Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3862

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
19/00779 en 19/00780
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:871, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bpm; toepassing Unierecht; niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen voldoening op aangifte; procedurele grieven; rentevergoeding; griffierecht; vergoeding immateriële schade; proceskostenvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-03-2021
FutD 2021-1082 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 19/00779 en 19/00780

3 december 2020

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z], belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

tegen de uitspraak van 8 mei 2019 in de zaken met kenmerken HAA 17/2937 en HAA 17/2938 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

- op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade -

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 18 juni 2013 een bedrag van € 3.851 aan belasting van

personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan ter zake van de registratie van een personenauto.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 13 november 2013 aan belanghebbende

een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 559.

1.3.

Belanghebbende heeft in één geschrift bezwaar gemaakt tegen zowel de voldoening op

aangifte als de naheffingsaanslag. De inspecteur heeft in twee afzonderlijke uitspraken op bezwaar, gedagtekend 29 mei 2017, het bezwaar tegen de voldoening niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak

van 8 mei 2019 als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 3.073;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister voor Rechtsbescherming) tot betaling van een immateriële schadevergoeding [het Hof leest: vergoeding van immateriële schade] aan eiser tot een bedrag van € 427;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 256;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 336 (tweemaal € 168 aan eiser te vergoeden.”

1.5.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is

bij het Hof ingekomen op 3 juni 2019 en is aangevuld bij brief van 19 juni 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Bij brief van 26 augustus 2020 zijn partijen uitgenodigd voor een regiezitting op 30 september 2020. Bij faxbericht van 2 september 2020 heeft belanghebbende een verzoek ingediend tot wraking van de op de uitnodiging vermelde raadsheren. De wrakingskamer van het Hof heeft het wrakingsverzoek bij uitspraak van 22 september 2020 afgewezen.

1.7.

Op 30 september 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.8.

Op 26 november 2020 is, vóór aanvang van de zitting, van belanghebbende per e-mail een pleitnota ontvangen, welke pleitnota betrekking heeft op alle ter zitting te behandelen zaken, ook betreffende andere belanghebbenden (zie 1.9). Deze pleitnota is voor aanvang van de zitting door de griffier per e-mail doorgestuurd naar de inspecteur.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Het onderzoek in deze zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaken met kenmerken 18/00672, 18/00716 en 18/00717, 18/00718 en 18/00719, 18/00720, 19/00014 tot en met 19/00016, 19/00017, 19/00026 en 19/00027, 19/00028 en 19/00029, 19/00030 en 19/00031, 19/00039 betreffende in hoofdzaak dezelfde geschilpunten, maar andere belanghebbenden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld.

“1. Eiser heeft op 18 juni 2013 BPM op aangifte voldaan voor een motorrijtuig van het merk Mercedes Benz C180.

2. Naar aanleiding van de op 13 november 2013 opgelegde naheffingsaanslag heeft eiser op 9 december 2013 een brief naar verweerder gestuurd waarin onder andere het volgende is vermeld:

“Hierbij maak ik namens belanghebbende pro forma bezwaar inzake de registratie van het voertuig

van het merk Mercedes-Benz, type C 180, [***], middels voldoening van

belasting op aangifte in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van

opgegeven kentekens.

Belanghebbende komt onder meer op tegen de opgelegde naheffingsaanslag met aanslagnummer (...) van 13 november2013.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een aantal grieven aangevoerd betreffende - naar het Hof begrijpt - de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de voldoening op aangifte, de vergoeding van immateriële schade, de vergoeding van rente, de bewijslastverdeling, het (niet) vooraf horen bij naheffing van bpm en in de bezwaarfase, de proceskostenvergoeding, en de hoogte van het griffierecht. De inspecteur heeft alle standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar (HAA 17/2938)

5. Een bezwaarschrift bevat ten minste: de naam en het adres van de indiener, de

dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht, en de

gronden van het bezwaar (artikel 6:5, eerste lid, van de Awb). In geschil is of de brief van

eiser van 9 december 2013 een tegen de voldoening van BPM gericht bezwaarschrift bevat.

