Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3625

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
200.282.266/01, 200.282.266/02 en 200.282.268/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing voor drie kinderen terecht verleend, ondertoezichtstelling van vierde kind eveneens terecht. Het hof had immers al in de beschikking van 1 december 2020 overwogen wat de ontwikkelingsbedreigingen voor dit kind waren en de machtiging tot uithuisplaatsing voor dit kind bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.282.266/01, 200.282.266/02 en 200.282.268/01

zaaknummers rechtbank: C/13/686802 / JE RK 20/584 en C/13/687049 / JE RK 20/603

beschikking van de meervoudige kamer van 22 december 2020 inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de moeder,

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de vader of [verzoeker] ,

verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. I. Heijselaar te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als (overige) belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] )

- de minderjarige [kind 2] (verder te noemen: [kind 2] )

- de minderjarige [kind 3] (verder te noemen: [kind 3] )

- de minderjarige [kind 4] (verder te noemen: [kind 4] )

- [vader van kind 1] (verder te noemen: [vader van kind 1] )

Als informanten zijn aangemerkt:

- mevrouw [A] , een tante van [verzoeker] (verder te noemen: [tante A] )

- mevrouw [B] , werkzaam bij Levvel;

- mevrouw [C] (de zus van de moeder).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (verder te noemen: de kinderrechter) van 21 juli 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder en [verzoeker] zijn op 25 augustus 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 21 juli 2020 (zaaknummers 200.282.266/01 en 200.282.268/01). Daarbij hebben zij een verzoek gedaan tot het treffen van voorlopige voorzieningen (zaaknummer 200.282.266/02).

2.2

De GI heeft op 23 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 12 november 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder en [verzoeker] , bijgestaan door hun advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en een collega;

- [tante A] ;

- de zus van de moeder.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De advocaat van de moeder en [verzoeker] heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

2.4

Na de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder en [verzoeker] , zoals ter zitting afgesproken, het concept-plan van Levvel in het geding gebracht.

3 De feiten

3.1

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en [vader van kind 1] is [kind 1] geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] .

3.2

Uit de relatie van de moeder en [verzoeker] zijn geboren:

- [kind 2] , [in] 2014 te [geboorteplaats] ;

- [kind 3] , [in] 2017 te [geboorteplaats] ;

- [kind 4] , [in] 2020 te [geboorteplaats] .

3.3

De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over de kinderen.

3.4

[kind 1] heeft van 7 maart 2011 tot 7 maart 2013 onder toezicht gestaan van de gezinsvoogdij-instelling Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam.

3.5

[kind 1] , [kind 2] en [kind 3] staan sinds de beschikking van de kinderrechter van

2 januari 2018 onder toezicht van de GI.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 11 januari 2021.

3.6

[kind 4] is bij afzonderlijke beschikking van de kinderrechter met ingang van 21 juli 2020 uit huis geplaatst, op grond van een daartoe strekkende (spoed)machtiging. Bij beschikking van de kinderrechter van 3 augustus 2020 is aansluitend machtiging verleend tot de uithuisplaatsing van [kind 4] in een voorziening voor pleegzorg/(crisis)pleeggezin tot uiterlijk 21 juli 2021.

Bij beschikking van 1 december 2020 heeft dit hof de beschikking van 3 augustus 2020 bekrachtigd.

3.7

Sinds begin oktober 2020 verblijven alle kinderen bij [tante A] in [plaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking (zaaknummer rechtbank C/13/687049/ JE RK/20/603) is [kind 4] op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar tot 21 juli 2021. Bij de bestreden beschikking (zaaknummer rechtbank C/13/686802 / JE RK 20/584) is bovendien op verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] bij haar vader zonder gezag en een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] en [kind 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot uiterlijk 11 januari 2021.

4.2

De ouders verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, de GI en de raad alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun inleidende verzoeken tot ondertoezichtstelling van [kind 4] (zaaknummer 200.282.268/01) en uithuisplaatsing van de drie oudste kinderen (zaaknummer 200.282.266/01), dan wel deze inleidende verzoeken alsnog af te wijzen. Daarnaast verzoeken de ouders voorwaardelijk primair te bepalen dat het [verzoeker] zal zijn toegestaan onbeperkt toegang tot zijn kinderen te hebben, al dan niet als een verklaring voor recht, en subsidiair te bepalen dat de uithuisplaatsing van de drie oudste kinderen dient plaats te vinden bij [tante A] , en deze maatregelen voor maximaal drie maanden uit te spreken.

