Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3855

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
18/00720
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1456, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bpm; toepassing Unierecht; verschuldigdheid van bpm; procedurele grieven; rentevergoeding; griffierecht; vergoeding immateriële schade; proceskostenvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-03-2021
V-N Vandaag 2021/728
FutD 2021-1047
NTFR 2021/1181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 18/00720

3 december 2020

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

tegen de uitspraak van 26 november 2018 in de zaak met kenmerk HAA 17/1089 en HAA 17/2764 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

- op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade -

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 30 september 2015 aan belanghebbende

een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd van € 1.401, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 140.

1.2.

De inspecteur heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 18 januari 2017 afgewezen en de naheffingsaanslag en verzuimboete gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak

van 26 november 2018 als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de naheffingsaanslag en vernietigt de daarbij genomen boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002;

- gelast verweerder aan eiseres een vergoeding van immateriële schade ad € 1.000 te betalen;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister voor Rechtsbescherming) tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500, en

- gelast verweerder het betaalde griffierecht ad € 168 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is

bij het Hof ingekomen op 19 december 2018 en is aangevuld bij brief van 11 januari 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij brief van 26 augustus 2020 zijn partijen uitgenodigd voor een

regiezitting op 30 september 2020. Bij faxbericht van 2 september 2020 heeft belanghebbende een verzoek ingediend tot wraking van de op de uitnodiging vermelde raadsheren. De wrakingskamer van het Hof heeft het wrakingsverzoek bij uitspraak van 22 september 2020 afgewezen.

1.6.

Op 30 september 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7.

Op 13 november 2020 is van belanghebbende een pleitnota ontvangen.

1.8.

Op 26 november 2020 is, vóór aanvang van de zitting, van belanghebbende per e-mail een aanvullende pleitnota ontvangen, welke pleitnota betrekking heeft op alle ter zitting te behandelen zaken, ook betreffende andere belanghebbenden (zie 1.9). Deze pleitnota is voor aanvang van de zitting door de griffier per e-mail doorgestuurd naar de inspecteur.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Het onderzoek in deze zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaken met kenmerken 18/00672, 18/00716 en 18/00717, 18/00718 en 18/00719, 19/00014 t/m 19/00016, 19/00017, 19/00026 en 19/00027, 19/00028 en 19/00029, 19/00030 en 19/00031, 19/00039, 19/00779 en 19/00780, betreffende in hoofdzaak dezelfde geschilpunten, maar andere belanghebbenden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld.

“1. Eiseres stond tot 5 februari 2002 ingeschreven in Frankrijk. Vanaf 2005 stond eiseres ingeschreven op een adres in Nederland; vanaf 2010 tot 19 oktober 2017 op een adres in [Z] , alwaar ook haar toenmalige echtgenoot en hun gezamenlijke in 2006 geboren zoon staan ingeschreven. De woning op dit adres is de koopwoning van de voormalige echtgenoot. De naam van eiseres is vermeld in de akte van geldlening ten behoeve van de financiering van deze woning.

2. Eiseres is sinds 2007 eigenaar van een Audi A4 (hierna: de auto). De auto heeft een Frans kenteken. Eiseres heeft in 2002 BPM voldaan ter zake van de registratie in Nederland van een uit Frankrijk afkomstige Fiat Bravo.

3. In haar als binnenlands belastingplichtige gedane aangifte voor de inkomstenbelasting 2014 heeft eiseres een verzoek gedaan tot toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. In deze aangifte heeft eiseres als haar hoofdverblijf de woning in [Z] aangegeven. In de aangifte is geen melding gemaakt van in Frankrijk gegenereerd inkomen.

4. Eiseres heeft in Nederland een zorgverzekering en een bankrekening. Eiseres heeft een website inzake haar in Nederland te verrichten werkzaamheden als schoonheidsspecialiste, met als adres de woning in [Z] .

5. Op 26 november 2014 heeft de Belastingdienst tijdens een verkeerscontrole geconstateerd dat eiseres op de openbare weg reed met de auto. Van deze constatering is een melding aangemaakt.