6. Naar het oordeel van de rechtbank kan het eerste deel van het onder 2. weergegeven citaat

niet anders worden gelezen dan dat bezwaar wordt gemaakt ter zake van de voldoening op

aangifte. Die enkele passage is voldoende om te concluderen dat het bezwaar betrekking

heeft op de voldoening. Dat er vervolgens wordt gesproken over de naheffingsaanslag kan

daaraan niet afdoen, mede gezien het bepaalde in artikel 24a, eerste lid, van de Algemene

wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), alwaar is bepaald dat bij één bezwaarschrift

bezwaar kan worden gemaakt tegen meer dan één belastingaanslag. Overigens is verweerder er zelf in eerste instantie ook van uitgegaan dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de

voldoening op aangifte. Hij heeft immers uitspraak op bezwaar gedaan.

7. Op grond van artikel 6:7 van de Awb geldt een termijn voor het indienen van een

bezwaarschrift van zes weken. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift niet is ingediend

binnen deze termijn. Een niet tijdig ingediend bezwaarschrift is niet-ontvankelijk, tenzij de

termijnoverschrijding verschoonbaar is. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar indien

redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest (artikel

6: 11 van de Awb). Eiser heeft gesteld dat er geen rechtsmiddelenverwijzing op het

aangiftebiljet staat. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij van mening is dat de

termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat het ontbreken van een

rechtsmiddelenverwijzing de oorzaak is geweest van de termijnoverschrijding. De rechtbank

overweegt hierover als volgt.

8. In twee arresten van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3441 en

ECLI:NL:HR:2014:3510) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het bij belastingen die worden

geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte niet mogelijk is om met

overeenkomstige toepassing van artikel 3:45 van de Awb te vermelden door wie, binnen

welke termijn en bij welk bestuursorgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan

worden ingesteld, maar dat dit niet wegneemt dat een belanghebbende bij voldoening of

afdracht van belastingen op aangifte zich bij overschrijding van de bezwaartermijn kan

beroepen op artikel 6:11 van de Awb met het verweer dat die overschrijding verschoonbaar

is omdat een rechtsmiddelenclausule ontbrak. Dit verweer faalt in gevallen waarin op grond

van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een

belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken.

9. Eiser heeft voor het verzorgen van zijn aangifte BPM gebruik gemaakt van de diensten

van een professionele partij, te weten [A]. Van die professionele partij kan

redelijkerwijs worden aangenomen dat zij op de hoogte is van de mogelijkheid bij de

inspecteur bezwaar te maken tegen het voldoen van BPM op aangifte, en van de termijn

waarbinnen dit bezwaar gemaakt dient te worden. Die kennis kan aan eiser worden

toegerekend, zodat hij niet met vrucht een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 6: 11

van de Awb op de enkele grond dat verweerder hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid

bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte.

10. Nu geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, heeft verweerder het

bezwaar tegen de voldoening terecht niet ontvankelijk verklaard De rechtbank verklaart het

beroep in zoverre ongegrond.

Hoorplicht in de bezwaarprocedure tegen de voldoening (HAA 17/2938)

11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Op grond van

artikel 7:2 van de Awb in verbinding met artikel 25, eerste lid, van de AWR en § 9 van het

Besluit Fiscaal Bestuursrecht dient verweerder een belanghebbende in de gelegenheid te

stellen om te worden gehoord. Niet gebleken is dat eiser over de onderhavige zaak is

gehoord, terwijl niet is gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de

Awb waarin van het horen van eiser kon worden afgezien. Gelet hierop stelt eiser dat

verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. De

rechtbank overweegt hierover als volgt.

12. Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld,

ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen beginsel,

door de rechtbank in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbende

daardoor niet is benadeeld. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schending van

de hoorplicht te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiser heeft in de

beroepsfase de gelegenheid gehad zich alsnog uit te laten over de verschoonbaarheid van de

overschrijding van de bezwaartermijn. Omdat niet de datum waarop bezwaar is gemaakt in

geschil is maar alleen de daaraan te verbinden juridische gevolgen, is de rechtbank van

oordeel dat eiser door het niet-horen niet is benadeeld.

