Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3785

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
24-02-2021
Zaaknummer
18/00499 tot en met 18/00501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douanerecht; UTB's; ontvankelijkheid bezwaar; onttrekking aan het douanetoezicht; douaneschuldenaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/821
DouaneUpdate 2021-0145 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2021/0519 met annotatie van
Douanerechtspraak 2021/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 18/00498 tot en met 18/00501

29 september 2020

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats 1], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 19 juli 2018 in de zaak met het kenmerken HAA 16/3927 tot en met HAA 16/3930 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

18/00498 (HAA 16/3927)

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 16 januari 2015 aan belanghebbende een

uitnodiging tot betaling (utb) met nr. [nummer 1] uitgereikt voor een bedrag van € 566.077,84 aan douanerechten.

18/00499 (HAA 16/3928)

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 17 juli 2015 aan belanghebbende een

utb met nr. [nummer 2] uitgereikt voor een bedrag van € 786.488,87 aan douanerechten.

18/00500 (HAA 16/3929)

1.1.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 17 juli 2015 aan belanghebbende een

utb met nr. [nummer 3] uitgereikt voor een bedrag van € 120.488,45 aan douanerechten.

18/00501 (HAA 16/3930)

1.1.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 september 2014 aan belanghebbende een

utb met nr. [nummer 4] uitgereikt voor een bedrag van € 289.530,35 aan douanerechten.

1.2.

De inspecteur heeft de daartegen gemaakte bezwaren, bij afzonderlijke uitspraken op

bezwaar van 12 juli 2016, afgewezen en de utb’s gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft

in haar uitspraak van 19 juli 2018 als volgt beslist.

“De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaken HAA 16/3927, HAA 16/3928 en HAA 16/3930 ongegrond;

- verklaart het beroep in zaak HAA 16/3929 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar in zaak HAA 16/3929

- vermindert de utb in zaak HAA 16/3929 tot € 29.158,85;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof

ingekomen op 28 augustus 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek met dagtekening 1 september 2019

ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 15 oktober 2019 medegedeeld geen conclusie van dupliek in te dienen.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Het hoger beroep is

gelijktijdig behandeld met het hoger beroep in de zaak met de kenmerken 18/00494 tot en met 18/00497. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’.

“1. [BV 1] B.V. (hierna: [BV 1] ) is opgericht op 16 mei 1991. Eiser is sinds de oprichting enig aandeelhouder en bestuurder (alleen/zelfstandig bevoegd) van [BV 1]. Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bestaan de activiteiten van [BV 1] uit: ‘Groothandel in groenten en fruit; in- en verkoop van, de commissiehandel en de agentuur in groenten, fruit en aanverwante produkten, de im- en export alsmede het vervoer daarvan’.

HAA 16/3927

2. In de periode 20 januari 2010 tot en met 9 juni 2010 heeft [BV 2] B.V. (tot 1 februari 2010: [BV 3] B.V.; hierna: [BV 2] ) middels het opmaken van T1-documenten 20 zendingen verse knoflook met land van oorsprong China en met als afzender [BV 1] onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer geplaatst. Het kantoor van vertrek is steeds in Nederland en het kantoor van bestemming is steeds in Slovenië. De geadresseerde is [BV 4] te Servië.

HAA 16/3928

3. In de periode 9 augustus 2010 tot 1 maart 2011 heeft [BV 5] B.V. (hierna: [BV 5]) middels het opmaken van T1-documenten 26 zendingen verse knoflook met land van oorsprong China en met als afzender [BV 1] onder de douaneregeling extern douanevervoer geplaatst. Het kantoor van vertrek is steeds in Nederland en het kantoor van bestemming is steeds in Slovenië. De geadresseerde is het bedrijf [BV 4] te Servië.

HAA 16/3929

4. Op 9 augustus, 21 september en 10 november 2010 en op 10 februari 2011 heeft [BV 5] middels het opmaken van T1-documenten 4 zendingen verse knoflook met land van oorsprong China en met als afzender [BV 1] onder de douaneregeling extern douanevervoer geplaatst. Het kantoor van vertrek is steeds in Nederland en het kantoor van bestemming is steeds in Slovenië. De geadresseerde is het bedrijf [BV 4] te Servië.

