Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
23-001657-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis m.u.v. strafoplegging. Het hof ziet aanleiding in plaats van een onvoorwaardelijke een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001657-19

datum uitspraak: 5 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2019 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-031129-19 (hierna: zaak A) en 15-071474-19 (hierna: zaak B), alsmede

15-030325-18 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

22 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-030325-18. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week en een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 uren hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen. Zij heeft hiermee blijk gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan het eigendomsrecht van anderen. Winkeldiefstallen zijn buitengewoon hinderlijke feiten, die veel overlast opleveren voor (medewerkers van) winkelbedrijven en leiden tot financiële schade.

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 juli 2020 blijkt dat de verdachte een gewaarschuwd mens was, nu zij vaker onherroepelijk is veroordeeld voor winkeldiefstallen, onder meer tot voorwaardelijke gevangenisstraffen. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden wederom de fout in te gaan. Gelet hierop acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de reclasseringsadviezen van Reclassering Nederland van 12 en 17 april 2019. Uit deze rapporten blijkt dat de verdachte weliswaar gemotiveerd is geen delicten meer te plegen en een goede toekomst voor zichzelf en haar dochter wil opbouwen, maar dat sprake is van hardnekkig delictgedrag; ook bleek zij onvoldoende in staat te zijn langere tijd haar (volledige) medewerking te (blijven) verlenen aan haar behandeling. Gebleken is dat zij er tot op heden niet in is geslaagd om haar woorden daadwerkelijk in daden om te zetten. Zo is zij met een voortvarende start aan een forensische behandeling begonnen, maar heeft zij het uiteindelijk laten afweten. Deze ambivalente houding maakt dat hulpverlening niet slaagt en het strafbare gedrag niet stopt, aldus de reclassering.

Het hof overweegt dat daar waar de reclassering concludeert dat detentie de verdachte de gevolgen van haar gedrag kan laten inzien, de dreiging hiervan al zijn uitwerking lijkt te hebben. De verdachte heeft, naar kan worden aangenomen, sinds de onderhavige feiten, waarvoor aan haar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd, geen strafbare feiten meer gepleegd. De bij haar aanwezige (terechte) angst dat zij ten gevolge van haar handelen ook daadwerkelijk in de gevangenis kan belanden en dan de zorg voor haar dochter voor enige tijd uit handen zal moeten geven, lijkt eraan bij te dragen dat de verdachte op het rechte pad blijft. Zij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat het thans naar omstandigheden goed met haar gaat en dat zij aan haar toekomst werkt en wil blijven werken. Zo heeft zij zich ingeschreven voor een opleiding en solliciteert zij naar een baan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de verdachte een allerlaatste kans gunnen te laten zien dat zij op het rechte pad kan blijven. Het hof zal om die reden een gevangenisstraf in geheel voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd voor de duur van drie jaren, als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal het hof een taakstraf aan de verdachte opleggen, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft verzocht de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging met één jaar te verlengen.

De raadsman heeft zich aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.

Hoewel het hof tenuitvoerlegging in beginsel aangewezen acht, is het hof van oordeel dat, nu de verdachte een allerlaatste kans wordt gegund uit detentie te blijven, tenuitvoerlegging van deze straf thans niet opportuun is. Wel acht het hof termen aanwezig de bij voornoemd vonnis vastgestelde proeftijd, wederom als stok achter de deur, met één jaar te verlengen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 15-030325-18 en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2018 parketnummer 15-030325-18, met een termijn van 1 (één) jaar.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.P. van Heusden, mr. A.M. van Woensel en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

5 augustus 2020.

Mr. A.M. van Woensel en mr. J.J.J. Schols zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]