6. Voornoemde constatering heeft ertoe geleid dat verweerder bij brief van 14 januari 2015 zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag BPM en het nemen van een beschikking waarbij een verzuimboete wordt opgelegd, aan eiseres heeft meegedeeld. In deze brief is opgenomen dat indien niet binnen drie weken wordt gereageerd de voorgenomen naheffingsaanslag en verzuimboete zullen worden opgelegd. De toenmalige echtgenoot van eiseres heeft gereageerd bij brief van 24 januari 2015.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een aantal grieven aangevoerd betreffende de haar woonplaats, de tijdelijkheid van het gebruik van de auto, vergoeding van immateriële schade, de vergoeding van rente, de bewijslastverdeling, het (niet) vooraf horen bij naheffing van bpm, de proceskostenvergoeding, en de hoogte van het griffierecht. De inspecteur heeft alle standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“8. Op grond van artikel 1, zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) is, ingeval een niet geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon, BPM verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld, zo luidt artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9. Gelijk de Hoge Raad in zijn arrest van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, heeft overwogen, dient het oordeel dat iemand in Nederland zijn woonplaats heeft te berusten op een weging van omstandigheden, op grond waarvan kan worden aangenomen dat er een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen belanghebbende en Nederland.

10. Gelet op de omstandigheden van eiseres oordeelt de rechtbank dat sprake is van een duurzame band tussen eiseres en Nederland. Gewezen wordt op de feiten hiervoor genoemd in 1, 3 en 4. Eiseres heeft daartegen geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Gelet op voormelde omstandigheden en daarbij in het bijzonder de duur van de inschrijving in Nederland, de betrokkenheid van eiseres bij de financiering van de woning van haar toenmalige echtgenoot, het feit dat die woning in de aangifte 2014 voor de inkomstenbelasting als hoofdverblijf van eiseres is opgegeven, het feit dat zowel haar toenmalige echtgenoot als haar zoon in Nederland woonden en eiseres niet eerder dan in 2017 is gescheiden van haar echtgenoot, leidt tot de conclusie dat zij in 2014 in Nederland woonde. De rechtbank verwerpt de stelling van eiseres dat – zo begrijpt de rechtbank haar – haar band met Nederland was beperkt tot het ondergaan van medische behandelingen in het kader van haar in dat jaar geconstateerde ziekte en bezoeken aan haar zoon en voormalige echtgenoot. Dat zij door haar ziekte meer in Nederland dan in Frankrijk aanwezig was dan zij wenste, leidt niet tot een andere conclusie. Dat zij (ook) in Frankrijk een huurwoning ter beschikking had, inkomsten uit verhuur van een appartement daar had, plannen had om daar samen met haar echtgenoot en zoon te wonen, geen Nederlands sprak en in Frankrijk (ook) werkzaam was als schoonheidsspecialiste, leidt niet tot de conclusie dat zij niet in Nederland woonde.

11. Uit het voorgaande volgt dat eiseres haar woonplaats in Nederland had ten tijde van de constatering dat zij van de openbare weg gebruik maakte met een auto die niet in Nederland geregistreerd was. Verweerder mocht in dat geval BPM naheffen.

12. Voor zover eiseres heeft bedoeld dat de naheffingsaanslag tijdsevenredig moet worden verminderd omdat het gebruik in Nederland incidenteel was, heeft zij dat niet onderbouwd. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de naheffingsaanslag tijdsevenredig moet worden verminderd omdat zij inmiddels in Frankrijk woont, heeft verweerder gesteld dat daarvoor een verzoek om teruggaaf moet worden ingediend en dit geen directe invloed heeft op de hoogte van de naheffingsaanslag. De rechtbank volgt verweerder hier in. Dat een verzoek om teruggaaf moet worden ingediend volgt uit de Wet BPM. Verweerder hoeft, ook in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, niet bij voorbaat rekening te houden met de gebruiksduur van het Nederlandse wegennet. Daarbij weegt mee dat gesteld noch onderbouwd is dat ten tijde van de naheffing bekend was of kon zijn dat eiseres op een specifiek later moment in Frankrijk zou komen te wonen. Ook is in de onderhavige procedure op geen enkel moment gesteld per wanneer eiseres weer in Frankrijk is gaan wonen.

