Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3911

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
23-002704-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben wapen categorie III. Bevestiging vonnis. Gevangenisstraf 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002704-18

datum uitspraak: 3 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-056568-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 november 2019 en 20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte had een revolver in zijn woning voorhanden die was verstopt in een emmer hondenvoer in een hondenkamer. Het bezit van een dergelijk vuurwapen brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van derden met zich. Het is des te ernstiger dat dit wapen voor gebruik gereed was en dat bij deze revolver tien scherpe kogelpatronen (.22 Long Rifle) zijn aangetroffen, waarvan zes in het wapen. Met name gelet op de ernst van het feit is geen andere straf passend te achten dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Daarbij sluit het hof de ogen niet voor de maatschappelijke problematiek van vuurwapengebruik en de toename van het aantal schietincidenten in Nederland.

Het hof betrekt verder in zijn oordeel dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en dat hij geprobeerd heeft zijn voormalige vriendin de schuld in de schoenen te schuiven, waardoor zij ten onrechte als verdachte van vuurwapenbezit in beeld kwam.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2020 is hij eerder voor misdrijven onherroepelijk veroordeeld, hetgeen eveneens in zijn nadeel meeweegt.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat, met name gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met

de straf die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Ook het opleggen van een taakstraf, als bepleit door de raadsman, zou geen recht doen aan de ernst van het feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte daarvan, te weten 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 september 2020.

mrs. A. Dantuma-Hieronymus en D. Boessenkool zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]