Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3909

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
23-003984-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reeks strafbare feiten in korte tijd. Straf gelijk aan voorarrest gerechtvaardigd gelet op inmiddels in een andere strafzaak opgelegde ISD-maatregel (na onderhavige feiten) en persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003984-18

datum uitspraak: 3 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2018 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-175952-18 (zaak A) en 13-173658-18 (zaak B) en 13-176471-18 (zaak C) en 13-188686-18 (zaak D) en 13-202726-18 (zaak E) en 13-192633-18 (zaak F), alsmede 13-701357-17 (TUL) en 13-080544-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1989,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zaak A

hij op of omstreeks 4 september 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een woonboot, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

zaak B
1.
hij op of omstreeks 02 september 2018 te Amsterdam, in de woning, het besloten lokaal en/of het erf, gelegen in/aan de [adres 1], bij een ander, te weten bij [benadeelde] en/of [slachtoffer 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen, waarbij hij, verdachte, bedreigingen heeft geuit en/of zich heeft bediend van middelen, geschikt om vrees aan te jagen, te weten het vastpakken en/of vastgrijpen van die [slachtoffer 2] en/of het omver werpen en/of gooien van meubilair.
2.
hij op of omstreeks 02 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een bank(stel) en/of een stoel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.


zaak C
hij op of omstreeks 5 september 2018 te Amsterdam een pakket, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

zaak D
hij op of omstreeks 24 september 2018 te Amsterdam in de woning, het besloten lokaal en/of het erf, [adres 2] van de GGZ Ingeest, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

zaak E
hij op of omstreeks 14 oktober 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer etenswaar, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

zaak F
hij op of omstreeks 30 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een deur(klopper), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 4] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot enigszins andere bewezenverklaringen komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A
hij op of omstreeks 4 september 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een woonboot, toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft vernield.

zaak B
1.
hij op 2 september 2018 te Amsterdam in de woning aan de [adres 1], bij [benadeelde] en [slachtoffer 2] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, waarbij hij zich heeft bediend van middelen, geschikt om vrees aan te jagen, te weten het omver gooien van meubilair.
2.
hij op 2 september 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een bank toebehorende aan [slachtoffer 2] en [benadeelde], heeft beschadigd.

zaak C
hij op 5 september 2018 te Amsterdam een pakket, toebehorende aan [slachtoffer 3], heeft weggenomen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

zaak D

hij op 24 september 2018 te Amsterdam in het besloten lokaal, [adres 2] van de GGZ Ingeest in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

zaak E
hij op 14 oktober 2018 te Amsterdam etenswaar, toebehorende aan [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

zaak F
hij op 30 september 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur(klopper), toebehorende aan [slachtoffer 4], heeft beschadigd.

Hetgeen in de zaken A, B onder 1 en 2, C, D, E en F meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen terwijl hij zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen.

Het in zaak B onder 2 en in zaak F bewezenverklaarde levert telkens op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het in zaak C en zaak E bewezenverklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het in de zaak D bewezenverklaarde levert op:

wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen-verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich binnen een korte tijdspanne schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten, te weten twee diefstallen, drie gevallen van vernieling/beschadiging en twee gevallen van huis/lokaalvredebreuk. De verdachte heeft er daarmee blijk van gegeven het eigendom / gebruiksrecht van anderen niet te respecteren. Ook heeft hij gezorgd voor overlast en anderen schrik aangejaagd door zijn intimiderende handelen, met name bij de feiten in zaak B. De benadeelden hebben door de feiten (financieel) hinder ondervonden. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2020 is hij eerder voor (vermogens)misdrijven onherroepelijk veroordeeld.

Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur.

Het hof heeft echter ook acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte na de onderhavige feiten bij (onherroepelijk geworden) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2019 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van één jaar. Gelet hierop en in aanmerking genomen de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte – in het bijzonder de psychische toestand van de verdachte ten tijde van (een deel van) de aan hem tenlastegelegde feiten, zoals ter terechtzitting bij het hof gebleken – acht het hof een straf gelijk aan de duur van het voorarrest (te weten twee dagen), passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.400,00 bestaande uit € 400,00 ter zake van materiële schade en

€ 1.000 voor immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 700,00 bestaande uit

€ 400,00 ter zake van materiële schade en € 300,00 ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en heeft de vordering beperkt tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen overeenkomstig de beslissing van de politierechter.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 400,00 ter zake van materiële schade (het opnieuw stofferen van de onderkant van de bank) zal worden toegewezen. Voorts acht het hof toekenning van € 300,00 voor de psychische gevolgen van de in zaak B bewezenverklaarde feiten billijk. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de schrik die de verdachte bij het slachtoffer door zijn angstaanjagende handelwijze in de veiligheid van zijn eigen huis, waar hij met zijn echtgenote woont, heeft teweeggebracht. Voorts heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 138, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2017 (parketnummer 13-701357-17) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken.

Het openbaar ministerie heeft voorts gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2017 (parketnummer 13-080544-17) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 dagen.

Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

In de (bijzondere) persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof termen de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (parketnummer 13-175952-18), zaak B (parketnummer 13-173658-18) onder 1 en 2, zaak C (parketnummer 13-176471-18), zaak D (parketnummer 13-188686-18), zaak E (parketnummer 13-202726-18) en zaak F (parketnummer 13-192633-18) tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak in de zaak A (parketnummer 13-175952-18) en in de zaak B (parketnummer 13-173658-18) onder 1 en 2 en in de zaak C (parketnummer 13-176471-18) en in de zaak D (parketnummer 13-188686-18) en in de zaak E (parketnummer 13-202726-18) en in de zaak F (parketnummer 13-192633-18) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij B. [benadeelde] ter zake van het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) bestaande uit € 400,00 (vierhonderd euro) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd B. [benadeelde], ter zake van het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 700,00 (zevenhonderd euro) bestaande uit € 400,00 (vierhonderd euro) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 22 oktober 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van, 15 maart 2017 (parketnummer 13-701357-17), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 22 oktober 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2017 (parketnummer 13-080544-17), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 september 2020.

Mrs. A. Dantuma-Hieronymus en D. Boessenkool zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

[…]

[…]