13. Eiseres heeft gesteld dat op grond van de koerslijst AutotelexPro en het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45, de verschuldigde BPM lager is, te weten € 1.291. Naar aanleiding van de door partijen ter zitting besproken getallen en berekeningen is verweerder tot de conclusie gekomen dat op grond van die koerslijst juist tot een hoger bedrag aan verschuldigde BPM wordt gekomen, ook indien rekening wordt gehouden met een aftrek van 5% vanwege het gebruik van die koerslijst. Eiseres heeft dit standpunt onvoldoende weersproken.

14. De rechtbank verwijst voor de omschrijving van de overige geschilpunten en de beoordeling daarvan naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:9620, met betrekking tot grieven a tot en met g. De rechtbank ziet geen reden in deze zaak van deze uitspraak af te wijken. Voor zover deze grieven in deze zaak zijn aangevoerd, falen ze dan ook.

15. Voor zover eiseres heeft gesteld dat op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) recht bestaat op integrale vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep omdat verweerder ten tijde van de vaststelling van de naheffingsaanslag wist dat deze gelet op het Europese recht, in het bijzonder artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, geen stand zou houden, verwijst de rechtbank naar overweging 16 in de uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6559. De onderhavige naheffingsaanslag blijft in stand, zodat reeds daarom geen sprake is van naheffing in strijd met het (Europese) recht.

16. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat indien de naheffingsaanslag in stand blijft, hetgeen het geval is, hij bereid is alsnog ambtshalve te beoordelen in hoeverre de uitschrijving van eiseres uit Nederland moet leiden tot een restitutie van de nageheven BPM. Deze toezegging heeft voor het onderhavige beroep evenwel gelet op het hiervoor overwogene geen betekenis zodat de rechtbank volstaat met de constatering van wat verweerder heeft toegezegd.

17. Verweerder heeft ter zitting geconcludeerd tot vernietiging van de boetebeschikking. Het beroep is in zoverre gegrond.

18. Voor zover eiseres heeft gesteld dat verweerder reeds ten tijde van de vaststelling van de boete wist dat deze geen stand zou houden, welk ‘tegen beter weten in’ handelen van verweerder op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb moet leiden tot een integrale kostenvergoeding, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd.

Vergoeding van immateriële schade

19. Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding voor immateriële schade, aangezien de redelijke termijn waarbinnen geschillen over de heffing van belastingen behoren te worden beslecht is overschreden.

20. Het bezwaarschrift is op 13 oktober 2015 door verweerder ontvangen. Op 18 januari 2017 heeft verweerder de uitspraak op het bezwaar gedaan. Het beroepschrift hiertegen is op 17 februari 2017 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank doet op 26 november 2018 uitspraak.

21. Tussen het moment van ontvangst van het bezwaarschrift op 13 oktober 2015 en de uitspraak van de rechtbank op 26 november 2018 zit, afgerond, drie jaar en 2 maanden. De redelijke termijn van twee jaar is met 1 jaar en 2 maanden overschreden, waarbij een periode van minder dan 6 maanden wordt vastgesteld op 6 maanden. Er is gesteld noch gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. Aldus heeft eiseres recht op een vergoeding voor immateriële schade, berekend over 3 keer een half jaar, dat wil zeggen (3 x € 500 =) € 1.500. Deze overschrijding is voor 10 maanden (tweemaal een half jaar) toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor 3 maanden (eenmaal een half jaar) aan de beroepsfase, zodat de rechtbank verweerder zal veroordelen tot vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 1.000 en de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding van immateriële schade van € 500.

Proceskosten

22. De gegrondheid van het beroep met betrekking tot de boete en de veroordeling tot vergoeding van immateriële schade zijn aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten.

23. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 17 en verder over de proceskosten in de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:9620. In afwijking hiervan ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het onderhavige beroep gegrond is als gevolg van de vernietiging van de boete reden voor een berekening van proceskosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Besluit procesrecht bestuursrecht. De kosten worden berekend op € 1.002, te weten 2 punten (voor het indienen van een beroepschrift en voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting) x € 501 x 1 (wegingsfactor) zijnde € 1.002.

