Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:382

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
18/00444
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:11494, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; de inspecteur heeft terecht op de voet van artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 een bedrag als loon in aanmerking genomen. Namens belanghebbende is niet aannemelijk gemaakt dat een lager loon gebruikelijk is.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 12a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/390
Viditax (FutD), 19-02-2020
FutD 2020-0547
Belastingadvies 2020/10.5
V-N 2020/22.19.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00444

28 januari 2020

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X Ltd.] , statutair gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, belanghebbende,

(gemachtigde: R. Erdem),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/984 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 11 oktober 2016 aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 7.901.

1.2.

Na tegen de hiervoor vermelde naheffingsaanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 19 januari 2017, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 6 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen namens belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak namens belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 2 augustus 2018, aangevuld bij brief van 21 augustus 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Aldaar zijn verschenen namens de inspecteur drs. Ö. Kat, tot bijstand vergezeld van C.J. Mouter, mr. drs. B.J.E. Lodder en mr. I.H.G.M Seijben. Van de zijde van belanghebbende, die voor de zitting is uitgenodigd bij aangetekende brief met dagtekening 27 november 2019 verzonden naar het door de gemachtigde in het (hoger) beroepschrift genoemde adres ( [...] te [...] ), is niemand verschenen. Blijkens gegevens van PostNL (‘Track & Trace’) is de brief op 28 november 2019 bezorgd op voormeld adres en is voor de ontvangst getekend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Feiten

1. Eiseres is een naar Angelsaksisch recht opgerichte vennootschap waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld. Eiseres is statutair gevestigd in het Verenigd Koninkrijk.

2. Eiseres houdt zich bezig met (arbeidsbemiddeling met het oog op) zorgverlening aan particulieren en met verhuur van accommodatie.

3. Enig bestuurder en aandeelhouder van eiseres is [Y] (hierna: de dga). Zij woont in Nederland.

4. De dga is gehuwd met [X] .

5. Voor het jaar 2015 is aan de dga een persoonsgebonden budget toegekend.

6. De dga heeft bij de verantwoording over de besteding van haar persoonsgebonden budget 2014 eiseres als zorgverlenende instantie aangemerkt.

7. Eiseres heeft in de aangifte loonheffingen 2015 aangegeven € 18.600 loon te hebben vergoed aan [X] .

8. Eiseres heeft in 2015 aan [X] een auto met kenteken [..-..-..] ter beschikking gesteld.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de (mogelijke) toepassing van artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 - hierna: Wet LB 1964 (de gebruikelijk loonregeling).

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hij daaraan ter zitting heeft toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Beoordeling van het geschil

Inhoudingsplicht eiseres

12. Artikel 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt wie inhoudingsplichtige is. Dat artikel luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Inhoudingsplichtige is:

a. degene, tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan;

b. (…)

c. (…)

2. Wie niet in Nederland woont of gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd voor zover hij:

a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf, beroep of andere bezigheid of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft, dan wel

b. een of meer personen in dienst heeft van wie het loon is onderworpen aan de inkomstenbelasting, met betrekking tot deze personen de loonadministratie in Nederland houdt en zich voor deze persoenen als inhoudingsplichtige bij de inspecteur heeft gemeld. (…)”

13. Niet in geschil is dat de dga haar leidinggevende werkzaamheden voor de vennootschap in Nederland heeft verricht en dat eiseres in Nederland is gevestigd. In een dergelijk geval is het eerste lid van artikel 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepalend voor het antwoord op de vraag of eiseres inhoudingsplichtige is.

14. In artikel 4, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 in samenhang met artikel 2h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is bepaald dat als (fictieve) dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht ten behoeve van een vennootschap waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft.

15. De rechtbank stelt vast dat [X] werkzaamheden heeft verricht voor eiseres. Verweerder heeft dit immers onweersproken gesteld. Eiseres heeft bovendien in 2015 loon aan [X] vergoed. Gelet op het feit dat eiseres een vennootschap is waarin de partner van [X] een aanmerkelijk belang heeft, komt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking met [X] en dat eiseres inhoudingsplichtige is.

Gebruikelijk loon

16. De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift dat uitsluitend (de hoogte van) het gebruikelijk loon in geschil is. In artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld wordt op € 44.000. Indien aannemelijk is dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economisch verkeer een lager loon dan € 44.000 gebruikelijk is, wordt ingevolge diezelfde bepaling het loon gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Deze bepaling wordt als de gebruikelijk loonregeling aangeduid.

