Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3745

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
23-003447-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woninginbraak. 120 dagen gevangenisstraf waarvan 117 voorwaardelijk en 120 uur taakstraf. Materiële schade gedeeltelijk geschat, nu dat deel van de schade op grond van de vordering en de onderbouwing daarvan niet precies worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003447-19

datum uitspraak: 12 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-012693-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2020.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 augustus 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2])

- 4 setjes (gouden) sieraden, ieder bestaande uit oorbellen, ketting en ring en/of

- 14 ( gouden) armbanden en/of

- 3 ( gouden) ringen en/of

- een en/of meer sieraden en/of

- een en/of meer lingerie(setje(s)) en/of

- een of meer geldbedragen (in totaal 600 euro) en/of

- een portemonnee (met onder meer inhoudende een of meer bankpassen, een OV-chipkaart op naam en een studentenkaart op naam) en/of

- een (zwarte) rolkoffer en/of

- een tas ([winkel 1])

althans een of meer goederen, geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan de verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij de verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door een of meer (cilinder)sloten van de (toegangs)deur(en) van die woning te verbreken en/of te forceren, althans door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming van die woning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken, te weten van het wegnemen van armbanden, ringen, lingerie en een portemonnee met inhoud, omdat alleen uit de aangifte blijkt dat deze goederen zijn weggenomen en dat deel van de aangifte geen steun vindt in ander, objectief bewijs. De verdachte heeft bij zijn eerste verhoor bekend en zijn verklaring dat hij gouden sieraden in de vorm van setjes kettingen en ongeveer € 200,00 aan contanten heeft gestolen maar geen portemonnee, lingerie of meer contant geld, is betrouwbaar, aldus de raadsman.

Het hof stelt voorop dat niet ieder onderdeel van de bewezenverklaring moet steunen op meer dan één bewijsmiddel. De aangifte, inhoudende dat in de woning van de aangever en zijn echtgenote is ingebroken en dat daarbij goederen zijn weggenomen, vindt steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte. Het hof acht de aangifte betrouwbaar en ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de opgave van gestolen voorwerpen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn mededader alle in de tenlastelegging genoemde goederen hebben gestolen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 augustus 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning gelegen aan de [adres 2]

- 4 setjes gouden sieraden, bestaande uit oorbellen, ketting en/of ring en

- 14 gouden armbanden en

- 3 gouden ringen en

- sieraden en

- lingeriesetjes en

- geldbedragen, in totaal 600 euro en

- een portemonnee met bankpassen, een OV-chipkaart op naam en een studentenkaart op naam) en

- een zwarte rolkoffer en

- een tas ([winkel 1]),

toebehorend aan een ander of anderen dan aan de verdachte en/of zijn mededader, waarbij de verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door een cilinderslot van de toegangsdeur van die woning te verbreken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 117 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van een duur die gelijk is aan het voorarrest (3 dagen), in combinatie met een werkstraf en eventueel een voorwaardelijk gedeelte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn mededader hebben ingebroken in een woning. Daarbij hebben zij onder meer veel sieraden, waaronder erfstukken, buitgemaakt. De verdachte heeft zich daarbij slechts laten leiden door een zucht naar financieel gewin ten koste van anderen. Woninginbraken veroorzaken niet alleen materiële en emotionele schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de slachtoffers. Het handelen van de verdachte draagt bovendien bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder bij buurtbewoners.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 juli 2020 is hij eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder woninginbraak, onherroepelijk veroordeeld. Het hof weegt de recidive van de verdachte in strafverhogende zin mee.

De verdachte heeft bij zijn eerste politieverhoor verantwoording genomen voor zijn daden door daarover te verklaren. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte er blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.

Uit een over de verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 23 augustus 2019 en uit hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht blijkt het volgende over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij werkt al ruim een jaar samen met zijn persoonlijke casusregisseur van de top600 om zijn leven een positieve wending te geven. Hij komt daarbij erg gemotiveerd over. Hij neemt deel aan een begeleid wonen-traject en heeft werk gevonden als asbestsaneerder, thans als ZZP’er. Ook betaalt hij met ondersteuning van een schuldhulpverlener zijn schulden af.