Hoorplicht in de bezwaarprocedure tegen de naheffingsaanslag (HAA 17/2937)

13. Eiser stelt dat ook in de bezwaarprocedure tegen de naheffingsaanslag de hoorplicht is

geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden. Met het

vernietigen van de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag is verweerder volledig

tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser. Gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en

onderdeel e, van de Awb kon verweerder daarom afzien van het horen van eiser. De

omstandigheid dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar niet tegemoet is gekomen aan het

verzoek van eiser om vergoeding van de werkelijke proceskosten doet daar niet aan af. Een

dergelijk verzoek wordt, gelet op de tekst van artikel 7:15 van de Awb, aangemerkt als een

nevenvordering en staat los van het materiële bezwaar, waaraan verweerder volledig is

tegemoetgekomen (Gerechtshof Amsterdam 14 juli 2016, ECLI :NL:GHAMS :2016:3093).

Verweerder was dan ook niet verplicht eiser te horen, van een schending van de hoorplicht

is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Invorderingsrente (beide zaken)

14. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte niet heeft

onderzocht of eiser recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel

28e van de Invorderingswet 1990.

15. De rechtbank kan hierover geen oordeel geven, gelet op de arresten van de Hoge Raad

van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, en 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1789. Daaruit volgt dat de omstandigheid dat een belastingplichtige zich tot de ontvanger dient te wenden ter verkrijging van invorderingsrente niet in strijd is met liet Unierecht. Dit brengt mee dat de vraag of invorderingsrente vergoed dient te worden en of hiervoor als voorwaarde mag worden gesteld dat een verzoek wordt gedaan in een afzonderlijke procedure tegen de ontvanger aan de orde dient te worden gesteld en niet in de onderhavige procedure beoordeeld kan worden. Een beroepsgrond die ziet op vergoeding van invorderingsrente kan om die reden niet in behandeling worden genomen.

Kostenvergoeding bezwaarfase (beide zaken)

16. Eiser heeft in beide zaken in de bezwaarfase verzocht om een integrale

kostenvergoeding. Eiser stelt in zijn beroepschrift dat verweerder tegen beter weten in de

naheffingsaanslag opgelegd vanwege ‘flagrante strijd’ met artikel 110 van het Verdrag

betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en omdat geen sprake is van

onrechtmatige wetgeving.

Kostenvergoeding bezwaarfase voldoening HAA 17/2938

17. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat verweerder het bezwaar van eiser terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard in verband met een niet verschoonbare

termijnoverschrijding, bestaat er om die reden geen aanleiding om een (integrale)

proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag (HAA 17/2937)

18. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) worden de kosten

van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In

bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid om een hogere vergoeding toe te

kennen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802

beslist, dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding, in afwijking van de

forfaitaire bedragen van het Besluit grond is, als het bestuursorgaan het verwijt treft dat het

een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet, terwijl op dat moment duidelijk is

dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal

houden (het “tegen beter weten in”-criterium). Ook als verweerder in vergaande mate

onzorgvuldig heeft gehandeld kan aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het

geval in aanmerking nemende, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit

(Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:20 11 :BP2975).

19. Voor de vraag of verweerder, zoals eiser heeft gesteld, tegen beter weten in de

naheffingsaanslag heeft opgelegd, is het volgende van belang. Uit de aankondiging van de

naheffingsaanslag (brief van 13 september 2013 ) blijkt dat de naheffingsaanslag is gegrond

op het feit dat verweerder zich op het standpunt stelde dat eiser bij vaststelling van de

werkelijke afschrijving op basis van een koerslijst is uitgegaan van een koerslijst van XRAY

‘marge’, terwijl volgens verweerder uit diende te worden gegaan van een ‘BTW’-voertuig.

Nadat het bezwaarschrift en de motivering van het bezwaarschrift varen ingediend, volgt

(na enige tijd) de uitspraak op bezwaar waarbij de naheffingsaanslag wordt vernietigd. De

uitspraak op bezwaar verwijst ter motivering van de vernietiging uitsluitend naar

“ontwikkelingen in de rechtspraak en regelgeving”.

