Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:373

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
200.168.887/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 30 augustus 2016. Auteursrecht. Appellanten hebben niet bewezen dat de auteursrechten deel uitmaken van de nalatenschap van de kunstenaar (en niet in de BV zijn ingebracht). Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.168.887/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/202628/ HA ZA 13-188

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 februari 2020

inzake

1 [appellante] ,

2. [appellant 1]

3. [appellant 2],

allen wonend te [woonplaats]

appellanten,

advocaat: mr. E. Hoekstra te Alkmaar,

tegen

1 [geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerden] B.V.,

gevestigd te Grootschermer,

geïntimeerden,

advocaat: mr. M. Zeeman te Alkmaar.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Appellante sub 1 wordt hierna [appellante] genoemd en appellanten gezamenlijk [appellante] c.s . Geïntimeerden worden afzonderlijk [geïntimeerde] en de vennootschap genoemd en gezamenlijk [geïntimeerden] B.V. c.s.

Het hof heeft in deze zaak op 30 augustus 2016 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot aan die datum wordt naar het tussenarrest verwezen.

[appellante] c.s . zijn in bedoeld tussenarrest toegelaten tot bewijs. Door de raadsheer-commissaris zijn vervolgens vier getuigen gehoord; het proces-verbaal van die verhoren bevindt zich bij de stukken.

Partijen hebben daarna nog de volgende stukken ingediend

  • -

    memorie na enquête, met producties;

  • -

    rolbericht met akteverzoek van de zijde van [appellante] c.s .;

  • -

    akte uitlating van de zijde van [geïntimeerden] B.V. c.s.;

  • -

    antwoord memorie na enquête.

Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Het hof blijft bij en verwijst naar hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist.

2.2.

Zoals in het tussenarrest is overwogen, is in hoger beroep alleen nog aan de orde aan wie de auteursrechten op de werken van [geïntimeerden] toebehoren: aan [appellante] (het standpunt van [appellante] c.s .) dan wel aan de vennootschap (het standpunt van [geïntimeerden] B.V. c.s.). Te dien aanzien heeft het hof geoordeeld dat in het feitenmateriaal dusdanig sterke aanwijzingen zijn gelegen dat de akte van inbreng er mede toe strekte de auteursrechten op de door [appellante] vervaardigde kunstwerken aan de vennootschap over te dragen dat in beginsel moet worden aangenomen dat met deze akte aan het krachtens artikel 2 Auteurswet (verder Aw) geldende vereiste is voldaan en de desbetreffende auteursrechten derhalve aan [geïntimeerden] B.V. toebehoren.

2.3.

[appellante] c.s . zijn in de gelegenheid gesteld om conform het door hen uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod te bewijzen dat de hierboven onder 2.2 als uitgangpunt genomen uitleg van de akte niet de juiste is, hetgeen zou betekenen dat de auteursrechten op de door hem vervaardigde kunstwerken aan [appellante] zijn blijven toebehoren en bij zijn overlijden deel uitmaakten van zijn nalatenschap.

In dit (tegen)bewijs zijn [appellante] c.s . niet geslaagd. Daarvoor is het volgende redengevend.

2.4.

[appellante] c.s . hebben zich ter staving van hun standpunt dat de auteursrechten destijds (in 1989) niet door [appellante] in [geïntimeerden] B.V. zijn ingebracht beroepen op het in 2002 door de (toenmalige) advocaat van de vennootschap, mr. [J] (hierna: [J] ), alsmede door haar belastingadviseur, mr. [A] . [A] (hierna: [A] ), in een geschil met derden over inbreukmakende handelingen ingenomen standpunt. Dat standpunt hield in dat de auteursrechten op de werken van [appellante] krachtens erfopvolging aan [appellante] zijn gaan toebehoren. Zij hebben aangeboden [J] en [A] als getuigen voor te brengen. Dat is, in het kader van de bewijslevering, inmiddels ook gebeurd.

Als getuige gehoord verklaarde [J] , kort samengevat, dat hij [appellante] in een kortgedingprocedure tegen bedoelde derden als auteursrechthebbende heeft opgevoerd omdat hij discussie met de wederpartij over de vraag aan wie de auteursrechten toebehoorden uit de weg wilde gaan, maar dat hij destijds zelf de indruk had dat alle auteursrechten bij de B.V. lagen. Hij verklaart daarover: Tijdens de voorbereiding op het daartoe te voeren kort geding heb ik mij afgevraagd hoe ik kon zien dat het auteursrecht in de B.V. was ingebracht, en heb ik de akte van inbreng geraadpleegd. Dat het auteursrecht in de B.V. was ingebracht kon ik daarin niet vinden, althans niet met zoveel woorden. (…) Ik heb toen voorgesteld aan de betrokkenen om moeder als auteursrechthebbende op te voeren. (…) In aanvulling hierop kan ik nog verklaren dat ik naderhand benaderd ben door moeder en [geïntimeerde] met de vraag om ervoor te zorgen dat de auteursrechten op de gedichten van moeder aan de B.V. zouden worden overgedragen, zodat alles in een hand zou komen. Ook daaruit heb ik afgeleid dat mevrouw [B] en [geïntimeerde] ervan uitgingen dat de auteursrechten op het werk van [appellante] bij de B.V. rustten.” Ook [A] heeft als getuige verklaard dat hij er indertijd vanuit ging dat de beeldhouwer [appellante] indertijd alles in de B.V. had ingebracht, waaronder de auteursrechten op zijn werk. Dat vervolgens in de door hem aan de beweerde inbreukmakers toegezonden brief is gesteld dat [appellante] auteursrechthebbende was, moet volgens [A] “gezien worden tegen de achtergrond dat er op deze manier een einde kon worden gemaakt aan de auteursrecht inbreuk, waarbij het er eigenlijk niet zo toe deed bij wie in werkelijkheid de auteursrechten lagen”, dit laatste omdat [appellante] en [geïntimeerden] B.V. op dat moment helemaal op een lijn zaten. [A] verklaart voorts dat [J] het zou uitzoeken en dat hij zich daarmee verder niet beziggehouden heeft.