HAA 16/3930

5. In de periode 27 september 2011 tot en met 13 maart 2012 heeft [BV 5] middels het opmaken van T1-documenten 10 zendingen verse knoflook met land van oorsprong China en met als afzender [BV 1] onder de douaneregeling extern douanevervoer geplaatst. Het kantoor van vertrek is steeds in Nederland en het kantoor van bestemming is steeds in Zwitserland. De geadresseerden zijn [BV 6] in Baar en [BV 7] in Laupen.

Alle zaken

6. De FIOD is onder de naam ‘[BV 1]’ (later gewijzigd in ‘Knoflook’) een strafrechtelijk onderzoek gestart. Bij brief van 6 december 2013 heeft de Officier van Justitie van het Functioneel Parket Rotterdam zich akkoord verklaard met het ter fiscaalrechtelijk gebruik vrijgeven van de tijdens dat onderzoek ter beschikking gekomen bewijsmiddelen aan de Douane, Rotterdam Rijnmond.

7. Uit het FIOD-onderzoek blijkt onder meer het volgende:

zaak HAA 16/3927:

Verse knoflook werd door [BV 1] gekocht in China en opgeslagen in het douane-entrepot van [BV 2] te Bunnik. [BV 2] kreeg opdracht van [naam 1] (hierna: [naam 1]) om op naam van [BV 1] de verse knoflook aan te geven voor de regeling extern douanevervoer met bestemming Servië. De ‘[BV 11] knoflook’ werd echter niet vervoerd naar Servië, maar vertrok van [BV 2] rechtstreeks naar het douane-entrepot van [BV 8] B.V. te Kerkdriel (hierna: [BV 8]). Bij [BV 8] werd de knoflook zonder betaling van de verschuldigde rechten bij invoer als vrije knoflook (‘duty-paid’) ingeslagen. Het T1-document werd gezuiverd bij de uitgaande grens van de EU in Slovenië met gebruikmaking van een partij bevroren knoflook. Dezelfde partij bevroren knoflook werd meerdere malen gebruikt voor de aanzuivering van T1-documenten voor verse knoflook.

zaak HAA 16/3928:

Verse knoflook werd door [BV 1] gekocht in China en opgeslagen in het douane-entrepot van [BV 8]. [BV 5] kreeg opdracht van [naam 1] om op naam van [BV 1] de verse knoflook aan te geven voor de regeling extern douanevervoer met bestemming Servië. De ‘[BV 11] knoflook’ werd echter niet vervoerd naar Servië, maar werd zonder het douane-entrepot van [BV 8] te verlaten en zonder betaling van de verschuldigde rechten bij invoer binnen de opslagloods verplaatst en onder een ander partijnummer fictief ingeslagen als vrije knoflook (‘duty-paid’). Het T1-document werd gezuiverd bij de uitgaande grens van de EU in Slovenië met gebruikmaking van een partij bevroren knoflook. Dezelfde partij bevroren knoflook werd meerdere malen gebruikt voor de aanzuivering van T1-documenten voor verse knoflook.

zaak HAA 16/3929:

Verse knoflook werd door [BV 1] gekocht in China en opgeslagen in het douane-entrepot van [BV 8]. [BV 5] kreeg opdracht van [naam 1] om op naam van [BV 1] de verse knoflook aan te geven voor de regeling extern douanevervoer met bestemming Servië. De ‘[BV 11] knoflook’ werd echter niet vervoerd naar Servië, maar vertrok rechtstreeks van het douane-entrepot van [BV 8] naar [BV 9] in Kruiningen (hierna: [BV 9]). Bij [BV 9] werd de knoflook zonder betaling van de verschuldigde rechten bij invoer als vrije knoflook (‘duty-paid’) ingeslagen. Het T1-document werd gezuiverd bij de uitgaande grens van de EU in Slovenië met gebruikmaking van een partij bevroren knoflook. Dezelfde partij bevroren knoflook werd meerdere malen gebruikt voor de aanzuivering van T1-documenten voor verse knoflook.

zaak HAA 16/3930:

