Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3828

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
23-004315-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewoonte maken bezit kinderpornografie. TBS met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004315-18

datum uitspraak: 31 augustus 2020 (bij vervroeging)

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-860237-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Achterhoek (Ooyerhoek) te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2017 tot en met 21 oktober 2017 te [plaats 1], althans in Nederland, (telkens) (een) afbeeldingen (foto's) - en/of (een) gegevensdrager(s), bevattende (een) afbeelding(en) - te weten:

- een computer (merk: Acer en/of beslagcode 815022) en/of

- een telefoon inclusief SD kaart (merk: Huwawei en/of beslagcode 814840),

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,

in bezit heeft gehad

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt door een (ander) persoon

( [foto 1] .jpg (foto 2), pagina 341 van het proces-verbaal)

en/of

het betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

( [foto 2] .jpg (foto 7), pagina 341 van het proces-verbaal)

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of door het inzoomen en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden en/of de de uitsnede van de foto nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel van die persoon in beeld gebracht wordt

(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

( [foto 3] .jpg (foto 12), pagina 341 van het proces-verbaal,

[foto 4] .jpg (foto 17), pagina 342 van het proces-verbaal)

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

( [foto 5] .jpg (foto 8), pagina 341 van het proces-verbaal),

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en, naar aanleiding van actuele informatie, aan de op te leggen maatregel voorwaarden zal verbinden, in plaats van een bevel tot dwangverpleging.

Bespreking verweren omtrent het verzuim van vormen

Aanhouding en inverzekeringstelling

De raadsman heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig zijn geweest, omdat ten tijde daarvan geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond. Voorafgaand aan de aanhouding was immers al gebleken dat de verdachte contact had gehad met een volwassene in plaats van een minderjarige, waardoor van strafbare ‘grooming’ geen sprake kon zijn. Aldus is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

[naam 1] , maker van het televisieprogramma [programma] , is op 30 september 2017 benaderd door de ouders van de destijds 10-jarige [slachtoffer] , omdat [slachtoffer] via Instagram berichten met seksuele inhoud had ontvangen van een onbekende volwassen man. De programmamaker

heeft met zijn team op 2 oktober 2017 het Instagram-account van [slachtoffer] overgenomen om te achterhalen wie deze man was. Tijdens daaropvolgende contacten is een afspraak tot stand gekomen waarbij de man op 21 oktober 2017 naar de woning van [slachtoffer] zou komen, niet wetende dat niet alleen [slachtoffer] , maar ook [naam 1] en zijn team hem daar zouden opwachten. De man die op 21 oktober 2017 op deze afspraak is verschenen, was de verdachte. Omstreeks 15.22 uur is hij in de woning van [slachtoffer] door een door [naam 1] meegenomen beveiliger op heterdaad aangehouden en even later door de politie overgenomen. Om 20.57 uur is de verdachte in verzekering gesteld op verdenking van ‘grooming’, strafbaar gesteld bij artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Op grond van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte op 29 september 2017 in eerste instantie berichten heeft gestuurd naar het Instagram-account dat op dat moment (alleen) bij [slachtoffer] in gebruik was, waarin hij haar te kennen gaf met haar te willen vrijen en haar aanbood haar op te halen en weer thuis te brengen (p. 38 e.v.). Vervolgens heeft de verdachte in aanloop naar de afspraak van 21 oktober 2017 (onder toeziend oog van het team van [naam 1] en [slachtoffer] ’s ouders) tweemaal telefonisch met [slachtoffer] gesproken. Het eerste gesprek vond plaats op 10 oktober 2017. Daarin heeft de verdachte benoemd dat hij graag met [slachtoffer] zou willen douchen (p. 70 en 277) en, toen [slachtoffer] vroeg of hij al eens seks had gehad met meisjes van haar leeftijd, ontkennend geantwoord en haar gevraagd ‘of zij wel zou willen’ (p. 72 en 279-280). Het tweede telefoongesprek tussen [slachtoffer] en de verdachte vond plaats op de dag van de ontmoeting. Daarin heeft de verdachte onder andere aan [slachtoffer] gevraagd hoe laat haar ouders zouden thuiskomen (p. 46). Bij de ontmoeting heeft [slachtoffer] , na aankomst van de verdachte (die met het oog op de ontmoeting van [plaats 1] naar [plaats 2] was gereden), de voordeur van haar woning voor hem geopend en hem naar binnen geroepen, waarna de verdachte, alvorens hij werd aangehouden, achter [slachtoffer] aan de woning is ingelopen (p. 239 en 290).