24. Andere kosten dan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn niet gesteld en zijn de rechtbank ook niet gebleken.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft verzocht om aanhouding van het onderwerpelijke hoger beroep, onder verwijzing naar een inbreukprocedure als bedoeld in artikel 258 VWEU, welke door de Europese Commissie op zijn verzoek zou zijn gestart tegen de lidstaat Nederland. Na afweging van alle belangen heeft het Hof geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor aanhouding.

Toepassing Unierecht

5.2.

Het betoog van belanghebbende, inhoudende dat het Hof – of meer algemeen: de Nederlandse rechter – niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen, miskent de werking van het Unierecht en de rol die het stellen van prejudiciële vragen daarin speelt. De nationale rechter is juist gehouden het Unierecht zelf toe te passen. Het standpunt dat de Nederlandse belastingrechtspraak in dezen in strijd handelt met het verbod op uitleg van het Unierecht berust op een onjuiste lezing van het CILFIT-arrest. In genoemd arrest is het leerstuk van de ‘acte éclairé’ juist verruimd en is voor het eerst uitdrukkelijk de toepassing van de leer van de ‘acte clair’ erkend door het Hof van Justitie. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de belastingrechter op grond van het CILFIT-arrest verplicht is een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie in alle gevallen waarin de belanghebbende stelt dat sprake is van een onjuiste uitleg van het Unierecht, vindt dit standpunt geen steun in genoemd arrest, noch elders in het recht. Het Hof verwijst in dit verband naar de conclusie van AG Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, onderdeel 7.2. Tot slot zij opgemerkt dat tegen beslissingen van het Hof cassatieberoep openstaat, zodat het Hof wel bevoegd maar niet verplicht is om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie (art. 267 VWEU).

Verschuldigdheid van bpm

5.3.

Belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat in geschil is waar zij haar woonplaats had ten tijde van de controle. Zij heeft echter niets aangevoerd ter onderbouwing van haar betwisting van het oordeel van de rechtbank dat zij haar woonplaats in Nederland had. Nu belanghebbende blijkens de stukken van het geding reeds sinds 2010 met haar gezin gebruik maakte van een mede door haar gefinancierde koopwoning te [Z] , welke woning zij in haar aangifte inkomstenbelasting 2014 (als binnenlands belastingplichtige) heeft aangeduid als haar hoofdverblijf, is de rechtbank, mede in het licht van de overige door haar genoemde feiten en omstandigheden, op goede gronden tot het oordeel gekomen dat belanghebbende haar woonplaats had in Nederland. Op basis van alle in aanmerking komende omstandigheden had belanghebbende naar ’s Hofs oordeel een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Het hoger beroep faalt in zoverre. De omstandigheid dat op het moment van de controle een nieuwe woning in aanbouw was in Frankrijk en belanghebbende het voornemen had om met haar gezin naar Frankrijk te verhuizen zodra deze woning gereed was, leidt niet tot een ander oordeel.

5.4.

In haar hogerberoepschrift heeft belanghebbende gesteld dat de auto ‘om niet’ aan haar in gebruik is gegeven door een familielid. Daarnaast heeft belanghebbende betoogd dat de inspecteur ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat hij bereid is de (rest)bpm terug te geven zodra belanghebbende uitvoering heeft gegeven aan haar voornemen om met haar gezin naar Frankrijk te verhuizen. Hiermee heeft de inspecteur erkend dat sprake is van tijdelijk gebruik in Nederland en had hij daarom al in de bezwaarfase de nageheven bpm moeten verminderen met het terug te geven bedrag, aldus nog altijd belanghebbende. De inspecteur heeft deze standpunten weersproken. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.5.

