwaarschriften respectievelijk op 23 januari 2015 (2002), 26 oktober 2015 (2003 tot en met 2012) en 3 december 2015 (2013) door verweerder ontvangen. Op respectievelijk 12 januari 2017 (2011) en 21 december 2016 (de overige jaren) heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is op 10 januari 2017 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank doet op 9 november 2018 uitspraak. De redelijke termijn is dus in beginsel in alle beroepen overschreden. In de in overweging 4 tot en met 6 weergegeven gang van zaken omtrent het verzoek om uitstel van behandeling van eiser ziet de rechtbank echter aanleiding de redelijke termijn zodanig te verlengen dat deze is aangevangen met de brief van eiser van 24 juni 2016 waarbij de bezwaargronden zijn aangevuld. Alle uitspraken op bezwaar die de dagtekening 21 december 2016 dragen zijn dus in ieder geval tijdig gedaan. In de gang van zaken rond de planning van het hoorgesprek ziet de rechtbank aanleiding geen consequenties te verbinden aan het feit dat de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2011 iets buiten de termijn van zes maanden is gedaan. Verweerder heeft de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar dus niet overschreden. De rechtbank heeft de redelijke termijn van anderhalf jaar na ontvangst van het beroepschrift op het moment van deze uitspraak met (afgerond) een half jaar overschreden. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) veroordelen tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade van € 500. De zaken zijn gezamenlijk behandeld en hebben betrekking op hetzelfde onderwerp, zodat voor de zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar wordt gehanteerd.

Proceskosten en griffierecht

21. Aangezien aan eiser een immateriële schadevergoeding is toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn is er aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser. Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten is geen aanleiding. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660)). De rechtbank ziet voorts aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming) op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.”

5 Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de inspecteur het door de FIOD onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie ingestelde strafrechtelijk en stafrechtelijk financieel onderzoek mocht afwachten.

5.2.

De inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof op goede gronden kunnen en mogen besluiten het door de FIOD ingestelde onderzoek af te wachten. Het was geenszins onwaarschijnlijk, laat staan uit te sluiten, dat – mede gelet op de mogelijkheden die in het kader van een strafrechtelijk (financieel) onderzoek bestaan om (nader) bewijs te verzamelen (denk bijvoorbeeld aan huiszoekingen en het horen van getuigen) – uit dat onderzoek gegevens naar voren zouden komen die tot hogere belastingaanslagen zouden leiden dan belastingaanslagen alleen op basis van de door belanghebbende zelf verschafte gegevens. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat bij het door de FIOD ingestelde onderzoek belanghebbende ook is aangemerkt als verdacht van het onjuist doen van aangiften (zie 2.2.) zodat het onderzoek zich ook daartoe uitstrekte. Voorts is van belang dat belanghebbende over een reeks van jaren opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan zodat de inspecteur er niet op voorhand vanuit hoefde te gaan dat de door belanghebbende enige weken na de doorzoeking van zijn huis middels zijn advocaat verstrekte gegevens volledig waren en alle voor het vaststellen van de belastingaanslagen benodigde informatie bevatten.

5.3.

Aan het onder 5.2. weergeven oordeel doet niet af dat de inspecteur op basis van de door belanghebbende verstrekte informatie ook op een eerder tijdstip had kunnen overgaan tot navordering en later – indien het FIOD-onderzoek daar reden toe gaf – nadere navorderingsaanslagen had kunnen vaststellen. Weliswaar was de belastingschuld van belanghebbende dan (in ieder geval voor een deel) eerder geformaliseerd, maar de inspecteur was tot die werkwijze niet gehouden. Bij de organisatie en inrichting van zijn werkzaamheden heeft de inspecteur een zekere beoordelingsvrijheid. De daarbij – met het oog op de benodigde voortvarendheid – in acht te nemen grenzen heeft hij niet overschreden.

5.4.

De door de gemachtigden van belanghebbende ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde arresten van de Hoge Raad geven het Hof evenmin aanleiding tot een ander oordeel. In de onderhavige zaak gaat het niet om een situatie waar de inspecteur een beslissing op bezwaar inzake een aan een andere belastingplichtige opgelegde belastingaanslag afwacht (ECLI:NL:HR:2017:2602) of een procedure afwacht over rechtsvragen (ECLI:NL:HR:2013:CA2255).

5.5.

De onder 5.1. geformuleerde vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Voor dat geval is niet in geschil dat de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld.

5.6.

Het Hof doet uitspraak binnen twee jaar na het instellen van hoger beroep. Voor vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de behandeling van het hoger beroep bestaat geen aanleiding.

Slotsom

5.7.

De slotsom is dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn.

6 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten tot een hoger bedrag dan door de rechtbank toegekend.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, R.C.H.M. Lips en

J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 7 juli 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.