De verdachte heeft dus in eerste instantie [slachtoffer] zelf heeft benaderd en aan haar een ontmoeting voorgesteld met het oogmerk om seksuele handelingen met haar te verrichten. Later heeft de verdachte telefonisch contact met [slachtoffer] zelf gehad met als doel het te leiden tot een ontmoeting in haar woning, teneinde daar seks met haar hebben. Daarna hebben de verdachte en [slachtoffer] elkaar ook daadwerkelijk ontmoet. Gelet daarop kon ten tijde van de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte tot de conclusie worden gekomen dat sprake was van een redelijk vermoeden dat de verdachte zich jegens [slachtoffer] aan ‘grooming’ had schuldig gemaakt. Sterker nog, het zou niet ondenkbaar zijn geweest dat hij daarvoor ook zou zijn vervolgd. Wat van dat laatste echter ook zij, aan de aanhouding en de verzekeringstelling van de verdachte kleven geen gebreken. Dat hij in de aanloop naar de afspraak van 21 oktober 2017 (zonder het te weten) ook contact heeft gehad met een volwassen lid van het team van [naam 1] maakt het voorgaande niet anders.

Cautie en Salduz-norm

De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep verder gesteld dat de verdachte, blijkens het ‘concept proces-verbaal van verhoor/aangifte’ van 21 oktober 2017, niet de cautie is gegeven en hij niet is gewezen op het recht op consultatie- en verhoorbijstand bij dat verhoor, hetgeen in de optiek van de raadsman dient te leiden tot de bewijsuitsluiting.

Het hof overweegt als volgt.

In het betreffende ‘concept proces-verbaal’, dat op 21 oktober 2017 is opgemaakt door de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , is als de op het politiebureau aan de [adres 1] door de verdachte afgelegde verklaring (louter) opgenomen:

“Ik geef toestemming voor een doorzoeking in mijn woning aan [adres 2] . Ik begrijp dat een doorzoeking betekent dat u overal kijkt en ook de kasten en dergelijke zal onderzoeken. Ik vind het goed dat u dit met mijn vrijwillige toestemming doet.”

Nu de verdachte in dit ‘verhoor’ slechts om toestemming is gevraagd om zijn woning te doorzoeken en door de politieambtenaren geen vragen zijn gesteld naar diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit is hier feitelijk van een verhoorsituatie geen sprake geweest. Daarbij komt dat de verdachte vóórdat hij naar genoemd politiebureau werd overgebracht, al door hoofdagent [verbalisant 3] was meegedeeld waarvan hij werd verdacht, dat hij niet tot antwoorden verplicht was en dat hij het recht had op consultatie- en verhoorbijstand (p. 388-389). Het verweer faalt om die redenen in beide onderdelen.

Binnentreding, doorzoeking, inbeslagname en onderzoek aan gegevensdragers

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat aan de binnentreding, de doorzoeking en de inbeslagname op het adres [adres 2] en het onderzoek van de aldaar in beslaggenomen gegevensdragers rechtmatigheidsgebreken kleven. Daarbij heeft hij het volgende aangevoerd.

( i) Voor het vragen van toestemming van de verdachte en diens vriendin om hun woning te doorzoeken, bestond (naar het hof begrijpt: vanwege de afwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit) geen grond en het verzoek is daarmee onbevoegd gedaan.

(ii) Op het toestemmingsformulier (het hof begrijpt hier en verder: voornoemd concept proces-verbaal) is geen tijdstip genoemd, zodat niet meer vast te stellen is op welk exact moment de toestemming is gegeven.

(iii) Oorspronkelijk was op het toestemmingsformulier een achterhaald adres van de verdachte vermeld. Onder dat adres heeft hij zijn handtekening geplaatst. Daarna is, nadat bekend was geworden wat het actuele adres van de verdachte was, het oude adres doorgekrast en veranderd in het adres aan de [adres 2] . Voor een doorzoeking op dat laatste adres heeft de verdachte echter geen toestemming gegeven.

(iv) Bij het vragen van toestemming (aan, zo begrijpt het hof, de vriendin van de verdachte) om de woning van de verdachte te doorzoeken, hebben de betrokken politieambtenaren zich niet gelegitimeerd en hebben zij slechts summier het doel van het binnentreden en het doorzoeken van de woning meegedeeld.

