Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
23-001365-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling levensgezel. Verweer t.a.v. juistheid van inhoud verklaringen aangeefster verworpen. Oplegging van taakstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001365-18

datum uitspraak: 3 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-099770-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1976,

ter zitting opgevende te zijn geboren in [geboorteplaats] (Suriname),

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 mei 2020 en 20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 juni 2017 te [adres] , gemeente [adres] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar een of meermalen op/tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan/stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft de stelling betrokken dat de aangeefster [slachtoffer] mogelijk tot haar verklaringen is gekomen teneinde een urgentieverklaring te kunnen verkrijgen om andere woonruimte te bemachtigen en heeft daarbij geïmpliceerd dat de aangeefster het vastgestelde letsel aan zichzelf heeft toegebracht. Daarbij is erop gewezen dat de aangeefster inmiddels te kennen heeft gegeven haar aangifte te willen intrekken. Aan een en ander heeft de raadsman de conclusie verbonden dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat ‘kan worden getwijfeld aan de overtuiging’.

Anders dan de raadsman twijfelt het hof niet aan de juistheid van de inhoud van de verklaringen van de aangeefster. De door aangeefster beschreven toedracht past bij het letsel, een bult op het voorhoofd, dat bij haar is geconstateerd en de uitlatingen die de kinderen hebben gedaan toen de politie ter plaatse kwam. Dat de aangeefster later om haar moverende redenen, verschillende keren schriftelijk te kennen heeft gegeven haar aangifte te willen intrekken, maakt dat niet anders, te minder omdat zij daarbij geen afstand heeft genomen van haar verklaringen over de gewelddadige handelingen van de verdachte op 4 juni 2017. Zij is daarover ook door de rechter-commissaris bevraagd en heeft te kennen gegeven dat zij in haar aangifte de waarheid heeft gesproken, dat zij vindt dat de verdachte voldoende gestraft is, dat zij geen idee heeft waarom de verdachte ontkent dat hij haar geslagen heeft, en dat zij echt niet heeft gelogen in haar verklaring. Voor de door de raadsman geschetste alternatieve gang van zaken ziet het hof geen enkel solide aanknopingspunt, zodat deze niet aannemelijk wordt bevonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 juni 2017 te [adres] , gemeente [adres] , zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar meermalen op het hoofd te stompen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte van 4 juni 2017 met nummer 20171144669-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 4 juni 2017 tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik wens aangifte te doen van mishandeling door mijn partner. Mijn partner is genaamd: [verdachte] . [verdachte] en ik hebben al zo’n 16 jaar een relatie. Wij hebben drie kinderen: [kinderen] . [verdachte] heeft de kinderen erkend. Zij dragen zijn achternaam. De mishandeling door [verdachte] vond plaats op 4 juni 2017 op het adres [adres] , binnen de gemeente [adres] . [verdachte] heeft mij met zijn vuist op mijn voorhoofd geslagen, wat pijn deed en waarna letsel in de vorm van een bult is ontstaan. Ik zag [daarbij] [verdachte] met een dreigende houding op mij afkomen en voelde dat [verdachte] mij op mijn voorhoofd sloeg met zijn vuist. Ik voelde pijn aan de rechterkant van mijn voorhoofd. Hij heeft mij meerdere keren op mijn voorhoofd geslagen.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 17 oktober 2017, opgemaakt door mr. N.E. Kwak, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, in als de verklaring van [slachtoffer]:

Het klopt dat ik op 4 juni 2017 aangifte heb gedaan van mishandeling. Ik heb toen de waarheid gesproken. [verdachte] en ik hadden op 4 juni 2017 onenigheid over de financiën. [verdachte] schold mij uit. [verdachte] sloeg mij met zijn vuist tegen mijn voorhoofd, ik denk drie of vier keer.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2017 met nummer 20171144669-4, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 4 juni 2017 hoorde ik via de portofoon dat er een noodhulpeenheid werd gestuurd naar de [adres] . Ter plaatse hebben collega’s van de noodhulpeenheid aangebeld bij genoemde woning. Ik en verbalisant [verbalisant 1] stonden op dat moment achter die collega’s. Ik zag dat werd open gedaan door een mannelijke bewoner. Hij liet ons binnen. Ik zag in de woonkamer een vrouwelijke bewoonster staan. Ik zag dat zij overstuur was. Ik zag dat haar gelaat rood was en dat zij huilde. Tevens zag ik op het voorhoofd een aanzienlijke zwelling. Tevens zag ik in de woonkamer drie jonge kinderen zitten. Ik, [verbalisant 2] , hoorde de bewoonster verklaren dat zij door haar vriend was geslagen op haar hoofd. Ik zag en hoorde dat zij zeer emotioneel was, erg moest huilen en niet goed meer uit haar woorden kon komen.

