Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3843

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
23-000749-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak primair tenlastegelegde. Veroordeling openlijke geweldpleging in vereniging. Verkeersruzie. Vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000749-17

datum uitspraak: 22 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-109210-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 september 2017, 20 december 2018 en 8 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij

artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 3 juni 2015 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, (krachtig)

- met een (maglite) zaklamp, in elk geval met een zwaar en/of hard voorwerp, op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of (andere) delen van het lichaam van die [benadeelde] heeft geslagen en/of

- ( met gebalde vuist) op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of (andere) delen van het lichaam van die [benadeelde] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( met geschoeide voet) op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of (andere) delen van het lichaam, van die [benadeelde] heeft geschopt en/of getrapt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 3 juni 2015 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de rijksweg A4 ter hoogte van Hoofddorp, in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (krachtig)

- met een (maglite) zaklamp, in elk geval met een zwaar en/of hard voorwerp, slaan op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of (andere) delen van het lichaam van [benadeelde] en/of

- ( met gebalde vuist) slaan en/of stompen op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of (andere) delen van het lichaam van [benadeelde] en/of

- ( met geschoeide voet) schoppen en/of trappen op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of (andere) delen van het lichaam van [benadeelde].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft in hoger beroep ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

De raadsman heeft gesteld dat geen van de getuigen heeft gezien dat de aangever daadwerkelijk is geraakt door de verdachte. Om die reden kan niet worden uitgesloten dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat verdachte zijn vader alleen weg heeft willen halen om erger te voorkomen, de waarheid is. Het verhaal van de aangever acht de verdediging ongeloofwaardiger dan de lezing van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht het door de verdediging gegeven alternatieve scenario, inhoudende dat verdachte geen enkel aandeel heeft gehad aan het gepleegde geweld en de medeverdachte slechts wilde weghalen bij de auto van de aangever, volstrekt ongeloofwaardig. De aangever heeft verklaard dat de vader van de verdachte met een lamp de aangever diverse malen in het gezicht heeft geslagen. Direct daarna begon de verdachte te stompen en met zijn voeten te trappen. Zowel de vader als de verdachte waren samen en tegelijk bezig met het toebrengen van letsel, aldus aangever. Het hof ziet geen reden niet uit te gaan van de verklaring van de aangever nu deze verklaring op cruciale punten steun vindt in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De getuige [getuige 1] heeft immers verklaard dat hij zag dat de verdachte bij het geopende portier ging staan, de dakspijl vastpakte en de bestuurdersportier. Hij zag dat de verdachte daarop drie tot vijf keer volle bak naar binnen trapte. Hij dacht dat, aan de manier waarop de verdachte trapte en de houding daarbij, hij niet harder kon trappen. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zowel de verdachte als zijn vader de aangever aan het mishandelen waren. De verklaring van de getuige [getuige 3] zoals zij deze heeft afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland is daarmee niet in strijd, nu daaruit volgt dat zij op een later moment en van een grotere afstand getuige is geweest van de confrontatie dan de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van de in het dossier aanwezige foto’s van de aangever en heeft het daarop zichtbare letsel bij aangever waargenomen. Het hof acht op basis van al het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
hij op 3 juni 2015 in Nederland openlijk, te weten op de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit het meermalen met een maglite zaklamp slaan tegen het gezicht van die [benadeelde] en met gebalde vuist slaan tegen het lichaam van die [benadeelde] en met geschoeide voet trappen tegen het lichaam van die [benadeelde].

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de hiervoor weergegeven bewijsoverweging in samenhang met de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot het verrichten van veertig uren taakstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door twintig dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot zestig uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis.

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat bij strafoplegging het adolescentenstrafrecht dient te worden toegepast.

Het hof heeft in dit kader acht geslagen op het rapport van de reclassering van 29 juli 2015 waarin de reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Het hof ziet geen aanleiding van dat advies af te wijken. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr), die toepassing van het adolescentenstrafrecht rechtvaardigen, is niet gebleken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [benadeelde]. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] en heeft hij bijgedragen aan een situatie waarin sprake was van ernstige gevaarzetting voor andere weggebruikers. De geweldpleging heeft immers plaatsgevonden op de autosnelweg. Daarnaast brengen dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Het hof rekent de verdachte in het bijzonder aan dat hij samen met zijn vader zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofde eigenrichting, door op de autosnelweg de auto van een medeweggebruiker klem te rijden, vervolgens uit te stappen en deze medeweggebruiker te mishandelen. Dat mogelijk eerder door [benadeelde] een verkeersfout is begaan waardoor de verdachte en zijn vader zijn geschrokken, maakt dit niet anders. Ook nadat de verdachte en zijn vader door andere weggebruikers werden aangesproken op hun bijzonder laakbare gedrag zijn de verdachte en zijn vader doorgegaan en schreeuwde hij naar één van de getuigen dat deze zich afzijdig moest houden omdat de getuige anders ook in elkaar zou worden geslagen.

Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat in het nadeel van de verdachte verder meegewogen dat de verdachte er in het geheel niet aan heeft gedacht de situatie die was ontstaan op een andere manier op te lossen. Sterker nog, toen zijn vader de auto stil zette op een afrit van de snelweg om verhaal te halen voor iets wat zich kilometers en derhalve enige tijd daarvoor had afgespeeld is de verdachte zich ermee gaan bemoeien. Hij heeft op eigen initiatief een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het jegens [benadeelde] gerichte geweld.

De verdachte heeft verder ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de emoties bij de benadeelde partij [benadeelde] hem vrij weinig deden en ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij nog eens gezegd dat er wat hem betreft van een mug een olifant wordt gemaakt. Daaruit blijkt ook nu nog dat hij geen enkele verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn laakbare gedrag en ziet de verdachte blijkbaar nog steeds niet in dat dit strafbaar gedrag is dat in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is.

Het hof acht dit alles strafverzwarend. Het hof is van oordeel dat de door de politierechter opgelegde, maar ook de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf, van een te geringe zwaarte is om recht te doen aan de ernst van het feit. Het hof zal daarom een taakstraf van langere duur opleggen. Daarnaast is het hof van oordeel dat de ernst van het feit meebrengt dat ook een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd, zij het in geheel voorwaardelijke vorm. Dit ook om aan de verdachte en aan de maatschappij duidelijk te maken dat dit soort gedrag in het verkeer volstrekt onaanvaardbaar is én om de verdachte ervan te doordringen dat hij dergelijk gedrag voortaan heeft te laten.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.575,00, bestaande uit € 75,00 materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 775,00, bestaande uit € 25,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de in eerste aanleg ingediende vordering gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 775,00 hoofdelijk wordt toegewezen, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de vordering primair moet worden afgewezen, subsidiair dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het gestelde letsel niet is onderbouwd met objectieve medische stukken. Daarnaast is aangevoerd dat de gestelde aantasting van de persoon van onvoldoende gewicht is om het gevorderde smartengeld toe te kunnen wijzen.

Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 25,00 (bestaande uit gescheurde shirts). Deze schade wordt ook niet betwist. Daarnaast is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 750,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Voor het overige zal de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] voor een bedrag van € 775,00 (zevenhonderdvijfenzeventig euro) ter zake van materiële en immateriële schade, waarvoor de verdachte hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2015 tot aan de dag der voldoening.

Wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 775,00 (zevenhonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit € 25,00 (vijfentwintig euro) materiële schade en

€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 juni 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.L. Bruinsma en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van

mr. L. Gouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 september 2020.