( v) Er kan met betrekking tot de door de verdachte gegeven toestemming niet gesproken worden van informed consent, in het bijzonder niet met betrekking tot inbeslagname van goederen, gelet op de tekst van het papier (het hof begrijpt: voornoemd concept proces-verbaal).

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

ad (i)

Zoals hiervoor al bleek, kon reeds ten tijde van de aanhouding tot de conclusie worden gekomen dat jegens de verdachte een redelijk vermoeden bestond dat hij zich aan ‘grooming’ had schuldig gemaakt. Dit was op het moment dat hem om toestemming voor de doorzoeking werd gevraagd niet anders. Daarbij komt dat zelfs indien een redelijk vermoeden van schuld zou hebben ontbroken, dit aan het vragen van die toestemming niet in de weg zou hebben gestaan.

ad (ii)

Deze stelling kan de verdachte niet baten. Naar het oordeel van het hof is slechts van belang dat de verdachte zijn toestemming aan de doorzoeking van zijn woning had gegeven vóórdat die woning door de politieambtenaren werd betreden en de doorzoeking een aanvang nam. Dat dit geval geweest is blijkt uit het proces-verbaal van inspecteur [verbalisant 2] met 2017217766-39 van 11 juli 2018.

ad (iii)

Met de raadsman stelt het hof vast dat op het ‘concept proces-verbaal verhoor/aangifte’ van 21 oktober 2017 te zien is dat achter “in mijn woning aan” een stuk tekst (eindigende op 41) is doorgekrast en dat daarbij (of in plaats daarvan) het adres aan de [adres 2] is geschreven. Uit het genoemde proces-verbaal van [verbalisant 2] van 11 juli 2018 en de verklaringen die zij en haar collega, brigadier [verbalisant 1] , ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd volgt dat deze politieambtenaren zich op

21 oktober 2017 naar de cel van de verdachte hebben begeven om hem om toestemming voor een doorzoeking in zijn woning te vragen. Daaraan voorafgaand heeft [verbalisant 2] , om die toestemming te kunnen vastleggen, op het gewraakte concept proces-verbaal de adresgegevens van de verdachte genoteerd, zoals deze in de politiesystemen waren geregistreerd (vermoedelijk het toenmalige BRP-adres van de verdachte aan het [adres 3] ). Daarna kregen zij de informatie dat de verdachte (feitelijk) verbleef op het adres van zijn vriendin, te weten [adres 2] . [verbalisant 2] heeft toen het eerste adres doorgehaald en het adres aan de [adres 2] er bij geschreven. Pas daarna is de doorzoeking met de verdachte besproken en heeft de verdachte het stuk ondertekend. Het hof ziet, anders dan de raadsman, geen (solide) aanknopingspunten voor de gedachte dat niet van de juistheid van deze onder ede afgelegde verklaringen kan worden uitgegaan. Dit betekent dat dit verweer feitelijke grondslag ontbeert.

ad (iv) en (v)

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte niet heeft begrepen waarvoor hij precies toestemming heeft gegeven of dat zijn toestemming zich niet uitstrekte tot de inbeslagname van voorwerpen. Uit het concept proces-verbaal komt immers naar voren dat de verdachte begreep dat de politieambtenaren bij het uitvoeren van de doorzoeking waarvoor hij toestemming gaf ‘overal’ zouden kijken en ook ‘kasten en dergelijke’ zouden doorzoeken. Verder heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat ‘als er een huiszoeking is, je weet dat er gegevensdragers mee gaan’. Ten slotte heeft [verbalisant 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat het vragen van toestemming een standaardprocedure is en dat daarbij wordt uitgelegd wat een doorzoeking inhoudt, waaronder dat ‘alles open gaat, alle laadjes en zo’ en dat daarbij, als dat in het belang van het onderzoek is, ook spullen worden meegenomen. Het hof heeft geen reden om te veronderstellen dat die standaardprocedure hier niet is gevolgd. Datzelfde geldt ten aanzien van het vragen van toestemming aan de vriendin van de verdachte, waardoor zij ten onrechte zou zijn overtuigd ook haar toestemming te geven. Dat de opsporingsambtenaren ten onrechte aan haar hebben meegedeeld dat de verdachte zijn toestemming al had gegeven, is - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - onjuist, zodat de feitelijke grondslag in zoverre aan het verweer ontvalt. De kennelijke opvatting van de raadsman dat de betrokken politieambtenaren (nog) méér uitleg over (het doel van) het betreden en de doorzoeking van de woning hadden moeten geven én zich bij het vragen van de toestemming hadden moeten legitimeren, vindt geen steun in het recht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 23 september 2017 tot en met 21 oktober 2017 in Nederland gegevensdragers , te weten een computer (merk: Acer) en een telefoon inclusief SD kaart (merk: Huawei), bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,