[geïntimeerde] heeft als (partij)getuige verklaard dat ook hij er altijd vanuit is gegaan dat “de auteursrechten in de B.V. zaten” en dat [appellante] destijds voor de constructie om alles wat op zijn werk betrekking had in de B.V. onder te brengen heeft gekozen om versnippering daarvan te voorkomen.

2.5.

In de memorie na enquête is er, met juistheid, op gewezen dat in de eerdere kortgedingprocedure kennelijk zonder voorbehoud door [J] als advocaat een standpunt is ingenomen dat haaks staat op hetgeen hij thans verklaart en dat dat verwondering wekt. Hier ligt echter niet de vraag voor of de voorzieningenrechter destijds onjuist is voorgelicht of niet. [J] heeft die keuze als getuige toegelicht als hiervoor weergegeven en daarbij verklaard dat hij ervan uitging dat alle betrokkenen, ook [appellante] , meenden dat de auteursrechten bij de BV berustten en dat hij louter uit pragmatische overwegingen heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan. Dat er ook andere mogelijkheden waren geweest doet daaraan niet af.

2.6.

Mede tegen de achtergrond van de hiervoor besproken verklaringen, die alle drie niet het standpunt van [appellante] steunen maar in feite juist het door [geïntimeerden] B.V. c.s. ingenomen standpunt dat [appellante] de auteursrechten op zijn werk in de door hem opgerichte vennootschap heeft ondergebracht, komt onvoldoende bewijskracht toe aan de verklaring van (partij) getuige [R] inhoudende, kort gezegd, dat hij zeker weet dat [appellante] het auteursrecht op zijn werk zelf heeft willen behouden teneinde grip te houden op zijn scheppingen en omdat hij bevreesd was voor een eventueel faillissement. Dit is niet anders indien de bij memorie na enquête nog overgelegde producties daarbij in aanmerking worden genomen. Het hof wijst er in dit verband nog ten overvloede op dat, anders dan [R] blijkens zijn verklaring kennelijk veronderstelt, het onderbrengen van het auteursrecht in een vennootschap niet per se als consequentie heeft dat de kunstenaar de grip op zijn werk verliest; die consequentie ligt te minder voor de hand als hij de vennootschap zelf heeft opgericht en daarvan (mede)bestuurder is. Ook lijkt, zowel in de verklaring van [R] als in de uitwerking van het gesprek met [geïntimeerde] waarnaar [appellante] verwijst, miskend te worden dat het met name de persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 25 lid 1 a tot en met d Aw zijn - welke rechten [appellante] op de voet van artikel 25 lid 2 Aw wel degelijk, naar ook niet ter discussie staat, aan [appellante] heeft gelegateerd - die ertoe strekken te voorkomen dat derden op de door [R] geschetste ongewenste wijze (bijvoorbeeld een brilletje tekenen op een foto in de krant) met werken “aan de loop gaan”. Tenslotte valt niet in te zien waarom het risico van het verlies van grip op de openbaarmaking en verveelvoudiging van auteursrechtelijk beschermde werken als gevolg van faillissement waarvoor [appellante] beducht was alleen aan de orde zou zijn als de auteursrechten - in de zin van exploitatierechten - aan de BV zouden toekomen; het gaat immers om een risico dat ook bestaat indien het auteursrecht aan een (of meerdere) natuurlijke personen toebehoort.

2.7.

[appellante] c.s . hebben in de memorie na enquête en bij H10 formulier van 18 juni 2019 akte gevraagd van een verzoek aan het hof om [geïntimeerden] B.V. c.s. te gelasten in de memorie na enquête genoemde stukken in het geding te brengen. Een vordering om op de voet van artikel 843a Rv aan hen inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden te verschaffen is door [appellante] c.s . in dit geding niet - voldoende duidelijk - ingesteld en biedt reeds daarom geen grondslag voor het door hen gewenste bevel. Daar komt bij dat het hof geen aanleiding ziet om [geïntimeerden] B.V. c.s. op de voet van genoemd artikel dan wel op de voet van artikel 22 Rv te gelasten bedoelde stukken in het geding te brengen. Het gaat hier, naar het hof begrijpt, om door [appellante] gegeven “interviews, brieven en de bandopname” waaraan [geïntimeerde] in zijn getuigenverklaring refereert en die - naar [appellante] c.s . afleiden uit het feit dat deze niet reeds door [geïntimeerden] B.V. c.s. in deze procedure zijn overgelegd - of helemaal niet bestaan of anders uitwijzen dan [geïntimeerde] heeft verklaard. Het hof acht deze stelling omtrent het bestaan en de inhoud van de desbetreffende bescheiden mede gelet op het stadium in de procedure - na enquête in hoger beroep - te speculatief van aard om aan het verzoek van [appellante] c.s . gevolg te geven; het verzoek zal ook daarom worden afgewezen.

2.8.

Het voorgaande brengt mee dat de door [appellante] c.s . tegen het bestreden vonnis gerichte grieven geen doel kunnen treffen. Dit vonnis zal derhalve worden bekrachtigd. [appellante] c.s . zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] c.s . in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] B.V. c.s. begroot op € 711,- aan verschotten en op € 3.222,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval - omdat niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan - betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.