4.3

Bij wijze van voorlopige voorziening verzoeken de moeder en [verzoeker] – naar het hof begrijpt – primair de kinderen met hen te herenigen in afwachting van de beslissing in de bodemzaak en subsidiair de kinderen te plaatsen bij [tante A] (zaaknummer 200.282.266/02).

4.4

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de moeder en [verzoeker] af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In alle zaken

In het incident

5.1

De moeder en [verzoeker] hebben in het beroepschrift een incident opgeworpen en verzoeken analoge toepassing van artikel 208 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Naar het hof begrijpt, stellen de moeder en [verzoeker] dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven vanwege strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De moeder en [verzoeker] voeren aan dat de kinderrechter in de bestreden beschikking heeft overwogen: “De moeder heeft zich bij de mondelinge behandeling zowel binnen als buiten de zittingszaal zeer verbaal agressief geuit, waarvan de kinderen buiten de zittingszaal ook getuige zijn geweest” en wijzen erop dat voor hen niet controleerbaar is van wie de waarneming (naar het hof begrijpt: buiten de zittingzaal) is en in hoeverre rechterlijke weging heeft plaatsgevonden. Daarnaast voeren de moeder en [verzoeker] aan dat de wijze waarop de uithuisplaatsing van [kind 4] tot stand is gekomen, kwalijk en onrechtmatig is. De raad heeft op de zitting van 21 juli 2020 het verzoek tot uithuisplaatsing ingetrokken, omdat dit niet in het belang van [kind 4] werd geacht. De facto werden echter voorwaarden gecreëerd om een uithuisplaatsing uitgesproken te krijgen. Pontificaal voor de zittingszaal werd de parketpolitie gepositioneerd. De drie oudste kinderen werden direct na de uitspraak op de zitting weggevoerd en de moeder raakte geëmotioneerd. Door de zaak op die manier op de spits te drijven, is de GI debet aan de escalatie. De kinderrechter had moeten begrijpen dat de zitting een momentopname was en had niet moeten meegaan in het uiten van verontwaardiging over de moeder. De kinderrechter heeft nagelaten op onafhankelijke en kritische wijze de GI en de raad te toetsen, aldus de moeder en [verzoeker] .

5.2

Het hof gaat voorbij aan het door de moeder en [verzoeker] opgeworpen incident. Nog daargelaten dat de advocaat van de moeder en [verzoeker] niet heeft verduidelijkt waartoe zijn betoog hieromtrent zou moeten leiden (anders gezegd: welke voorlopige voorziening het hof volgens hen dient te treffen hangende het hoger beroep), hebben verzoekers bij een beoordeling daarvan geen belang:

1) de zaak ligt thans volledig in hoger beroep ter beoordeling aan het hof voor. Het hoger beroep strekt mede ertoe eventuele procedurele gebreken in de procedure in eerste aanleg te herstellen. Daarbij overweegt het hof dat de inhoudelijke beoordeling van de uithuisplaatsing van [kind 4] niet aan de orde is in deze procedures, maar heeft plaatsgevonden in de procedure die geleid heeft tot de beschikking van dit hof van 1 december 2020.

2) het hof geeft in deze beschikking een inhoudelijke beslissing over het hoger beroep van de moeder en [verzoeker] in de hoofdzaak.

Gelet hierop zal het hof het verzoek van de moeder en [verzoeker] tot het treffen van voorlopige voorzieningen afwijzen.

In de hoofdzaken

5.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.4

[kind 1] , [kind 2] en [kind 3] zijn begin oktober 2020 in het gezin van [tante A] geplaatst. De grief en subsidiair gedane verzoeken van de moeder en [verzoeker] die zien op de plaatsing van de kinderen bij [tante A] zijn dan ook niet meer aan de orde.

5.5

De moeder en [verzoeker] voeren primair aan dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [kind 4] en de gronden voor de uithuisplaatsing van de drie oudste kinderen ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook nu niet aanwezig zijn. Zij voeren hiertoe onder andere aan dat niet is gebleken, dat de moeder zich sinds 25 juni 2020 niet houdt aan de veiligheidsafspraken en daarmee de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen opnieuw in gevaar brengt. De zorgen zoals door de GI en de raad aan de verzoeken ten grondslag gelegd, werden in het kindgesprek van [kind 1] met de kinderrechter niet gestaafd. Spirit heeft aangegeven mogelijkheden te zien voor een grotere rol van [verzoeker] bij de opvoeding en verzorging van de kinderen. De GI blijft echter vasthouden aan de ingeslagen weg. Het is tijd te breken met de lijn van de GI, nu deze na tien jaar nog geen vruchten lijkt af te werpen. Wat de kinderrechter in eerste aanleg heeft nagelaten, wordt het hof verzocht in hoger beroep te doen: naar de mensen te luisteren.