De in hoger beroep betrokken stelling dat de auto tijdelijk aan belanghebbende in gebruik was gegeven door een familielid en eenmalig door belanghebbende werd gebruikt, valt niet te rijmen met de stukken van het geding. Uit het opgemaakte controleformulier volgt dat belanghebbende tegenover de controlerende ambtenaar heeft verklaard dat zij de eigenaar was van de auto. Uit het kentekenbewijs blijkt dat het Franse kenteken van de auto ( [*** ** **] ) op naam van belanghebbende stond met ingang van 15 oktober 2007. Nu de auto belanghebbendes eigendom was en haar niet tijdelijk maar duurzaam ter beschikking stond, mist de regeling van artikel 14b Wet bpm, waar belanghebbende kennelijk op doelt, toepassing en vormt de heffing van bpm geen beperking van het vrije verkeer van kapitaal. De omstandigheid dat belanghebbende bij verhuizing naar Frankrijk wellicht gebruik kan maken van de in artikel 14a Wet bpm voorziene teruggaaf is, anders dan belanghebbende ter zitting heeft betoogd, niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde naheffingsaanslag. Het standpunt van belanghebbende dat de (potentiële) teruggaaf (op de voet van artikel 14a Wet BPM) door de inspecteur in mindering dient te worden gebracht op de bestreden naheffingsaanslag vindt geen steun in het recht.

Procedurele grieven

5.6.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 21 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1695) volgt dat op een belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte betaalde bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Het betoog van belanghebbende dat deze bewijslastverdeling strijdig is met artikel 110 VWEU vindt geen steun in het recht. Voor zover belanghebbende zich ter zake van de bewijslastverdeling beroept op het arrest Hoge Raad 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4811, r.o. 4, merkt het Hof op dat dit arrest een geschil over bpm-heffing in het jaar 1993 betrof, een jaar waarin de verminderingsregeling van artikel 10 Wet BPM (een vaste vermindering met 1% per maand) nog niet in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 110 VWEU (destijds: artikel 95 EG-Verdrag), zodat aan dit arrest thans geen betekenis meer toekomt voor de beantwoording van de vraag op wie de bewijslast rust ten aanzien van de hoogte van de toe te passen vermindering.

5.7.

Het betoog van belanghebbende dat zij vóór het opleggen van de naheffingsaanslag uitgenodigd had moeten worden voor een hoorgesprek vindt geen steun in het recht. Het recht om te worden ‘gehoord’ voordat een nadelig besluit wordt genomen, houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Die gelegenheid is belanghebbende geboden. Het recht van de Unie eist niet dat de betrokkene wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek (vgl. Hoge Raad 21 maart 2019, nr. 18/01157, ECLI:NL:HR:2019:393).

Rentevergoeding

5.8.

Het standpunt van belanghebbende dat bij teruggaven van bpm wegens strijd met het Unierecht door de inspecteur ambtshalve rente dient te worden vergoed en dat de Nederlandse wettelijke regeling (artikel 28c Invorderingswet) die bepaalt dat een belanghebbende om rentevergoeding dient te verzoeken bij de ontvanger daarom in strijd is met het Unierecht, vindt geen steun in het recht (vgl. Hoge Raad 3 maart 2017, 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, Hoge Raad 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790 en Hof van Justitie 23 april 2020, gevoegde zaken C‑13/18 en C‑126/18, ECLI:EU:C:2020:292, rechtsoverweging 67), nog daargelaten dat in casu geen teruggaaf van bpm heeft plaatsgevonden. In hetgeen belanghebbende in hoger beroep hiertegen heeft aangevoerd ziet het Hof geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

Nu in casu geen beschikking van de ontvanger op de voet van artikel 28c Invorderingswet voorligt, komt het Hof niet toe aan de behandeling van het betoog van belanghebbende dat het rentepercentage ten minste 10 percent zou moeten bedragen.

5.9.

Het standpunt van belanghebbende dat bij terugbetaling van griffierecht rente dient te worden vergoed vanaf de datum van betaling van dat griffierecht, vindt geen steun in het recht (vgl. Hoge Raad 24 september 2010, nr. 09/03257, ECLI:NL:HR:2010:BN8049 en Hoge Raad 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623).

5.10.

Indien in dit betoog ook een verzoek besloten ligt om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, heeft het volgende te gelden. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van de geldsom. Dit brengt mee dat wanneer de vergoeding van het griffierecht (of een andere toegekende vergoeding) niet binnen vier weken na de datum waarop de rechtbank haar uitspraak heeft gedaan, is betaald door de inspecteur, vanaf dat moment wettelijke rente is verschuldigd door de inspecteur (vgl. Hoge Raad 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358).