20. De ontwikkelingen in de rechtspraak waarnaar verweerder in de uitspraak op bezwaar

verwijst, omhelst naar de rechtbank begrijpt het arrest van de Hoge Raad van 27 januari

2017, ECLI:NL:HR:2017:45. Die zaak betrof immers de vraag of voor de BPM-berekening

van koerslijsten voor margeauto’s of van koerslijsten voor BTW-auto’s moet worden

uitgegaan. De Hoge Raad heeft die vraag in voormeld arrest beantwoord, aldus dat enkel

uitgegaan kan worden van koerslijsten voor margeauto’s. Hiervan uitgaande is sprake

geweest van naheffing in strijd met het Europese recht. Nu de naheffingsaanslag echter jaren

voordat voormeld arrest is gewezen is opgelegd, kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn

stelling dat verweerder door het opleggen van de naheffingsaanslag heeft gehandeld tegen

beter weten in. De stelling van eiser dat verweerder heeft gehandeld tegen beter weten in, is

onvoldoende onderbouwd. Opgemerkt wordt evenwel dat de motivering van de uitspraak op

bezwaar door verweerder niet helder is geformuleerd, aangezien daaruit niet zondermeer

valt af te leiden waarom de naheffingsaanslag precies is vernietigd. Dit euvel in de

motivering leidt echter op zich niet tot de conclusie dat ruimte bestaat voor integrale

proceskostenvergoeding.

Overschrijding redelijke termijn (beide zaken)

21. Anders dan eiser veronderstelt, is er geen aanleiding om ambtshalve te beoordelen of

sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, noch voor verweerder, noch voor de

rechtbank. Ten aanzien van eisers verzoek om vergoeding van immateriële schade als

gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt.

22. Eiser stelt dat tussen de voldoening en de naheffing geen samenhang bestaat voor de

toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank verwerpt deze

stelling op de grond dat beide zaken van eiser betrekking hebben op hetzelfde onderwerp,

namelijk de voldoening van BPM en de naar aanleiding daarvan opgelegde

naheffingsaanslag, beide ter zake van dezelfde auto, ten aanzien waarvan nagenoeg dezelfde

grieven zijn aangevoerd.

23. Het bezwaarschrift is op 9 december 2013 door verweerder ontvangen, Op 29 mei 2017

heeft verweerder de uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift hiertegen is op 22 juni

2017 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank doet op 8 mei 2019 uitspraak.

24. Tussen het moment van ontvangst van het bezwaarschrift op 9 december 2013 en de

uitspraak van de rechtbank op 8 mei 2019 zit, afgerond, vijfjaar en vijf maanden ( 65 maanden). De redelijke termijn van twee jaar is met drie jaar en vijf maanden (41 maanden) overschreden, waarbij een periode van minder dan zes maanden wordt vastgesteld op zes maanden. Er is gesteld noch gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. Aldus heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding, berekend over zeven keer een halfjaar, ofwel € 500 per halfjaar, zijnde € 3.500. Aangezien de bezwaarfase, gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar (29 mei 2017), afgerond 42 maanden heeft geduurd, is een periode van de overschrijding van de redelijke termijn voor 36 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant is toe te rekenen aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 36/41e deel van € 3.500 te betalen (€ 3.073) en de Staat (de minister voor Rechtsbescherming) 5/4 le deel (€ 427).

Proceskosten

25. Omdat de rechtbank van oordeel is dat eiser recht heeft op een immateriële

schadevergoeding, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die

eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De

proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een

derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 256 (1 punt voor het indienen

van het beroepschrift met een waarde van € 512 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenveroordeling enkel wordt toegekend omdat aan eiser immateriële schadevergoeding wordt toegekend, hetgeen niet was gevorderd en een factor 1 wegens samenhang). De rechtbank wijst de vergoeding van werkelijke proceskosten af omdat verweerder niet in vergaande mate onzorgvuldig of tegen beter weten in heeft gehandeld. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft verzocht om aanhouding van het onderwerpelijke hoger beroep, onder verwijzing naar een inbreukprocedure als bedoeld in artikel 258 VWEU, welke door de Europese Commissie op zijn verzoek zou zijn gestart tegen de lidstaat Nederland. Na afweging van alle belangen heeft het Hof geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor aanhouding.