De moeder heeft besloten ondersteuning te zoeken en heeft zich gewend tot een psychosociaal hulpverlener, teneinde in kaart gebracht te krijgen waarom zij zich maar niet uit de tentakels van de GI c.s. kan bevrijden. Het beste is en blijft dat de kinderen terugkeren naar de ouders. Er is begeleiding van Levvel (voorheen Spirit), vier uur in de week, die anders dan de GI kennelijk wel de juiste snaar weet te raken. Met de ondersteuning van Levvel is een ondertoezichtstelling niet langer geïndiceerd. De moeder en [verzoeker] bestrijden het standpunt van de kinderrechter dat zij onvoldoende in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen en dat de moeder daarnaast niet leerbaar is gebleken. Uit de rapporten van de twee oudste kinderen blijkt dat zij het goed doen op school. [kind 1] heeft in het kindgesprek meegedeeld dat haar ouders niet of nauwelijks ruzie hadden. Ten onrechte heeft de kinderrechter daaraan onvoldoende waarde toegekend. Levvel is het niet eens met het standpunt van de GI en wil hulp bieden met de kinderen thuis bij de moeder. Medio maart 2020 stonden de moeder en [verzoeker] er door de uitbraak van COVID-19 alleen voor. Zij hebben zich weten te redden en het heeft geen impact gehad op de kinderen. De moeder en [verzoeker] zetten hun vraagtekens bij de deskundigheid van de GI. Niet gebleken is dat pedagogen bij het onderzoek of de rapportages betrokken zijn. Spirit stelt, na de consultatie van gedragswetenschappers, dat een uithuisplaatsing juist schadelijk is voor een kind. Het lijkt de GI niet om de kinderen te doen, men wil – in het bijzonder – de moeder in het gareel brengen. Het klopt dat de moeder de kinderen had meegenomen naar de rechtbank. Zij had dit met de GI afgestemd. De GI had echter het voornemen de uithuisplaatsing direct ten uitvoer te leggen. Volstrekt onnodig, escalerend en vanuit pedagogisch oogpunt onverantwoord. De moeder begrijpt dat zij zich ter zitting bij de rechtbank niet heeft gedragen zoals zij zich had willen en moeten gedragen. Maar om dan meteen de kinderen uit huis te plaatsen, geeft geen blijk van een juiste rechtsopvatting. Ter zitting in hoger beroep hebben de moeder en [verzoeker] hieraan toegevoegd dat het door de GI gestelde huiselijk geweld rechtens niet bestaat. Het betoog van de GI is overtrokken. Het is geen huiselijk geweld als de moeder [verzoeker] de deur uit zet. Zij hebben samen vier kinderen en willen met elkaar verder. Zij staan dan ook open voor relatietherapie. Het contact met de GI verloopt zeer moeizaam, maar met Levvel hebben zij een klik. Anders dan de GI ziet Levvel het perspectief van de kinderen bij de ouders. De kinderen zijn veilig bij de moeder en [verzoeker] thuis en Levvel kan hen op vrijwillige basis begeleiden. De maatregelen zijn dan ook niet langer nodig, aldus de moeder en [verzoeker] .

5.6

De GI voert aan dat ten tijde van de bestreden beschikkingen wel degelijk gronden aanwezig waren voor de ondertoezichtstelling van [kind 4] en de uithuisplaatsing van de drie oudste kinderen en stelt dat deze gronden nog steeds aanwezig zijn.

De GI betwist dat haar optreden debet zou zijn aan de escalatie op de rechtbank en vervolgens de noodzaak tot uithuisplaatsing van [kind 4] . De GI heeft voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank op 21 juli 2020 gesproken met de moeder over het meenemen van de kinderen naar de zitting en haar dit ten zeerste afgeraden. Omdat de GI begreep dat de moeder niet te overtuigen was, heeft zij voor de zekerheid extra collega’s ingezet die zich tijdens de zitting over de kinderen konden ontfermen.

De GI meent dat aan de zijde van de moeder sprake is van een terugkerend patroon van huiselijk geweld, het niet nakomen van (veiligheids)afspraken, het niet duurzaam accepteren van noodzakelijke hulpverlening, en van agressief gedrag richting anderen, zoals de leerkracht op school en begeleiders van HVO Querido. De moeder lijkt dit allemaal gewoon te vinden en brengt dit ook zo over op de kinderen.

