Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
18/00695
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag mrb. Belanghebbende heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de auto hem niet gedurende de gehele periode waarover de naheffingsaanslag is berekend ter beschikking heeft gestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-03-2021
FutD 2021-1049
V-N Vandaag 2021/774
NTFR 2021/1297
V-N 2021/20.25.27
NLF 2021/0709 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 18/00695

25 augustus 2020

uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. E. Hilders

tegen de uitspraak 7 november 2018 in de zaak met kenmerk HAA 17/3859 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 mei 2017 aan belanghebbende

over het tijdvak 4 juni 2015 tot en met 30 januari 2017 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) opgelegd ten bedrage van € 4.280, alsmede bij beschikking een boete van € 4.280.

1.2.

De inspecteur heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2017 afgewezen en de naheffingsaanslag en boete gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft

het beroep in haar uitspraak van 7 november 2018 ongegrond verklaard.

1.4.

Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 december 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’).

“1. Eiser staat sinds 7 februari 1997 ingeschreven op het adres [adres 1] te [Z] in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).

2. Op 31 januari 2017 omstreeks 17:53 uur is bij een controle geconstateerd dat eiser met een motorrijtuig van het merk Mercedes met het Franse kenteken [11 111 11] (hierna: het motorrijtuig) gebruik heeft gemaakt van de openbare weg.

3. Het motorrijtuig is eigendom van [A] (hierna: de kentekenhouder) en is geregistreerd en verzekerd in Frankrijk.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hieraan het volgende toe.

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een ‘mutatie rapport’ van twee verbalisanten van de politie-eenheid Amsterdam, opgemaakt op 31 januari 2017, betreffende de door de rechtbank onder punt 2 genoemde constatering. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

“Tijdens surveillance op dinsdag 31 januari 2017 (…) reden wij (…) over de [B-straat] te [Z]. Aldaar zagen wij een auto met een Frans kenteken, zijnde een Mercedes M classe voorzien van kenteken: [11 111 11], welke zeer sportief reed en ook een auto rechts inhaalde.

NAVRAAG

Bij navraag in de tot ons beschikbare politiesystemen bleek dat in 15/10/2015 de bovengenoemde Franse auto, was gecontroleerd en dat toentertijd ---[X] [geboortedatum]--- in de auto reed.

Bij de staandehouding toentertijd verklaarde hij dat de auto van zijn vader was (…).

Gezien de verkeersovertreding, het rijgedrag en de voorgeschiedenis, hebben wij verbalisanten de auto een stopteken gegeven waar de bestuurder aan voldeed. (…)

Deze bestuurder bleek dezelfde persoon te zijn die ook in 2015 in deze auto was gecontroleerd, zijnde: ---[X] [geboortedatum]---

VERKLARING BESTUURDER

(…) Ik hoorde [X] mij het volgende verklaren:

“Ik weet niet wie de eigenaar is van de auto. (…) Mijn vader heeft deze auto voor mij geregeld om in te rijden. de auto is van een kennis van mijn vader.”

(…)

“Alles is netjes geregeld, zoek het maar uit.”

(…)

EIGENAAR

Hierop belde [X] zijn vader, welke vermoedelijk hierop de eigenaar belde. Binnen vijf minuten kwam er een Mercedes jeep met Frans kenteken aangereden naar de plaats van staandehouding. (…) Hierop kwam een zichtbaar en verbaal zeer geïrriteerde manspersoon vanaf de jeep op ons afgelopen, welke verklaarde dat hij de eigenaar was van het voertuig. Deze manspersoon bleek te zijn genaamd: --- [A] [geboortedatum] ---

(…)

VERKLARING EIGENAAR

(…)

Ik woon in Frankrijk. (…) Ik ko[m] af en toe nog in Nederland voor familiezaken. Ik wil dan geen auto huren, maar gewoon in mijn eigen auto rijden. Daarom laat ik mijn auto met Frans kenteken hier staan, om in te rijden als ik in Nederland ben. Zolang i[k] niet in Nederland ben mag [X] in mijn auto rijden met Frans kenteken. Ik wist niet dat dit niet mocht.”

(…)”

2.4.

In het beroepschrift in eerste aanleg is onder meer het volgende vermeld:

“6. De heer [A] heeft de auto normaliter tot zijn beschikking in Frankrijk en rijst hiermee zo nu en dan naar Nederland om zijn familie te bezoeken.

7. Tijdens het bezoek van de heer [A] aan Nederland was het mij toegestaan om in zijn auto te rijden.

(…)

9. De heer [A] is in december 2016 weer naar Nederland gekomen voor familiebezoek. Hij heeft de auto toen in Nederland laten staan omdat hij van hieruit op vakantie ging en de auto daarbij niet nodig had. Ik heb toen de auto eind januari kunnen gebruiken.