in bezit heeft gehad

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het aanraken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt door een ander persoon ( [foto 1] .jpg), en

het betasten/aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt ( [foto 2] .jpg), en

het gedeeltelijk naakt poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een erotisch getinte houding op een wijze die niet bij haar leeftijd past

en door het inzoomen en de onnatuurlijke pose nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel van die persoon in beeld gebracht wordt, waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling ( [foto 3] .jpg), en

het poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een erotisch getinte houding op een wijze die niet bij haar leeftijd past, waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling ( [foto 4] .jpg), en

het houden van een penis bij het gezicht van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling ( [foto 5] .jpg)

en hij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het strafverzwarende bestanddeel een ‘gewoonte maken’ van het bezit van kinderpornografie. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de periode (het hof begrijpt: waarin de verdachte het kinderpornografische materiaal in bezit heeft gehad) relatief kort is en het om een relatief geringe hoeveelheid afbeeldingen gaat.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft gedurende (in ieder geval) een periode van ongeveer een maand zowel op zijn computer als op zijn telefoon kinderpornografische afbeeldingen in bezit gehad, ruim 3.800 in totaal. Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij vijf à zes keer gedurende één tot anderhalf uur met een daartoe geschikt programma naar dergelijke afbeelden gezocht op het darkweb en de aldaar gevonden afbeeldingen op zijn computer gedownload. Daarna heeft hij de gedownloade afbeeldingen van zijn computer overgezet op zijn telefoon. Dat ging niet automatisch, daarvoor moest hij handelingen verrichten. Hij bekeek het album met de op zijn telefoon overgezette afbeeldingen vervolgens iedere dag. Verder heeft hij de URL’s van 26 websites die hij raadpleegde bij het zoeken naar kinderporno op een notitieblok geschreven teneinde deze later rechtstreeks te kunnen openen in plaats van via een zoekopdracht op het darkweb. Gelet op het samenstel van deze gedragingen, met name op de substantiële hoeveelheid kinderpornografisch materiaal en de hoge frequentie van de handelingen die de verdachte heeft verricht om dit materiaal binnen een relatief kort tijdsbestek te verkrijgen en te bekijken, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het in bezit hebben van kinderpornografie. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

een gewoonte maken van een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Beslissingen in eerste aanleg en standpunten partijen

De verdachte is voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is hem de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging opgelegd. Bij dit laatste heeft de rechtbank betrokken dat de verdachte destijds niet gemotiveerd was om in het kader van een TBS met voorwaarden behandeling te ondergaan.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde thans wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest, en dat hem TBS wordt opgelegd onder het stellen van de voorwaarden als opgenomen in het advies van GGZ Tactus van 4 augustus 2020.

De raadsman heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend is, gelet op de geruime tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en de omstandigheid dat de detentie vanwege de publiciteit rondom zijn strafzaak zwaarder op hem drukt dan op een gemiddeld persoon. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte er de voorkeur aan geeft dat de te stellen voorwaarden worden gekoppeld aan een voorwaardelijke gevangenisstraf en dus niet aan TBS. Voor zover de het hof echter een maatregel zou willen opleggen, heeft de verdediging verzocht deze te gieten in de vorm van een TBS met voorwaarden, waarbij dan ook de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan aangewezen is.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan

De verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het in bezit hebben van gegevensdragers met kinderpor-nografische afbeeldingen. Het ging daarbij om een collectie van ruim 3.800 afbeeldingen, waarop onder andere meisjes met de zeer jonge leeftijd van 1 tot 4 jaar te zien waren. Bij de vervaardiging van kinderpornografisch materiaal worden kinderen seksueel misbruikt en geëxploiteerd. Algemeen bekend is dat deze kinderen daarvan grote psychische en lichamelijke schade kunnen ondervinden die hun verdere ontwikkeling ernstig kan benadelen of belemmeren, temeer als zij zich op enig moment komen te realiseren dat het bij dat misbruik vervaardigde materiaal tot in de lengte der jaren op het internet zal blijven circuleren. De verdachte had zich moeten realiseren dat hij door zijn handelen een bijdrage leverde aan deze wereldwijde, zeer kwalijke en zeer schadelijke industrie.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2020 is de verdachte bij onherroepelijk geworden arrest van 27 februari 2013 ter zake van ‘grooming’ veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof weegt deze omstandigheid sterk in het nadeel van de verdachte.