Verse knoflook werd door [BV 1] gekocht in China en opgeslagen in het douane-entrepot van [BV 8]. [BV 5] kreeg opdracht van [naam 1] om op naam van [BV 1] de verse knoflook aan te geven voor de regeling extern douanevervoer met bestemming Zwitserland. De ‘[BV 11] knoflook’ werd echter niet vervoerd naar Zwitserland, maar vertrok rechtstreeks van het douane-entrepot van [BV 8] naar [BV 9]. Bij [BV 9] werd de knoflook zonder betaling van de verschuldigde rechten bij invoer als vrije knoflook (‘duty-paid’) ingeslagen. Het T1-document werd gezuiverd bij de uitgaande grens van de EU met Zwitserland met gebruikmaking van een partij bevroren knoflook. Dezelfde partij bevroren knoflook werd meerdere malen gebruikt voor de aanzuivering van T1-documenten voor verse knoflook.

8. Uit het FIOD-onderzoek blijkt voorts dat in de administratie van [BV 1] onder meer de navolgende bescheiden zijn aangetroffen:

-uitgaande CMR-vrachtbrieven voor het vervoer van verse knoflook van Nederland naar een bestemming buiten de EU;

- inkomende CMR-vrachtbrieven voor het vervoer van verse knoflook vanuit Slowakije, Hongarije of Duitsland naar een Nederlandse opslagloods;

- verkoopfacturen voor de verkoop van [BV 11] verse knoflook door [BV 1] aan een afnemer buiten de EU;

- inkoopfacturen voor vrije (‘duty paid’) verse knoflook door [BV 1] ;

- verkoopfacturen voor de verkoop van vrije (‘duty paid’) verse knoflook door [BV 1] aan afnemers binnen de EU;

- “ vrijstellingen”, dat wil zeggen documenten van [BV 1] die - onder de melding “vrijstelling” - telkens een zending knoflook beschrijven. De partijnummers die op deze vrijstellingen staan, komen overeen met de partijnummers op de CMR-vrachtbrieven;

- [BV 11] voorraadlijsten;

- vrije (‘duty paid’) voorraadlijsten en

- arrival notices inzake de aankomst van ‘duty paid’ knoflook vanuit Hongarije, Slowakije of Duitsland in een opslagloods in Nederland.

9. Eiser heeft ten overstaan van de FIOD onder meer verklaard dat hij in 2009 is gaan samenwerken met [naam 1] wat betreft de handel in verse knoflook. Tot die tijd hield eiser zich met [BV 1] vooral bezig met de invoer van uien uit India. Hij had [naam 1] mondeling gemachtigd om namens [BV 1] te handelen. Hij vond het risico te groot om [naam 1] in dienst te nemen of inspraak te geven in [BV 1]. Eiser weet dat er fraude wordt gepleegd met knoflook in het Oostblok. Eind 2009/begin 2010 was er een probleem met de niet-zuivering van T1-documenten voor verse knoflook die op naam van [BV 1] was verkocht aan [naam 2] en [BV 4] in Servië. Eiser is daarvan geschrokken. Daarom heeft hij [naam 1] de hierna onder 11 te noemen - geantedateerde - overeenkomst laten tekenen om zich in te dekken tegen niet-zuiveringen door [naam 1] op naam van [BV 1]. Als [naam 1] de overeenkomst niet had getekend, was eiser gestopt met de knoflookhandel.

Het e-mailadres van [BV 1] was door [naam 1] gestart voor de knoflook en eiser had toegang daartoe. Alle correspondentie verliep via dat e-mailadres. Eiser raadpleegde het account regelmatig, omdat daar ook e-mailberichten binnenkwamen die voor hem waren bestemd. [naam 1] verzorgde alle documentatie en deed de gehele logistiek. De bescheiden die [naam 1] aan hem mailde werden door eiser op zijn kantoor geprint en in de administratie van [BV 1] gevoegd. Het kasboek werd bijgehouden door [naam 1]. Eiser betaalde de facturen nadat [naam 1] telefonisch bevestigde dat het goed was. Eiser controleerde [naam 1] niet.