Toepassing Unierecht

5.2.

Het betoog van belanghebbende, inhoudende dat het Hof – of meer algemeen: de Nederlandse rechter – niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen, miskent de werking van het Unierecht en de rol die het stellen van prejudiciële vragen daarin speelt. De nationale rechter is juist gehouden het Unierecht zelf toe te passen. Het standpunt dat de Nederlandse belastingrechtspraak in dezen in strijd handelt met het verbod op uitleg van het Unierecht berust op een onjuiste lezing van het CILFIT-arrest. In genoemd arrest is het leerstuk van de ‘acte éclairé’ juist verruimd en is voor het eerst uitdrukkelijk de toepassing van de leer van de ‘acte clair’ erkend door het Hof van Justitie. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de belastingrechter op grond van het CILFIT-arrest verplicht is een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie in alle gevallen waarin de belanghebbende stelt dat sprake is van een onjuiste uitleg van het Unierecht, vindt dit standpunt geen steun in genoemd arrest, noch elders in het recht. Het Hof verwijst in dit verband naar de conclusie van AG Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, onderdeel 7.2. Tot slot zij opgemerkt dat tegen beslissingen van het Hof cassatieberoep openstaat, zodat het Hof wel bevoegd maar niet verplicht is om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie (art. 267 VWEU).

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen voldoening op aangifte

5.3.

Anders dan belanghebbende betoogt heeft de rechtbank niet geoordeeld dat artikel 3:45 Awb een verplichting tot rechtsmiddelverwijzing oplegt aan een private partij. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende zich bij de voldoening op aangifte heeft laten bijstaan door een professionele partij en dat de kennis van deze professionele partij – waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze op de hoogte is van de bezwaartermijn – aan belanghebbende wordt toegerekend, zodat belanghebbende niet met vrucht een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 6:11 Awb op de enkele grond dat de inspecteur hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte. Dit oordeel van de rechtbank is juist (vgl. Hoge Raad 5 december 2014, nr. 13/05778, ECLI:NL:HR:2014:3441). Nu belanghebbende ook anderszins geen gronden heeft aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, heeft de rechtbank het tegen de voldoening op aangifte gerichte bezwaarschrift op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

Procedurele grieven

5.4.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 21 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1695) volgt dat op een belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte betaalde bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Het betoog van belanghebbende dat deze bewijslastverdeling strijdig is met artikel 110 VWEU vindt geen steun in het recht. Voor zover belanghebbende zich ter zake van de bewijslastverdeling beroept op het arrest Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4811, r.o. 4, merkt het Hof op dat dit arrest een geschil over bpm-heffing in het jaar 1993 betrof, een jaar waarin de verminderingsregeling van artikel 10 Wet BPM (een vaste vermindering met 1% per maand) nog niet in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 110 VWEU (destijds: artikel 95 EG-Verdrag), zodat aan dit arrest thans geen betekenis meer toekomt voor de beantwoording van de vraag op wie de bewijslast rust ten aanzien van de hoogte van de toe te passen vermindering.

5.5.

Het betoog van belanghebbende dat hij vóór het opleggen van de naheffingsaanslag uitgenodigd had moeten worden voor een hoorgesprek vindt geen steun in het recht. Het recht om te worden ‘gehoord’ voordat een nadelig besluit wordt genomen, houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Die gelegenheid is belanghebbende geboden. Het recht van de Unie eist niet dat de betrokkene wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek (vgl. Hoge Raad 21 maart 2019, nr. 18/01157, ECLI:NL:HR:2019:393).

5.6.

Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat hij in zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag ten onrechte niet is gehoord. De naheffingsaanslag is door de inspecteur vernietigd in zijn uitspraak op bezwaar. De inspecteur is in dat geval noch op grond van de Awb noch op grond van het Unierecht gehouden belanghebbende te horen (vgl. HR 25 oktober 2019, nr. 18/04694, ECLI:NL:HR:2019:1619). De hoorplicht heeft, zo volgt uit dit arrest, geen betrekking op nevenvorderingen, zoals vorderingen tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade.

5.7.

Indien er al van moet worden uitgegaan dat ook in een situatie zoals hier aan de orde, waarin pas in de loop van de procedure tegen de naheffingsaanslag bezwaar is gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag aan belasting, op een moment dat de termijn voor het daartegen instellen van bezwaar reeds ver is overschreden, de inspecteur het bezwaar niet niet-ontvankelijk mag verklaren voordat hij de belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, ziet het Hof desalniettemin - voor zover nodig met toepassing van art. 6:22 Awb - geen aanleiding de uitspraak op bezwaar waarin belanghebbende met toepassing van art. 7:3, aanhef en onderdeel a, Awb zonder te worden gehoord niet-ontvankelijk is verklaard, te vernietigen. Van de zijde van belanghebbende is namelijk in geen enkele fase van het geding een omstandigheid gesteld op grond waarvan redelijkerwijs zou kunnen worden geoordeeld dat hij met betrekking tot de termijnoverschrijding niet in verzuim is en een dergelijke omstandigheid is het Hof ook niet gebleken. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zich bij het doen van de aangifte heeft laten bijstaan door een professional en de kennis van deze professional (over de bezwaartermijn) aan hem wordt toegerekend. Het is dan ook aannemelijk dat belanghebbende door de omstandigheid dat hij niet is gehoord en hem niet is gevraagd zich uit te laten over de eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, niet is benadeeld.

Rentevergoeding

5.8.

Het standpunt van belanghebbende dat bij teruggaven van bpm wegens strijd met het Unierecht door de inspecteur ambtshalve rente dient te worden vergoed en dat de Nederlandse wettelijke regeling (artikel 28c Invorderingswet) die bepaalt dat een belanghebbende om rentevergoeding dient te verzoeken bij de ontvanger daarom in strijd is met het Unierecht, vindt geen steun in het recht (vgl. Hoge Raad 3 maart 2017, 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, Hoge Raad 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790 en Hof van Justitie 23 april 2020, gevoegde zaken C‑13/18 en C‑126/18, ECLI:EU:C:2020:292, rechtsoverweging 67). In hetgeen belanghebbende in hoger beroep hiertegen heeft aangevoerd ziet het Hof geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

Nu in casu geen beschikking van de ontvanger op de voet van artikel 28c Invorderingswet voorligt, komt het Hof niet toe aan de behandeling van het betoog van belanghebbende dat het rentepercentage ten minste 10 percent zou moeten bedragen.

5.9.

Het standpunt van belanghebbende dat bij terugbetaling van griffierecht rente dient te worden vergoed vanaf de datum van betaling van dat griffierecht, vindt geen steun in het recht (vgl. Hoge Raad 24 september 2010, nr. 09/03257, ECLI:NL:HR:2010:BN8049 en Hoge Raad 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623).

5.10.

Indien in dit betoog ook een verzoek besloten ligt om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, heeft het volgende te gelden. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van de geldsom. Dit brengt mee dat wanneer de vergoeding van het griffierecht (of een andere toegekende vergoeding) niet binnen vier weken na de datum waarop de rechtbank haar uitspraak heeft gedaan, is betaald door de inspecteur, vanaf dat moment wettelijke rente is verschuldigd door de inspecteur (vgl. Hoge Raad 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358).

Dit geldt ook indien, zoals in deze zaak, de veroordeling tot vergoeding is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel is aangewend en de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat daarop is beslist (zie Hoge Raad 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315).

5.11.