In strafmatigende zin weegt het hof mee dat de strafzaak de nodige bekendheid heeft gekregen, omdat daaraan in het televisieprogramma van [naam 1] aandacht is besteed en omdat derden op internet een herkenbare foto van de verdachte hebben verspreid teneinde anderen voor hem te waarschuwen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de verdachte in de penitentiaire inrichting is herkend en de reden van zijn detentie bekend is geworden, in verband waarmee hij met fysiek geweld is geconfronteerd. Het hof acht het aannemelijk dat de detentie de verdachte daardoor zwaarder valt dan gemiddeld.

Desondanks zou het hof, in het bijzonder in het licht van het strafblad van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden op zijn plaats hebben geacht indien het bewezenverklaarde volledig toegerekend had kunnen worden en hem geen verstrekkende maatregel zou worden opgelegd.

Gedragskundige rapportages en de gevolgtrekkingen van het hof

Dr. [naam 2] , psychiater, en [naam 3] , Gz-psycholoog, hebben op 11 oktober 2019 onderscheidenlijk 21 oktober 2019 een rapport uitgebracht omtrent de persoon van de verdachte. De gedragskundigen hebben – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd.

( i) De verdachte is behept met een ziekelijke stoornis, in de zin van een pedofiele stoornis, en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken.

(ii) Deze stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben de gedragingen van de verdachte in aanzienlijke mate beïnvloed. Zij adviseren de rechter de verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

(iii) De kans op herhaling van seksueel pedofiel gericht delictgedrag wordt zonder (klinische) behandeling van de verdachte als hoog ingeschat.

(iv) De verdachte behoeft intensieve, meerjarige behandeling voor zijn pedofilie en persoonlijkheidsproblematiek. Daarbij dient ook aandacht te zijn voor de preventie van drugsgebruik, welk gebruik zijn toch al zwakke remmingen verder kan verzwakken. De behandeling dient in eerste instantie klinisch plaats te vinden en wel in een voor seksuele problematiek gespecialiseerde kliniek, zoals een FPK. De gedragskundigen hebben drie titels in overweging genomen waarin die klinische behandeling vorm gegeven zou kunnen worden, te weten 1) als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, 2) als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr en 3) in het kader van TBS met voorwaarden. De psycholoog heeft daarbij opgemerkt dat TBS met voorwaarden de beste garanties biedt op beveiliging van de samenleving, therapietrouwheid van de verdachte en - uiteindelijk - het slagen van de behandeling.

Nu de onder i) en ii) genoemde conclusies van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen neemt het hof die over en maakt die tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vast staat dat bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat aannemelijk is dat deze in aanzienlijke mate hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof rekent de verdachte het bewezenverklaarde daarom in verminderde mate toe. Dit heeft een matigend effect op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Het hof is verder van oordeel dat de verdachte afgestraft en onbehandeld een te groot gevaar vormt voor de samenleving. Daartoe is met name redengevend hetgeen onder i) en iii) is opgenomen, maar ook het gegeven dat de verdachte in 2013 is veroordeeld is voor ‘grooming’ en de voorliggende zaak aan het licht is gekomen nadat hij ‘groomingsgedrag’ had vertoond richting een destijds 10-jarig meisje.