Als de FIOD hem bescheiden uit de administratie van [BV 1] voorhoudt waaruit blijkt dat een partij verse knoflook die op 9 augustus 2010 is opgehaald bij [BV 8], dezelfde dag als vrije knoflook is gelost bij [BV 9], terwijl de aanzuivering van het bij die zending behorende T1-document eerst op 12 augustus 2010 heeft plaatsgevonden (p. 555), een CMR van [BV 8] is afgetekend voor zowel uitslag als inslag op 13 augustus 2010 (p. 556), een zending verse knoflook op 14 en 15 maart 2011 vanaf [BV 8] als vrije knoflook is uitgeleverd aan Nederlandse en Tsjechische afnemers, terwijl het op die zending betrekking hebbende T1-document pas op 9 mei 2011 is aangezuiverd (p. 585) en [naam 1] op 25 januari 2012 een e-mail aan eiser stuurt met als bijlage een CMR-vrachtbrief aangaande een lading “Knoblauch gefroren”, “temperatuur -18C” (p. 583), reageert eiser met de opmerking dat hij had moeten of kunnen zien dat het niet kan kloppen, maar dat hij er niet voldoende aandacht aan heeft besteed of niet goed heeft opgelet of dat het niet tot hem is doorgedrongen.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan, met dien verstande dat de rechtbank onder punt 7 ten onrechte heeft vermeld dat [naam 1] opdracht heeft gegeven om de goederen “op naam van [BV 1]” aan te geven voor de regeling extern douanevervoer. Deze vaststelling vindt geen steun in de stukken van het geding. Alle aangiften tot plaatsing van de goederen onder de regeling extern douanevervoer zijn op eigen naam en voor eigen rekening gedaan door [BV 2] BV (zaak 18/00494) en [BV 5] BV (zaken 18/00495, 18/00496 en 18/00497). Wel werd de opdracht tot plaatsing onder de regeling extern douanevervoer telkens door [naam 1] gegeven namens [BV 1], via het mailadres [BV 1]@live.nl en werd de aangever voor deze dienstverlening betaald door [BV 1].

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de utb’s terecht aan belanghebbende zijn uitgereikt. Voor de utb met nummer [nummer 1] (zie 1.1.1) is in geschil of het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke zijn aangevoerd in

de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar de naar aanleiding van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid bezwaar, zaak HAA 16/3927

14. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 22j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

15. Eiser stond van 17 november 2014 tot 28 juli 2015 ingeschreven op het adres [adres] . De utb gedagtekend 16 januari 2015 is verzonden naar dat adres. Het daartegen gericht bezwaarschrift gedagtekend 27 mei 2015 is door verweerder ontvangen op 2 juni 2015. Het bezwaarschrift is dus te laat ingediend.

16. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Wel dient de belanghebbende nadat hij bekend is geworden met de utb zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd een bezwaarschrift in te dienen. Aan de belanghebbende dient in ieder geval een termijn van ten minste veertien dagen te worden gegund (vgl. Hoge Raad 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462).

17. Gelet op de verklaring van eiser ter zitting en de e-mail van 16 januari 2015 van eiser aan [naam 3] acht de rechtbank aannemelijk dat eiser de nodige maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de naar het adres [adres] gestuurde post hem tijdig bereikte. Uit de e-mail van 16 januari 2015 leidt de rechtbank af dat hij er kort voor het versturen van die e-mail erachter was gekomen dat Van de Poel sinds begin december 2015 (de rechtbank begrijpt: 2014) zonder enig overleg de post retour afzender stuurde. Op 20 mei 2015 heeft [naam 4] , werkzaam bij verweerder, de utb per mail verstuurd aan eiser die de utb toen voor het eerst onder ogen heeft gekregen. Het op 2 juni 2015 ingediende bezwaarschrift is binnen twee weken ingediend. De rechtbank is daarom van oordeel dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat eiser in verzuim is geweest. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar terecht geoordeeld dat het bezwaar ontvankelijk is en het andersluidende standpunt in beroep wordt door de rechtbank niet gevolgd.

Onttrekking aan het douanetoezicht

18. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) dient het begrip onttrekking aan het douanetoezicht in artikel 203 van het CDW aldus te worden opgevat dat het elk handelen omvat dat tot gevolg heeft dat de douaneautoriteiten, ook als is het maar tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de in artikel 37, eerste lid, van het CDW bedoelde controles uit te voeren. Het wegnemen van het T1-document van de goederen waarop het betrekking heeft moet worden gekwalificeerd als een onttrekking van die goederen aan het douanetoezicht (vgl. HvJ 29 april 2004, zaak C-222/01, [BV 10] B.V., r.o. 47 en 53).