Voor zover belanghebbende er over klaagt dat de uit de uitspraak van de rechtbank voortvloeiende betalingen niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden miskent deze klacht dat ingevolge het bepaalde in artikel 27h, lid 3, AWR de werking van de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort indien daartegen een rechtsmiddel wordt aangewend. Dit laat onverlet dat – zoals hiervoor reeds opgemerkt – het tijdvak waarover de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) verschuldigd is over (onder meer) veroordelingen tot betaling van griffierecht, proceskosten en vergoeding van immateriële schade, aanvangt vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank (vgl. Hoge Raad 21 december 2018, 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358, r.o. 2.2.2).

5.12.

Nu belanghebbende betoogt dat rente dient te worden vergoed over het terugbetaalde griffierecht, zal het Hof - wellicht ten overvloede - de inspecteur veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over genoemde vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening.

Griffierecht

5.13.

Het betoog van belanghebbende dat de heffing van griffierecht de toegang tot de rechter ontoelaatbaar beperkt vindt geen steun in het recht. Dit is niet anders indien het verschuldigde griffierecht meer bedraagt dan een bepaald percentage van het materiële belang van het geschil (vgl. Hoge Raad 19 oktober 2019, nr. 18/01429, ECLI:NL:HR:2019:1579). Zoals de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 28 maart 2014, nr. 12/03888, ECLI:NL:HR:2014:699, r.o. 3.3.7, wordt een rechtzoekende zonder betaling van griffierecht ontvangen in zijn of haar (hoger) beroep indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het Hof constateert dat belanghebbende geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het heffen van het griffierecht het belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt gebruik te maken van het recht op beroep op de rechter. Belanghebbende heeft het verschuldigde griffierecht tijdig betaald en kan daarom worden ontvangen in zijn hoger beroep. Van een ontoelaatbare belemmering van de toegang tot de rechter is reeds daarom geen sprake.

Vergoeding immateriële schade

5.14.

Het standpunt van belanghebbende dat het verzoek om vergoeding van immateriële schade bij de rechtbank behandeld had moeten worden door andere rechters vindt geen steun in het recht (vgl. Hoge Raad 19 april 2019, 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623).

5.15.

Het Hof verwerpt het betoog van belanghebbende dat de rechtbank hem voor beide zaken (voldoening en naheffing) een vergoeding voor immateriële schade had moeten toekennen. Zowel de inspecteur als de rechtbank heeft de zaken gezamenlijk behandeld en de zaken zijn in bezwaar en beroep in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp en feitencomplex gebaseerd. Indien zaken vanwege hun samenhang gezamenlijk worden behandeld en beslist, moet bij overschrijding van de redelijke termijn per fase van de procedure eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade worden toegekend (vgl. Hoge Raad 3 april 2020, nr. 19/00744, ECLI:NL:HR:2020:586). De rechtbank heeft de door de inspecteur en de door de Minister te vergoeden immateriële schade op de juiste bedragen vastgesteld.

5.16.

De onderwerpelijke uitspraak is gedaan binnen twee jaar na indiening van het hogerberoepschrift, zodat van een overschrijding van de behandeltermijn in hoger beroep geen sprake is.

Proceskostenvergoeding

5.17.

De rechtbank heeft belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend van € 256, volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage daarbij. Het verzoek van belanghebbende om een integrale vergoeding van de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand wegens schending van het Unierecht wordt door het Hof verworpen. Zo al sprake is van een schending van het Unierecht vormt deze omstandigheid op zichzelf geen grond voor een integrale proceskostenvergoeding (vgl. Hoge Raad 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, Hoge Raad 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, en Hoge Raad 13 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833). Ook anderszins zijn geen bijzondere omstandigheden komen vast te staan die aanleiding vormen om een hogere vergoeding toe te kennen dan de forfaitaire proceskosten volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage daarbij.

5.18.

Anders dan belanghebbende betoogt is het toekennen van een forfaitaire proceskostenvergoeding niet in strijd met het Unierecht (vgl. Hoge Raad 17 december 2004, C03/114HR, De Haan/Staat, BNB 2005/239 en Hoge Raad 3 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833).

5.19.

Al hetgeen belanghebbende overigens in dit geding heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

5.20.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van griffierecht, immateriële schade en proceskosten vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, F.J.P.M. Haas en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 3 december 2020 uitgesproken en wordt voorts gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.