17. De bewijslast dat een lager loon dan € 44.000 gebruikelijk is, ligt bij eiseres. Eiseres stelt hiertoe dat zij slechts € 22.000 van de gemeente [A] heeft ontvangen ter bekostiging van de inkoop van zorg ten behoeve van de dga.

18. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met bovengenoemde stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruikelijk loon € 22.000 bedraagt. Zelfs al zou aannemelijk zijn dat in 2015 de inkomsten € 22.000 hebben bedragen, dan is met die enkele stelling nog niet aannemelijk gemaakt dat in het economisch verkeer een lager loon dan € 44.000 gebruikelijk is ten aanzien van de dienstbetrekking die het meest vergelijkbaar is met de dienstbetrekking tussen eiseres en [X] .

19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf

5.1.

Belanghebbende’s verzoeken van 26 december 2019 en 2 januari 2020 om de zitting van 7 januari 2020 uit te stellen zijn niet gehonoreerd door het Hof. De in het uitstelverzoek van 26 december 2019 vermelde reden (de gemachtigde verblijft tot 22 december 2019 in het buitenland en heeft “amper de tijd om met [belanghebbende] de stukken door te nemen en voor te bereiden voor de zitting.”) wordt door het Hof niet zodanig dringend geacht dat het verzoek is toegewezen; dit in het licht van de afweging van het belang van belanghebbende bij uitstel, tegen het belang van de voortgang van de zaak. Ook heeft het Hof meegewogen de omstandigheden dat uit de uitstelverzoeken niet volgt dat de gemachtigde van belanghebbende verhinderd is te verschijnen op de zitting van 7 januari 2020, het een relatief klein dossier betreft, de uitspraak van de rechtbank van 6 juli 2018 dateert en twee eerdere uitstelverzoeken van belanghebbende zijn gehonoreerd. Voorts is de uitnodiging voor de zitting voor ontvangst getekend (zie 1.5). Dat de gemachtigde van belanghebbende, voor zover hij dat aan de orde wilt stellen, de uitnodiging niet in persoon in ontvangst heeft genomen is leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat uit zijn brief van 26 december 2019 blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de uitnodiging.

Naheffingsaanslag

5.2.

Hetgeen door de rechtbank in rechtsoverwegingen 12 tot en met 15 heeft overwogen aangaande de (fictieve) dienstbetrekking tussen [X] en belanghebbende en belanghebbende als inhoudingsplichtige acht het Hof juist. Het Hof maakt die overwegingen tot de zijne. Hetgeen door belanghebbende hieromtrent in hoger beroep naar voren is gebracht werpt geen nieuw of ander licht.

5.3.

In artikel 12a, eerste lid, van de Wet LB 1964; tekst 2015 is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld wordt op het hoogste van de volgende bedragen:

a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;

b. (…);

c. € 44.000.

Het tweede lid van gemeld artikel 12a bepaalt:

“Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, met dien verstande dat het loon ten minste wordt gesteld op het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, of, indien het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan dat bedrag, op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking”.

5.4.

Belanghebbende - op wie blijkens het in 5.3 aangehaalde artikel 12a, tweede lid, Wet LB 1964 de bewijslast rust - heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 44.000.

Onvoldoende is de stelling van belanghebbende dat “De gemeente [A] (…) in totaal €. 22000.- [heeft] betaald voor het uitvoeren van WMO en PGB door [belanghebbende]”. Allereerst is die stelling niet dan wel onvoldoende met documenten of anderszins gestaafd. Daarbij merkt het Hof op dat het in de door belanghebbende overgelegde verlies- en winstrekening voor het jaar 2015 opgenomen bedrag aan omzet (€ 19.748) niet overeenkomt met de gestelde € 22.000 en een toelichting waarop dit bedrag aan omzet ziet ontbreekt. Daarmee is, in aanmerking genomen de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, (de omvang van) het ontvangen bedrag van de Gemeente niet aannemelijk gemaakt.

Voorts is het Hof van oordeel dat ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat het door belanghebbende van de Gemeente ontvangen bedrag € 22.000 bedraagt (conform belanghebbes stelling) daarmee nog niet aannemelijk is geworden dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 44.000.

Slotsom

5.5.

De slotsom is alsdan dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier.

De beslissing is op 28 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.