19. De utb die voorwerp van geschil is in zaak HAA 16/3929 heeft betrekking op vier zendingen. Voor drie van die zendingen waarvoor de T1-documenten eindigend met C45B937, C9D3723 en D34FAB0 zijn opgemaakt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht. Deze utb moet daarom worden verminderd met € 91.329,60 tot € 29.158,85.

20. Voor alle overige in de utb’s betrokken zendingen zijn de T1-documenten en de verse knoflook waarop die T1-documenten betrekking hadden in Nederland van elkaar gescheiden. De T1-documenten gingen immers met een lading bevroren knoflook naar de buitengrens van de EU in Slovenië of met Zwitserland, terwijl de verse knoflook bij [BV 8] of [BV 9] achterbleef, zoals blijkt uit de hiervoor onder 7 opgenomen feiten en de onder 8 genoemde documenten. Aldus is sprake van een onttrekking aan het douanetoezicht. Dat de T1-documenten zijn gezuiverd betekent, anders dan eiser kennelijk meent, niet dat geen onttrekking heeft plaatsgevonden. De T1-documenten zijn immers niet samen met de goederen waarop zij betrekking hadden aangebracht op het douanekantoor van bestemming in de zin van artikel 92 van het CDW.

Douaneschuldenaar

21. Op grond artikel 203, derde lid, tweede gedachtestreepje, van het CDW is de douaneschuldenaar onder meer de persoon die aan de onttrekking heeft deelgenomen, terwijl hij wist of redelijkerwijze had kunnen weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken.

22. Uit de bevindingen zoals neergelegd in het FIOD-dossier en de verklaringen van eiser zoals hiervoor in deze uitspraak onder de feiten weergegeven en de verklaring van eiser ter zitting, blijkt dat eiser in zijn algemeenheid weet van fraude met knoflook in het voormalig Oostblok en dat bij het begin van de samenwerking met [naam 1] zich problemen voordeden met de niet-zuivering van drie T1-documenten voor zendingen verse knoflook voor Servië. Eiser is desondanks blijven samenwerken met [naam 1]. Hij gaf [naam 1] zelfs alle ruimte om op naam van [BV 1] te handelen en oefende daarop geen enkele controle uit. Uit de administratie van [BV 1] blijkt dat de verse knoflook aan het douanetoezicht werd onttrokken door de op die verse knoflook betrekking hebbende T1-documenten aan de grens in Slovenië of aan de grens met Zwitserland te laten zuiveren met bevroren knoflook, terwijl de verse knoflook in een koelloods in Nederland achterbleef. De niet-communautaire knoflook die in Nederland achterbleef kreeg enkel op papier de status vrije (‘duty paid’) knoflook. Op die manier werd voorkomen dat douanerechten en aanvullende heffingen moesten worden betaald over de verse Chinese knoflook. Eiser had toegang tot en raadpleegde regelmatig het voor de knoflookhandel door [naam 1] aangemaakte e-mailadres van [BV 1]. De bescheiden die [naam 1] per mail aan eiser toestuurde, en, die naar eiser heeft erkend, vol tegenstrijdigheden zaten die erop wezen dat de verse knoflook niet naar de buitengrens van de EU was vervoerd, waardoor de T1 documenten niet konden zijn aangezuiverd, heeft eiser zonder daar kritisch naar te kijken uitgeprint en in de administratie van [BV 1] gevoegd. Eiser droeg na goedkeuring van [naam 1] zorg voor de betaling van de facturen die in het kader van de onttrekking waren opgemaakt. Daarbij verrekende eiser bedragen tussen de koper en de verkoper van de knoflook.

23. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser redelijkerwijze had kunnen weten dat de verse knoflook aan het douanetoezicht werd onttrokken, en dat hij desondanks aan die onttrekking heeft deelgenomen. Naar aanleiding van de stelling van eiser dat er slechts drie momenten waren waarop hij had kunnen/moeten optreden, overweegt de rechtbank dat, nog daargelaten dat het CDW voor het aannemen van douaneschuldenaarschap geen minimum stelt aan het aantal momenten waarop iemand redelijkerwijs had kunnen weten dat sprake was van een onttrekking, er blijkens het voorgaande gedurende de gehele periode waarover wordt nagevorderd veel meer van die momenten waren. De overeenkomst tussen [BV 1] en [naam 1], wat daar verder ook van zij, betekent in ieder geval niet dat verweerder eiser niet als douaneschuldenaar kan aanspreken, reeds omdat het schuldenaarschap voortvloeit uit artikel 203, lid 3, van het CDW en niet uit een overeenkomst tussen partijen.

24. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep in zaak HAA 16/3929 gegrond en dienen de beroepen in de zaken HAA 16/3927, HAA 16/3928 en HAA 16/3930 ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu eiser geen kosten heeft gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.”

5 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar - zaaknr. 18/00498

5.1.

De inspecteur heeft ter zitting in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden dat het bezwaarschrift dat is gericht tegen de onder 1.1.1 genoemde utb met dagtekening 16 januari 2015 weliswaar te laat is ingediend, maar dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is op de voet van artikel 6:11 Awb, zodat het bezwaar toch ontvankelijk is. De inspecteur heeft betoogd dat belanghebbende geen adequate maatregelen heeft getroffen om er voor zorg te dragen dat poststukken die binnenkwamen op het adres [adres], dat volgens de Basisregistratie Persoonsgegevens van 17 november 2014 tot 28 juli 2015 zijn woonadres was, hem ook daadwerkelijk bereikten.

5.2.

Belanghebbende heeft ter zake gesteld dat hij na de inval door de FIOD in juli 2013 niet meer op de bedrijfslocatie aan het [adres] kwam, omdat de handel stillag. Hij heeft het adres [adres] bij de gemeente als woonadres opgegeven, omdat hij in België ([plaats 2]) woonde en om praktische redenen over een adres in Nederland wilde beschikken. Belanghebbende had met de verhuurder van het pand afgesproken dat deze de post die binnenkwam, zowel voor [BV 1] als voor belanghebbende, zou doorsturen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende een e-mail overgelegd welke hij, mede namens [BV 1], op 16 januari 2015 aan de verhuurder ([naam 3]) heeft gezonden. Dit bericht bevat, voor zover hier van belang, de volgende tekst:

“In juli 2013 heeft de FIOD een huiszoeking gedaan in uw pand, waarvan de huur door ons reeds was opgezegd. Vanaf deze periode tot begin december 2015 [Hof leest: 2014] heeft u steeds de aan [BV 1] BV gerichte post ter onze beschikking gesteld.

Inmiddels hebben wij vernomen dat de post gericht aan [BV 1] BV door u, zonder enig overleg, teruggestuurd is aan de afzenders. Tijdens ons laatste gesprek in november 2014 hebben wij nog in wederzijds vertrouwen overlegd of en in welke hoedanigheid en tegen welke prijs, [BV 1] BV en [belanghebbende] gebruik zouden maken van uw pand als vestigings- en woonadres.

Door uw manier van handelen, het retour zenden van de aan ons gerichte post, ondanks uw toezegging de post aan [kapper] te willen overhandigen, zijn wij onnodig in zeer grote problemen gekomen. Mede door het korte tijdsbestek, zijn wij er tot op vandaag niet in geslaagd een ander vestigingsadres te vinden. (…)

Ook aanmanings- en verwijtbare poststukken zijn hierdoor niet door ons kunnen worden beantwoord. Wij zullen u dan ook verantwoordelijk houden voor alle direkte en indirekte kosten, alsmede eventuele juridische stappen, die genomen dienen te worden. Deze verantwoordelijkheid betreffen zowel [BV 1] BV en de heer [belanghebbende] als privé-persoon.

5.3.