Met de deskundigen is het hof van oordeel dat de verdachte lange tijd dient te worden behandeld en in eerste instantie klinisch, in een forensisch psychiatrische behandelsetting. Daarnaast is het hof van oordeel dat het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel onvoldoende garanties biedt voor de reductie van het recidivegevaar tot maatschappelijk aanvaardbare proporties. De door de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep uitgesproken motivatie voor een klinisch traject is nog relatief pril te noemen. Immers, ten tijde van het vonnis in eerste aanleg bestond die motivatie nog niet, tegenover de psycholoog heeft de verdachte in september 2019 te kennen gegeven het belang van een klinische behandeling niet zo te zien en een maand later heeft hij de psychiater nog laten weten het niet nodig te vinden om naar een kliniek te gaan en een dagbehandeling toereikend te vinden. Het hof wil er vanuit gaan dat de verdachte inmiddels oprecht van zins is zich aan een klinische behandeling te committeren, maar is er gelet op de voorgeschiedenis onvoldoende gerust op dat deze motivatie ook op langere termijn een bestendig karakter zal blijken te hebben. Als zijn motivatie op enig moment taant en hij zich niet meer aan de te stellen voorwaarden houdt, zal weliswaar de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer gelegd kunnen worden, maar tegelijkertijd blijft de verdachte dan verder verstoken van de onontbeerlijke behandeling. Een gedragsbeïnvloedende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr biedt in zo’n geval ook geen soelaas. Dit betekent dat teneinde de benodigde (klinische) behandeling op strafrechtelijke voet te kunnen inkaderen enkel TBS met voorwaarden resteert.

GGZ Tactus heeft bij rapport van 4 augustus 2020 positief geadviseerd ten aanzien van de oplegging van TBS met voorwaarden en heeft daarbij aangeraden om daarbij als voorwaarden te stellen dat de verdachte, kort gezegd:

  1. zich onthoudt van het plegen van een strafbaar feit;

  2. medewerking verleent aan toezicht van de reclassering;

  3. zich laat opnemen in de [kliniek] en zich, tot plaatsing in die kliniek mogelijk is, klinisch laat opnemen in een soortgelijke instelling in het kader van overbruggingszorg;

  4. zich (aansluitend op de klinische behandeling) laat behandelen door centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag, of een soortgelijke zorgverlener;

  5. meewerkt aan de opname in een forensisch psychiatrisch centrum indien dit - in het kader van een time-out - noodzakelijk wordt geacht;

  6. medewerking verleent aan het vinden van een zinvolle dagbesteding en geschikte huisvesting, ook indien dit een beschermde woonvorm of een andere woonvoorziening betreft;

  7. geen drugs of alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod;

  8. niet zonder toestemming naar het buitenland reist.

Bij het formuleren van de aan de op te leggen maatregel te koppelen voorwaarden zal het hof aansluiting zoeken bij hetgeen door de reclassering is voorgesteld. De verdachte heeft zich tegenover de reclassering en op de terechtzitting van 20 augustus 2020 bereid verklaard deze voorwaarden na te leven.

Het hof stelt vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 38 Sr is voldaan, aangezien:

- bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

- het bewezenverklaarde (het maken van een gewoonte van het bezit van kinderporno) een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld;

- naar het oordeel van het hof de veiligheid van anderen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden eist.

Het hof zal op de voet van artikel 38, zesde lid, Sr de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden bevelen.

De maatregel wordt opgelegd wegens het gewoonte maken van het in bezit hebben van kinderpornografie, welk vergrijp niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van art. 38e, eerste lid, Sr. Dit betekent dat de totale duur van de terbeschikkingstelling, indien in de toekomst alsnog zal worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, een periode van vier jaren niet te boven kan gaan.

Slotoverweging

De verdachte zal als gezegd TBS met voorwaarden worden opgelegd. Het hof acht daarnaast, ermee rekening houdend dat het bewezen feit de verdachte slechts in verminderde mate zal worden toegerekend en dat in de komende jaren prioriteit moet worden gegeven aan de noodzakelijke behandeling van de verdachte, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden. De lichtere straf die de raadsman heeft voorgesteld, zou al te zeer voorbij gaan aan de ernst van het bewezen verklaarde en de justitiële geschiedenis van de verdachte.

Voorlopige hechtenis

Gezien na te melden strafoplegging en het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Sv, dient de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden te worden opgeheven. De verdachte dient onmiddellijk aansluitend op zijn invrijheidstelling op titel van de TBS met voorwaarden ter behandeling in een klinische setting (indien mogelijk de [kliniek] ) te worden geplaatst. Gelet op de beslissing tot de opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte hoeft het hof niet meer te beslissen op het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

- een computer van het merk Acer Veriton (waarop kinderpornografische afbeeldingen zijn opgeslagen);

- vier vellen kladblokpapier (met daarop URL’s van websites waarop kinderpornografisch materiaal te vinden is);

- een zwart telefoontoestel van het merk Huawei (waarop kinderpornografische afbeeldingen zijn opgeslagen).

