Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3675

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
23-002450-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens tweemaal niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Proeftijd TUL verlengen met één jaar . Oplegging TS 180 uren / 90 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002450-19

datum uitspraak: 29 december 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2019 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-107043-19 (zaak A) en 13-130410-19 (zaak B), alsmede 13-035986-19 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,

zonder vaste- woon of verblijfplaats,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

15 december 2020.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak A:

hij, op of omstreeks 5 mei 2019 te 00:05 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;

Zaak B:
hij op 29 mei 2019 te 03.00 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1, Centrum en ondergrondse metrostations, althans uit een

door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden (ingaande 16 maart 2019 te 00:01 uur) niet meer te bevinden, terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen twee jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte wegens een gelijk misdrijf onherroepelijk was geworden (13 maart 2019; 13/035986-19);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaken A en B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:
hij, op 5 mei 2019 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, door de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich uit het overlastgebied 1 Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.

Zaak B:
hij, op 29 mei 2019 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, door de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden (ingaande 16 maart 2019 te 00:01 uur) niet meer te bevinden, terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen twee jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte wegens een gelijk misdrijf onherroepelijk was geworden (13 maart 2019; 13/035986-19).

Hetgeen in de zaken A en B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A en B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaken A en B bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht rekening te houden met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan hem in dat kader een taakstraf, met daarnaast eventueel een voorwaardelijke straf, op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 5 mei 2019 en op 29 mei 2019 een door de burgemeester van Amsterdam opgelegd gebiedsverbod overtreden. Door zo te handelen heeft hij er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan een besluit van het bevoegde gezag dat is genomen met het oog op handhaving van de openbare orde in het betreffende gebied. Dit, terwijl uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 november 2020 blijkt dat de verdachte binnen twee jaren vóór de tenlastegelegde datum (zaak B) ook al eens was veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Een vrijheidsbenemende straf, zoals door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, is naar het oordeel van het hof dan ook in beginsel passend te achten.

Het hof houdt, in het voordeel van de verdachte, echter rekening met zijn persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Na zijn uitzetting vanuit Nederland naar Polen op 27 oktober 2019 is de verdachte onder andere afgekickt van het gebruik van verdovende middelen. Daarnaast heeft hij zijn school afgemaakt en heeft hij zijn rijbewijs behaald. De verdachte is inmiddels teruggekeerd naar Nederland. In Nederland beschikt hij over een verblijfplaats die hij via AMOC heeft geregeld, en hij werkt via een uitzendbureau. Aangenomen mag worden dat deze positieve ontwikkelingen de recidivekans verlagen.

Daarom acht het hof het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze kennelijk positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte gedetineerd raakt. Om die reden zal het hof in dit bijzondere geval, alles afwegende en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, overgaan tot de oplegging van een taakstraf. Gelet op de hierna te noemen beslissing met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ziet het hof geen aanleiding daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de bij voornoemd vonnis vastgestelde proeftijd met een jaar zal worden verlengd.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de persoonlijke situatie van de verdachte acht het hof termen aanwezig om in plaats van het gelasten van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar te verlengen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13-107043-19 (zaak A) en de zaak met parketnummer 13-130410-19 (zaak B) tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-107043-19 (zaak A) en de zaak met parketnummer

13-130410-19 (zaak B) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van

26 februari 2019, parketnummer 13-035986-19, met een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. C.N. Dalebout en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van

mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

29 december 2020.

mrs. F.M.D. Aardema en M.D. de Wit zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.