In beginsel is voor een woninginbraak, zeker bij recidive, (alleen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur de geëigende straf. Gelet echter op de houding en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf passend.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf zoals door de advocaat-generaal gevorderd passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.174,24 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 14.975,35. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Inhoud van de vordering

De materiële schade is blijkens de schriftelijke vordering opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    € 246,20 aan kosten voor het vervangen van het slot,

  • -

    € 1.391,50 wegens schade aan deuren,

  • -

    € 16.452,38 (in totaal) aan gestolen gouden sieraden (opgesplitst in verschillende posten),

  • -

    € 548,55 aan gestolen sieraden en lingerie, onderbouwd met pinbetalingen aan de [winkel 2] en [winkel 3],

  • -

    € 600,00 gestolen contant geld,

  • -

    € 39,78 voor de aanvraag van een nieuw rijbewijs,

  • -

    € 56,83 voor de aanvraag van een nieuw identiteitsbewijs,

  • -

    € 11,00 voor de aanvraag van een nieuwe OV-studentenkaart,

  • -

    € 428,00 voor een boxspring, en

  • -

    € 400,00 voor niet gewerkte dagen.

De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat de € 548,55, die is onderbouwd met pinbetalingen aan de [winkel 2] en [winkel 3], uitsluitend lingerie betreft. Hij heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij niet kan specificeren welk deel van het bedrag voor de gestolen sieraden betrekking heeft op sieraden die toebehoorden aan hemzelf en zijn vrouw en welk deel de sieraden van zijn tante betreft, maar dat het grootste deel van de gestolen sieraden toebehoorden aan hemzelf en zijn vrouw.

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen voor wat betreft de kosten voor het vervangen van het slot, de schade aan de deuren, het gestolen contante geld, de aanvraag van de OV-studentenkaart en de boxspring, in totaal € 2.676,70. De benadeelde partij moet voor wat betreft het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de advocaat-generaal.

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij met betrekking tot alle schadeposten, met uitzondering van de kosten voor het vervangen van het slot en maximaal € 300,00 aan contant geld, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze schadeposten zijn volgens de raadsman onvoldoende onderbouwd en/of op deze onderdelen van de tenlastelegging is vrijspraak bepleit.

De verdachte heeft verklaard dat hij de gestolen sieraden aan een opkoper heeft verkocht die hier in totaal € 2.000,00 voor heeft betaald; omdat de aangever de sieraden evenwel voor een hoger bedrag zal hebben gekocht, is hij bereid € 5.000,00 te vergoeden. Hij heeft zich tevens bereid verklaard de vervanging van het slot te vergoeden, alsmede de schade aan de deuren en de boxspring.

Oordeel van het hof

De schade betreffende niet gewerkte dagen is onvoldoende onderbouwd en de behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de gouden sieraden kan de schade op grond van de vordering en de onderbouwing daarvan niet precies worden vastgesteld. Een gedeelte van de gestolen sieraden behoorde niet aan de benadeelde partij toe, zodat dat gedeelte geen rechtstreekse schade van de benadeelde partij zelf betreft. De onderbouwing bestaat bovendien grotendeels uit bonnen die niet in de Nederlandse taal zijn opgemaakt. Nu de omvang van de schade zonder nader onderzoek, dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal het hof die omvang van de schade schatten op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van de aangifte, de verklaring van de verdachte over de (forse) opbrengst van de gouden sieraden bij een opkoper en het door de verdachte genoemde bedrag dat hij bereid is te betalen voor wat betreft de sieraden, schat het hof de omvang van dit deel van de schade op € 5.000,00. Het hof wijst het overige deel van de vordering betreffende de gouden sieraden af.

De overige schadeposten zijn voldoende onderbouwd. Het hof wijst de vordering ook in zoverre toe.

Het hof zal de vordering, zoals de benadeelde partij heeft gevorderd, vermeerderen met de wettelijke rente en hoofdelijk toewijzen, nu de verdachte het feit in vereniging met een ander heeft gepleegd.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 117 (honderdzeventien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.321,86 (achtduizend driehonderdeenentwintig euro en zesentachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 11.452,38 (elfduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en achtendertig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.321,86 (achtduizend driehonderdeenentwintig euro en zesentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 augustus 2018.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 augustus 2020.

Mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest te ondertekenen.