Het ligt op de weg van belanghebbende om passende maatregelen te treffen om er voor te zorgen dat de post die wordt bezorgd op het in de Basisregistratie Persoonsgegevens geregistreerde adres ook daadwerkelijk bij hem terechtkomt. Belanghebbende heeft geen professionele ‘doorzendservice’ ingeschakeld maar heeft er, blijkens het onder 5.2 aangehaalde bericht, voor gekozen om de verhuurder van het pand ([naam 3]) de voor hem (en [BV 1]) bestemde post te laten afgeven aan “[kapper]”, waarna de post - naar het Hof begrijpt - door deze kapper werd doorgestuurd naar belanghebbende of door belanghebbende werd afgehaald. Dat [naam 3] deze afspraak vanaf begin december 2014 niet langer is nagekomen komt naar ’s Hofs oordeel voor rekening en risico van belanghebbende, zodat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is.

5.4.

Gelet op het vorenoverwogene is het bezwaar in zaak 18/00498 niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven van belanghebbende komt het Hof in deze zaak daarom niet toe. Ten overvloede merkt het Hof op dat, zo het wel aan een inhoudelijke behandeling zou zijn toegekomen, voor zaak 18/00498 hetzelfde heeft te gelden als hierna wordt overwogen voor de zaaknummers 18/00499, 18/00500 en 18/00501.

Zaaknrs. 18/00499, 18/00500 en 18/00501

Onttrekking aan het douanetoezicht

5.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur het bewijs van de onttrekking aan het douanetoezicht voor alle in de bestreden utb’s begrepen goederen heeft geleverd, met uitzondering van een drietal zendingen, genoemd in punt 19 van de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft in hoger beroep niet betwist dat de inspecteur voor alle overige in de utb’s begrepen zendingen het bewijs van de onttrekking aan het douanetoezicht wel heeft geleverd.

5.6.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn door de rechtbank verworpen stelling herhaald dat van het ontstaan van een douaneschuld geen sprake kan zijn, omdat de regeling extern douanevervoer (T1) telkenmale is ‘aangezuiverd’ op het kantoor van bestemming.

Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen staat de omstandigheid dat ‘aanzuivering’ heeft plaatsgevonden niet in de weg aan het oordeel dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. De modus operandi was immers in alle gevallen dat er op het kantoor van bestemming weliswaar goederen (bevroren knoflook) werden aangeboden, maar dat dit - naar achteraf is vastgesteld - niet de goederen waren die onder de regeling extern douanevervoer waren geplaatst (verse knoflook). Door aldus te doen voorkomen alsof de onder de regeling geplaatste goederen daadwerkelijk het douanegebied van de Europese Unie hadden verlaten, is de regeling extern douanevervoer telkens ten onrechte als ‘gezuiverd’ aangemerkt. Deze omstandigheid staat er evenwel niet aan in de weg dat de inspecteur achteraf kan stellen - en bij betwisting bewijzen, zoals hij in dit geval heeft gedaan - dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

5.7.

Gelet op het vorenoverwogene is er voor alle in de utb’s begrepen zendingen een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 203, lid 1, van het CDW, met uitzondering van de drie zendingen genoemd in punt 19 van de rechtbankuitspraak. Het hoger beroep faalt in zoverre.

Douaneschuldenaar

5.8.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende terecht is aangemerkt als douaneschuldenaar op grond van artikel 203, lid 3, tweede gedachtestreepje, van het CDW, omdat hij aan de onttrekking van de knoflook aan het douanetoezicht heeft deelgenomen terwijl hij redelijkerwijze had moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken. Het Hof sluit zich aan bij de rechtsoverwegingen 22, 23 en 24 van de rechtbank en maakt deze tot de zijne, met dien verstande dat voor “had kunnen weten” telkenmale dient te worden gelezen “had moeten weten”. In aanvulling op voormelde rechtsoverwegingen van de rechtbank overweegt het Hof als volgt.

5.9.

Uit een e-mail van 20 november 2009 van [naam 1] aan belanghebbende (bijlage D-068-44 bij het strafdossier), met als onderwerp “Afspraken”, blijkt dat belanghebbende vanaf den beginne volledige inzage had in de mailbox via welke [naam 1] zijn frauduleuze activiteiten namens [BV 1] ontplooide ([email]. Dit bericht bevat onder meer de volgende tekst:

“(…)

Subject: afspraken

Sent: Fri, 20 Nov 2009 11 :56:43 +0100

hoi [belanghebbende] [Hof: belanghebbende]

hierbij alvast hetgeen wat we besproken hebben met evt nog vragen en voorstellen:

* [naam 1] doet inkoop en verkoop van [BV 11] knoflook. en evt andere producten met betrekking tot groente en fruit.