(…)

12. (…) De auto was pas eind december 2016 in Nederland en ik heb er pas in januari 2017 in gereden.”

2.5.

In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is onder meer opgenomen:

[X]: [A] is soms in Nederland. Hij laat de auto dan in Nederland staan. Ik had toestemming om de auto van [A] te lenen. Dat is af en toe gebeurd. Voor speciale gelegenheden mocht ik de auto lenen. (…)

[X] : op 31 januari 2017 gebruikte ik de auto voor school. (…)”

2.6.

Tot de gedingstukken behoort een bij het hogerberoepschrift overgelegde schriftelijke verklaring van 13 december 2018 van de vader van belanghebbende, waarin deze - zakelijk weergegeven - verklaart dat hij al sinds eind 2011 zorgdraagt voor de stalling van de Mercedes ML van [A], dat de auto door [A] niet wordt gebruikt voor reizen van en naar Frankrijk en dat zijn zoon (belanghebbende) af en toe met de auto mocht rijden “om te voorkomen dat de banden van de auto vierkant werden”.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“Naheffingsaanslag

11. Ter zake van het houden van een personenauto wordt mrb geheven (artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994), (hierna: Wet MRB). De belasting wordt geheven van degene die bij aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt (artikel 6 van de Wet MRB). Indien een motorrijtuig in het buitenland is geregistreerd, wordt het gehouden door degene die het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft (artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Wet MRB). De houder wordt in dat geval op grond van artikel 7, derde lid, van de Wet MRB, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland is ingeschreven in de BRP.

12. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wet MRB vangt het tijdvak voor een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig dat in Nederland feitelijk ter beschikking staat aan met ingang van de dag van het gebruik van de weg in Nederland. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in afwijking hiervan voor de toepassing van artikel 7, derde lid, het tijdvak aanvangt met ingang van de dag waarop de houder als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen. Dit is slechts anders indien wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan, in welk geval het tijdvak aanvangt met die datum.

13. Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB kan de belasting worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is afgegeven. De na te heffen belasting wordt op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wet MRB - en voor zover hier van belang - berekend vanaf het begin van het tijdvak, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet MRB. Op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet MRB wordt, indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, over dat gedeelte de belasting niet nageheven.

14. Vast staat dat eiser op de controledatum was ingeschreven in de BRP in Nederland. Omdat eiser het motorrijtuig tijdens de controle feitelijk ter beschikking had, heeft verweerder hem terecht als houder van het motorrijtuig aangemerkt (artikel 7, eerste lid, onderdeel c juncto artikel 7, derde lid van de Wet MRB). Eiser dient overtuigend aan te tonen dat hij niet of voor een kortere periode houder van de auto was.

15. Eiser stelt dat hij het motorrijtuig niet gedurende het gehele tijdvak van 4 juni 2015 tot en met 30 januari 2017 tot zijn feitelijke beschikking heeft gehad. Eiser stelt dat [A], de kentekenhouder, af en toe met het motorrijtuig naar Nederland reisde voor familiebezoek. Tijdens deze bezoeken was het eiser toegestaan het motorrijtuig te gebruiken. De naheffingsaanslag moet daarom op een lager bedrag worden vastgesteld, aldus eiser.

16. Verweerder stelt dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. De kentekenhouder was eerder in het bezit van een in Duitsland geregistreerd motorrijtuig. Verweerder heeft als aanvangsdatum voor de naheffing, de datum einde toelating van het Duitse kenteken - 4 juni 2015 - in aanmerking genomen. Echter, de begindatum registratie van het Franse kenteken was 27 december 2011. Met andere woorden: verweerder had een langere naheffingstermijn in aanmerking kunnen nemen.

17. Voorts stelt verweerder dat eiser het motorrijtuig met regelmaat tot zijn beschikking heeft gehad. Kentekenhouder [A] heeft ten tijde van de constatering verklaard dat hij het motorrijtuig in Nederland laat staan, ook als hij zelf in Frankrijk verblijft. Verweerder stelt dat eiser nog nooit een motorrijtuig met Nederlands kenteken tenaamgesteld heeft gehad.

18. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in geslaagd is om aan te tonen dat het motorrijtuig in het tijdvak van belang, hem niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Eiser is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij de auto zo nu en dan heeft gebruikt. Eiser behoefde geen bijzondere toestemming van [A] te hebben voor het gebruik. Reeds hieruit volgt dat de auto feitelijk ter beschikking van eiser stond. De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat de bewijsvoering van eiser alleen berust op zijn eigen verklaring en op een niet gedateerde schriftelijke verklaring van [A], welke laatste verklaring niet geheel overeenkomt met de verklaring van [A] zoals die blijkt uit het proces-verbaal van 31 januari 2017. Gelet op het voorafgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en over het juiste tijdvak aan eiser is opgelegd.