Dit geldt ook indien, zoals in deze zaak, de veroordeling tot vergoeding is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel is aangewend en de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat daarop is beslist (zie Hoge Raad 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315).

5.11.

Voor zover belanghebbende er over klaagt dat de uit de uitspraak van de rechtbank voortvloeiende betalingen niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden miskent deze klacht dat ingevolge het bepaalde in artikel 27h, lid 3, AWR de werking van de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort indien daartegen een rechtsmiddel wordt aangewend. Dit laat onverlet dat – zoals hiervoor reeds opgemerkt – het tijdvak waarover de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) verschuldigd is over (onder meer) veroordelingen tot betaling van griffierecht, proceskosten en vergoeding van immateriële schade, aanvangt vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank (vgl. Hoge Raad 21 december 2018, 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358, r.o. 2.2.2).

5.12.

Nu belanghebbende in haar pleitnota in hoger beroep heeft gesteld dat de door de rechtbank toegekende vergoedingen op 10 januari 2019 zijn uitbetaald, maar de inspecteur in zijn verweerschrift in hoger beroep stelt dat op 3 januari 2019 is uitbetaald, zal het Hof - wellicht ten overvloede - de inspecteur veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over genoemde vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening.

Griffierecht

5.13.

Het betoog van belanghebbende dat de heffing van griffierecht de toegang tot de rechter ontoelaatbaar beperkt vindt geen steun in het recht. Dit is niet anders indien het verschuldigde griffierecht meer bedraagt dan een bepaald percentage van het materiële belang van het geschil (vgl. Hoge Raad 19 oktober 2019, nr. 18/01429, ECLI:NL:HR:2019:1579). Zoals de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 28 maart 2014, nr. 12/03888, ECLI:NL:HR:2014:699, r.o. 3.3.7, wordt een rechtzoekende zonder betaling van griffierecht ontvangen in zijn of haar (hoger) beroep indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het Hof constateert dat belanghebbende geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het heffen van het griffierecht het belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt gebruik te maken van het recht op beroep op de rechter. Belanghebbende heeft het verschuldigde griffierecht tijdig betaald en kan daarom worden ontvangen in zijn hoger beroep. Van een ontoelaatbare belemmering van de toegang tot de rechter is reeds daarom geen sprake.

Vergoeding immateriële schade

5.14.

Het standpunt van belanghebbende dat het verzoek om vergoeding van immateriële schade bij de rechtbank behandeld had moeten worden door andere rechters vindt geen steun in het recht (vgl. Hoge Raad 19 april 2019, 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623).

5.15.

De onderwerpelijke uitspraak is gedaan binnen twee jaar na indiening van het hogerberoepschrift, zodat van een overschrijding van de behandeltermijn in hoger beroep geen sprake is.

Proceskostenvergoeding

5.16.

De rechtbank heeft belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend van € 1.002, volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage daarbij. Het verzoek van belanghebbende om een integrale vergoeding van de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand wegens schending van het Unierecht wordt door het Hof verworpen. Zo al sprake is van een schending van het Unierecht vormt deze omstandigheid op zichzelf geen grond voor een integrale proceskostenvergoeding (vgl. Hoge Raad 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, Hoge Raad 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, en Hoge Raad 13 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833). Ook anderszins zijn geen bijzondere omstandigheden komen vast te staan die aanleiding vormen om een hogere vergoeding toe te kennen dan – zoals de rechtbank heeft gedaan – de forfaitaire proceskosten volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage daarbij.

5.17.

Anders dan belanghebbende betoogt is het toekennen van een forfaitaire proceskostenvergoeding niet in strijd met het Unierecht (vgl. Hoge Raad 17 december 2004, C03/114HR, De Haan/Staat, BNB 2005/239 en Hoge Raad 3 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833).

5.18.

Al hetgeen belanghebbende overigens in dit geding heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

5.19.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoedingen van griffierecht, immateriële schade en proceskosten vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, F.J.P.M. Haas en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 3 december 2020 in het openbaar uitgesproken en wordt voorts gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.