Aangever: [slachtoffer]

Verdachte: [verdachte]

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2017 met nummer 20171144669-10, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 4 juni 2017 kregen mijn collega [verbalisant 2] en ik de opdracht te gaan naar de [adres] . Samen met collega’s van de noodhulpsurveillance zijn wij ter plaatse gegaan. Na aanbellen zag ik dat de deur werd geopend door een man. Later is mij gebleken dat de man was genaamd [verdachte] . [verdachte] heeft ons binnen gelaten. Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gegaan. In de woonkamer zag ik drie kleine kinderen op de bank zitten. Uit de woonkamer kwam een vrouw gelopen. Later is mij gebleken dat de vrouw was genaamd [slachtoffer] . Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat zij was geslagen. Door de collega’s is [verdachte] vervolgens aangehouden. Na de aanhouding bleef ik alleen met de kinderen in de woonkamer achter. Ik vroeg de kinderen wat er was gebeurd. Ik hoorde een meisje genaamd [kinderen] zeggen dat papa en mama ruzie hadden. Ik hoorde een jongetje genaamd [kinderen] zeggen dat er ‘boem boem’ was en ik zag hierbij een hand langs zijn gezicht gaan. Ik vroeg [kinderen] wie ‘boem boem’ deed, waarna ik hem hoorde zeggen dat papa dat deed bij mama.

Tijdens het opnemen van de aangifte heb ik letsel bij [slachtoffer] gezien. Ik zag dat zij een bult op de rechterzijde van haar voorhoofd had. Ik zag dat deze bult rood kleurde en gaande het opnemen van de aangifte zag ik ook blauwe verkleuringen opkomen.

5. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2020. Deze verklaring houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Ik had al heel lang een relatie met [slachtoffer] , al zestien jaar, of eigenlijk zeventien. Ik was die dag, 4 juni 2017, in de woning aan de [adres] . Wij hadden die dag onenigheid.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren – indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis – waarvan 60 uren – indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis – voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner. Hij heeft verschillende keren op het hoofd gestompt. Aldus heeft de verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en vervelend letsel bezorgd. Bovendien is haar dit aangedaan in haar eigen woning door de man die al 16 jaar haar partner was. Op die plaats en bij die man had zij zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen. Nog schrijnender en kwalijker is het dat de verdachte dit geweld op de moeder van zijn kinderen heeft toegepast terwijl die kinderen daarbij aanwezig waren.

Gelet op het voorgaande en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, acht het hof een onvoorwaardelijke taakstraf, en wel ter hoogte van 60 uren, in beginsel passend. In het tijdsverloop ziet het hof echter aanleiding om – anders dan door de raadsman is voorgesteld – een deel daarvan in voorwaardelijke vorm op te leggen. Hiermee wordt bovendien beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen. De omstandigheid dat het slachtoffer de mening is toegedaan dat de verdachte inmiddels genoeg is gestraft omdat hij vanwege dit voorval enige tijd zijn kinderen niet heeft kunnen zien, maakt niet dat kan worden volstaan met oplegging van een lagere straf, laat staan dat zou kunnen worden afgezien van strafoplegging. In het voorgaande ligt besloten dat de straf zoals door de advocaat-generaal is geëist, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof acht het niet opportuun bijzondere voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke straf, gelet op het tijdsverloop sinds het plegen van het feit en de ontwikkelingen in het leven van de verdachte sindsdien.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van

mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

3 september 2020.