Vertrouwensbeginsel

19. Voorts stelt eiser dat de controleambtenaar bij een eerdere staande houding, op 15 oktober 2015 met hetzelfde motorrijtuig, niet heeft aangegeven dat mrb verschuldigd was. De rechtbank overweegt dat op eiser de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat geen mrb verschuldigd zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn verklaring ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de controleambtenaar uitlatingen heeft gedaan waaraan eiser het vertrouwen kan en mag ontlenen dat hij geen mrb verschuldigd was.

Boete

20. Met betrekking tot de bij de naheffingsaanslag vastgestelde boetebeschikking, overweegt de rechtbank als volgt. De boete is op grond van artikel 37 van de Wet MRB, in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in combinatie met paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, onderdeel 2 vastgesteld.

21. Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen van een verzuimboete achterwege behoort te blijven. Op eiser rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die leiden tot de conclusie dat sprake is van avas. Voor zover eiser met zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ook een beroep heeft willen doen op avas, faalt ook deze grief. Immers, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de controleambtenaar uitlatingen heeft gedaan waaraan eiser het vertrouwen kan en mag ontlenen dat hij geen mrb en een boete verschuldigd was. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen andere feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat sprake is van avas.

22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende gedurende de gehele periode waarover de naheffing is berekend zijn hoofdverblijf in Nederland had. Vast staat dat de politie heeft geconstateerd dat belanghebbende op 31 januari 2017 de bestuurder was van de auto met het Franse kenteken [11 111 11]. Deze constatering vormt de grond voor de bestreden naheffingsaanslag.

5.2.

Het Hof sluit zich aan bij de weergave van het wettelijk kader zoals geschetst in de onderdelen 11, 12 en 13 van de uitspraak van de rechtbank. Gelet op dit wettelijk kader heeft de rechtbank in onderdeel 14 van haar uitspraak met juistheid tot uitgangspunt genomen dat op belanghebbende de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de auto hem niet gedurende de gehele periode waarover de naheffing is berekend ter beschikking heeft gestaan (vgl. Hoge Raad 5 april 2019, nr. 18/02987, r.o. 5.3.4, ECLI:NL:HR:2019:483). Het Hof zal daarom onderzoeken of belanghebbende, met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat de auto hem niet gedurende de gehele periode waarover de naheffing is berekend ter beschikking heeft gestaan.

5.3.

Het Hof constateert dat - zoals door de inspecteur met juistheid is opgemerkt - in de loop van de procedure sterk wisselende verklaringen zijn gegeven voor het geconstateerde gebruik van de weg met de auto. Tijdens de controle op 31 januari 2017 is zowel door belanghebbende als door [A] verklaard dat belanghebbende de auto mocht gebruiken, zonder melding te maken van enige beperking (zie 2.3). In zijn bezwaarschrift schrijft belanghebbende evenwel: “Ik mocht de auto voor een paar dagen van hem lenen.” In het beroepschrift in eerste aanleg persisteert belanghebbende in laatstgenoemde verklaring (zie 2.4): [A] was in december 2016 met de auto naar Nederland gereisd voor familiebezoek en had de auto in Nederland niet nodig, zodat belanghebbende de auto eind januari kon gebruiken. Belanghebbende heeft deze gang van zaken in eerste aanleg gestaafd met een schriftelijke verklaring van [A]. Deze verklaring luidt (onder meer): “Rond december 2016 ben ik naar Nederland gereisd en heb ik de auto aan [X] geleend voor enkele weken aangezien ik voor vakantie vertrok vanaf Schiphol”. In hoger beroep heeft belanghebbende zijn verklaring ingrijpend gewijzigd. Thans betoogt belanghebbende dat de auto reeds sinds 2011 door [A] in Nederland werd gestald, in een loods van de vader van belanghebbende, en dat belanghebbende af en toe in de auto mocht rijden, als zijn vader daar toestemming voor gaf. Ter onderbouwing van deze nieuwe stelling heeft belanghebbende een verklaring van zijn vader en een verklaring van [A] overgelegd. Nu de stelling dat de auto zich sinds eind 2011 in Nederland bevindt ook steun vindt in de verklaring die [A] heeft afgelegd ten overstaan van de politie op 31 januari 2017 (zie 2.3) zal het Hof er van uit gaan dat de auto sinds eind 2011 in Nederland werd gestald.