Met betrekking tot deze goederen, die nog niet zijn teruggegeven, is het bewezen geachte feit begaan. Nu deze voorwerpen voorts van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang, zullen zij worden onttrokken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 37a, 38, 38a, 63 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de voorwaarden dat de verdachte:

1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatie-plicht ter inzage aanbiedt;

2. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

3. zijn medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, welke medewerking onder andere inhoudt dat hij:

- zich meldt bij de reclassering, zolang en zo vaak als zijn toezichthouders dit noodzakelijk achten;

- zich telefonisch bereikbaar houdt voor zijn toezichthouders;

- zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens zijn toezichthouders worden gegeven;

- de reclassering iedere zes maanden een actuele foto, waarop zijn gezicht herkenbaar in beeld is gebracht, verstrekt of meewerkt aan de vervaardiging daarvan;

- meewerkt aan huisbezoeken;

- zijn toezichthouders inzicht geeft in de voortgang van de begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- zijn medewerking verleent aan het uitwisselen van informatie met andere personen en instanties die contact met hem hebben, en indien gewenst daarvoor een Verklaring van geen bezwaar ondertekent;

- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- bijzonderheden, van welke aard ook, direct aan de reclassering zal melden;

- zich constructief en open zal opstellen in het contact met de medewerker van de reclassering en inzicht zal geven in zijn psychosociaal functioneren;

4. zich laat opnemen in de [kliniek] , of een soortgelijke door de justitiële instantie die belast is met plaatsing van TBS-gestelden aan te wijzen kliniek, en zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat die zorginstelling in overleg met de reclassering voor hem opstelt en aan de aanwijzingen en behandelvoorschriften die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven, ook met betrekking tot vrijheden en medicatiebeleid, een en ander gedurende de duur van de TBS-maatregel, of zoveel korter als zijn behandelaren in overleg met de reclassering verantwoord achten;

5. zich ter overbrugging van de periode tot aan de opname bij de onder 4. genoemde kliniek, indien nodig, laat opnemen in een soortgelijke klinische instelling;

6. zich (aansluitend op een klinische opname) onder ambulante behandeling stelt van centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag, of een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen zorgverlener, en zich aan de aanwijzingen houdt die hem in het kader van die behandeling door of namens zijn behandelaren worden gegeven, een en ander gedurende de duur van de TBS-maatregel, of zoveel korter als zijn behandelaren in overleg met de reclassering verantwoord achten;

7. meewerkt aan een indicatiestelling voor en de plaatsing bij een door de reclassering aan te wijzen instelling voor (forensisch) begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en daar vervolgens verblijft, zich houdt aan de aanwijzingen die hem daar door of namens zijn begeleiders worden gegeven en zich houdt aan de huisregels en het (dag)programma dat die begeleiders in overleg met de reclassering voor hem opstellen, een en ander indien en voor zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

8. meewerkt verleent aan de plaatsing in een door de reclassering aan te wijzen Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), of een soortgelijke instelling, indien de reclassering dat bij wijze van Time-Out noodzakelijk acht, zulks jaarlijks gedurende maximaal zeven weken, welke duur met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar kan worden verlengd;

9. zich niet naar het buitenland (met inbegrip van de Nederlandse Antillen) begeeft, zonder vooraf-gaande toestemming van zijn toezichthouders en het openbaar ministerie;

10. meewerkt aan het vinden van geschikte huisvesting, ook indien dat een beschermde woonvorm of een woonvoorziening met adequate zorg inhoudt, te bepalen door de reclassering;

11. zich onthoudt van het gebruik van drugs en alcohol, zulks zo lang zijn toezichthouders dat noodzakelijk achten, en dat hij ten behoeve de controle op de naleving hiervan op door zijn toezichthouders te bepalen momenten meewerkt aan urine- en ademonderzoek;

12. meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een passende dagbesteding en de dagen en tijden waarop hij aan deze dagbesteding invulling geeft niet wijzigt zonder instemming van zijn toezichthouders.

Beveelt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een computer van het merk Acer Veriton;

- vier vellen kladblokpapier;

- een zwart telefoontoestel van het merk Huawei.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een telefoontoestel van het merk Alcatel;

- een wit telefoontoestel van het merk Huawei.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van

mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

31 augustus 2020.

mr. C.N. Dalebout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.