(…)

* alles gebeurt via e mail van [BV 1] (wachtwoord heb ik al gegeven)

(…)

* [belanghebbende] doet boekhouding

* [belanghebbende] behandeld de telefoontjes.

(…)

gr [naam 1] [Hof: [naam 1]]”

5.10.

Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende niet slechts passief inzage had in de mailbox [email], via welke alle frauduleuze handelingen door [naam 1] werden aangestuurd, maar dat hij zo nodig ook zelf van de mailbox gebruik maakte om de activiteiten te laten voortgaan als [naam 1] daartoe niet in de gelegenheid was. Zo behoort tot de gedingstukken bijvoorbeeld een e-mailbericht van 20 september 2010, waarin belanghebbende een verzoek afhandelt van “[naam 5], [naam 6]”, twee personen die vanuit Hongarije nauw samenwerkten met [naam 1] (D-046-42, p 2/2). Om 16:05 komt er een verzoek binnen van voormelde personen, zonder vermelding van enige bedrijfsnaam, contractnummer of factuurnummer. De tekst luidt:

“Dear [naam 1],

is it OK if truck goes tomorrow in the morning at 9am for uploading?

Best Regards,

[naam 5], [naam 6]”

In reactie op dit verzoek stuurt niet [naam 1], maar belanghebbende een e-mail aan opslaghouder [BV 8] BV. Hoewel in voormeld e-mailbericht geen enkel kenmerk van de beoogde zending wordt vermeld, stuurt belanghebbende om 16:51 een e-mail met de volgende tekst:

“[naam 7] kan deze lading gedaan worden.

[naam 1] is op dit moment niet bereikbaar.

Graag reaktie per omgaande.

Bedankt / [belanghebbende]”

Uit dit voorbeeld, maar ook uit tal van andere gedingstukken, blijkt dat belanghebbende volledig op de hoogte was van de knoflooktransacties die door [naam 1] werden verricht, de personen die daarbij betrokken waren en de opmerkelijke handelingen die daarbij werden verricht. Zo belanghebbende al niet wist dat de knoflook aan het douanetoezicht werd onttrokken had hij, gelet op de vele - niet mis ter verstane - signalen, redelijkerwijze moeten weten dat de knoflook niet daadwerkelijk het douanegebied van de Europese Unie verliet en aan het douanetoezicht werd onttrokken.

5.11.

De door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde omstandigheden:

- dat [naam 1] niet is ondervraagd (omdat hij onvindbaar is);

- dat de directeur van één van de betrokken opslaglocaties zou hebben bevestigd dat hij fraude heeft gepleegd en malversaties heeft uitgevoerd en

- dat een medewerker van één van de betrokken aangevers (voor het douanevervoer) niet is gehoord;

werpen, wat daar verder ook van zij, geen nieuw of ander licht op de zaak. Daarnaar gevraagd heeft belanghebbende ter zitting gepreciseerd dat voormelde personen, indien zij wel zouden zijn gehoord, hadden kunnen verklaren dat belanghebbende niet wist van de frauduleuze handelingen welke hebben geleid tot het ontstaan van de douaneschulden. Een verklaring van deze strekking zou belanghebbende niet baten, nu - zoals reeds geoordeeld onder 5.8 t/m 5.10 - belanghebbende wel redelijkerwijze had moeten weten dat de knoflook aan het douanetoezicht werd onttrokken.

5.12.

Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbende terecht als douaneschuldenaar aangemerkt.

Slotsom

5.13.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, doch enkel voor zover het zaak 18/00498 betreft.

6 Kosten

Kosten die op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking zouden komen zijn niet gesteld of gebleken.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze zaak 18/00498 betreft en bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

  • -

    verklaart het beroep in de zaak 18/00498 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar in zaak 18/00498;

  • -

    verklaart het bezwaar in zaak 18/00498 niet-ontvankelijk;

  • -

    gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 253 (hoger beroep bij het Hof) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter van de douanekamer, C.J. Hummel en J-P.R. van den Berg, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van

mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 29 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.