5.4.

Belanghebbende heeft (in zijn pleitnota) in hoger beroep primair betoogd dat de auto hem in het geheel niet ter beschikking heeft gestaan, omdat hij op verzoek van zijn vader en/of [A] in de auto heeft gereden “voor een specifiek doel”, te weten het in conditie houden van de motor en de accu. De auto stond hem daarom niet ter beschikking. Belanghebbende verwijst ter zake naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2019, AWB 18/4766, ECLI:NL:RGBEL:2019:2959. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende, reeds omdat van het berijden van de auto voor een specifiek doel geen sprake is. Belanghebbende bepaalde zelf waar hij naartoe reed. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heeft belanghebbende bij de rechtbank verklaard dat hij de auto op 31 januari 2017 gebruikte “voor school” (hetgeen hij ter zitting in hoger beroep overigens weer heeft ontkend). Ten overvloede overweegt het Hof dat ook indien belanghebbende een rit naar een specifieke bestemming zou hebben gemaakt in opdracht van zijn vader of [A], hij als feitelijke bestuurder als ‘houder’ van de auto zou kwalificeren.

5.5.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, met al hetgeen hij heeft ingebracht, niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de auto hem niet gedurende de gehele periode waarover de naheffingsaanslag is berekend ter beschikking heeft gestaan. De blote verklaring van belanghebbende, zijn vader en [A] acht het Hof daartoe - mede in het licht van de omstandigheid dat alle betrokkenen sterk wisselende verklaringen hebben afgelegd - onvoldoende, nog daargelaten dat belanghebbende niet heeft gepreciseerd over welk deel van de tijdsduur waarover de naheffingsaanslag is berekend de auto hem niet ter beschikking zou hebben gestaan.

Vertrouwensbeginsel

5.6.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn door de rechtbank verworpen standpunt herhaald dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij zonder fiscale gevolgen met de auto gebruik mocht maken van de weg, omdat de politie bij een eerdere controle op 15 oktober 2015 hem er niet op heeft gewezen dat hij motorrijtuigenbelasting verschuldigd was en hem destijds geen ‘informatieformulier’ inzake de verschuldigdheid van motorrijtuigenbelasting is verstrekt. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende, omdat het geen steun vindt in het recht. De enkele omstandigheid dat belanghebbende, naar hij stelt, tijdens de eerdere controle door de politie niet is gewezen op zijn fiscale verplichtingen, is onvoldoende om bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen te wekken dat hij zonder betaling van motorrijtuigenbelasting gebruik mocht maken van de auto met het buitenlands kenteken. Met de rechtbank (zie r.o. 19 van de rechtbank) is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tijdens voornoemde controle uitlatingen zijn gedaan waaraan hij het vertrouwen kan ontlenen dat hij geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd was. Ten overvloede merkt het Hof op dat het in de door belanghebbende ingebrachte brief van de Staatssecretaris van Financiën genoemde informatieformulier blijkens die brief wordt uitgereikt tijdens controles van de Belastingdienst en niet tijdens politiecontroles, nog daargelaten dat uit de gedingstukken niet volgt dat de op 15 oktober 2015 uitgevoerde politiecontrole (mede) was gericht op handhaving van de Wet mrb. Het hoger beroep faalt ook in zoverre.

Boete

5.7.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in r.o. 20 en 21 van haar uitspraak op goede gronden tot een juiste beslissing is gekomen. Het Hof neemt deze gronden alsmede het oordeel over en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt.

5.8.

Belanghebbende heeft betoogd dat de boete sterk dient te worden gematigd vanwege zijn financiële positie. Ter onderbouwing heeft belanghebbende bij zijn pleitnota zijn definitieve aanslag 2017 overgelegd. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat daarmee (nog altijd) onvoldoende inzicht wordt verschaft in de financiële positie van belanghebbende, maar heeft zich desondanks uit coulance bereid verklaard de boete te matigen tot op 10% van het oorspronkelijke bedrag. Het Hof ziet geen aanleiding voor een verdergaande matiging van de boete dan tot op 10% en zal daarom dienovereenkomstig beslissen. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

Slotsom

5.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

6 Kosten

Het Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 [zitting Hof] x € 525 x 1 (wegingsfactor) = € 525.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de boetebeschikking betreft en bevestigt deze voor het overige;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boetebeschikking betreft;

  • -

    vermindert de boete tot € 428;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van € 525;

  • -

    gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € [46] (beroep bij de rechtbank) en € [126] (hoger beroep bij het Hof), in totaal € [172] te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mr. B.A. van Brummelen, lid van de veertiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.