Jeugdbescherming heeft gedurende de nodige jaren getracht de moeder te motiveren mee te werken aan de hulpverlening, opdat zij op enig moment wel zou begrijpen dat haar gedrag niet goed is voor de ontwikkeling van haar kinderen. Jeugdbescherming heeft na de geboorte van [kind 4] niet direct aan de raad gevraagd onderzoek te doen naar een kinderbeschermingsmaatregel, omdat de moeder de inzet en hulpverlening van Levvel (Spirit) leek te accepteren. Het contact tussen de moeder en de trajectbegeleider bestond als gevolg van de Coronamaatregelen echter alleen uit telefoongesprekken, zodat ook van de zijde van Levvel slechts sprake was van beperkt contact en inzicht. Later bleek dat de moeder in deze periode de afspraken met Jeugdbescherming en HVO Querido overtrad door [verzoeker] regelmatig binnen te laten, met opnieuw huiselijk geweld tot gevolg. Dat [kind 1] in het kindgesprek met de kinderrechter heeft verklaard dat er maar één keer in de maand ruzie is tussen de ouders, is voor de GI slechts een teken dat zij een minder heftig conflict niet snel als ruzie zal betitelen, omdat zij thuis niet anders heeft meegemaakt dan dat een ruzie verbaal en fysiek heftig eraan toegaat. Er is nog steeds sprake van huiselijk geweld tussen de moeder en [verzoeker] . De moeder en [verzoeker] zijn niet bereid om de veiligheidsafspraak “ komt niet in de woning bij de moeder en de kinderen” na te komen. Zij willen samen voor het gezin zorgen en vinden ook dat zij dit goed doen. De GI vindt dat de kinderen blijvend in een ander gezin moeten opgroeien. Een besluit tot uithuisplaatsing wordt niet licht genomen door Jeugdbescherming. Een dergelijk besluit wordt multidisciplinair in het team genomen. Het netwerk van [verzoeker] was niet eerder in beeld bij Jeugdbescherming. [verzoeker] was zelf ook nauwelijks in beeld. De relatie tussen de moeder en [verzoeker] is bij Jeugdbescherming steeds overgekomen als een zogenoemde knipperlichtrelatie. [verzoeker] verscheen regelmatig niet op uitnodigingen voor een overleg, of de relatie was volgens de moeder op dat moment ten einde. Jeugdbescherming heeft steeds en vooral ingezet op de met het gezag belaste moeder. Vanaf het moment dat de moeder aangaf dat ook een netwerk beschikbaar is aan de kant van [verzoeker] , heeft de GI dit laten onderzoeken door Levvel. Op dit moment verblijven alle kinderen in het netwerk van [verzoeker] . Nog uitgezocht moet worden wat de beste omgangsregeling is voor de kinderen met de moeder en [verzoeker] en voor [kind 1] met haar vader. De gezinsmanager is met regelmaat bij de moeder over de vloer geweest en heeft zelf kunnen waarnemen dat [kind 3] steeds harder in zichzelf gaat hummen als de moeder haar stem verheft. De GI vindt het zorgelijk dat de moeder niet herkent dat het verheffen van haar stem angst en gevoelens van onveiligheid kan opwekken bij [kind 3] .

De moeder en [verzoeker] gaan op een manier met elkaar om die geweld in de hand werkt; zij vinden dat normaal en bagatelliseren het effect hiervan op de kinderen. Het is niet aannemelijk dat de moeder en [verzoeker] na een uitbarsting, weer helemaal emotioneel beschikbaar kunnen zijn voor de kinderen. De moeder geeft zelf aan dat de kinderen er niet op reageren, dat zij gewoon verder spelen. Het feit dat de kinderen niet reageren en vervolgens gewoon doorspelen, betekent volgens de GI dat de kinderen systematisch worden blootgesteld aan huiselijk geweld. Uit de literatuur blijkt dat hoe jonger het kind en hoe langer de blootstelling aan huiselijk geweld, des te schadelijker de effecten zijn op de breinontwikkeling en daarmee de gehele ontwikkeling van het kind. De GI is dan ook van mening dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd en dat het verzoek van de moeder en [verzoeker] strekkende tot onbeperkt contact tussen [verzoeker] en de kinderen dient te worden afgewezen.

5.7

[tante A] heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het goed gaat met de kinderen, maar dat zij wel hun moeder en [verzoeker] missen.

5.8

De zus van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de moeder al tien jaar aan allerlei regels moet voldoen en daardoor op haar tenen loopt. De moeder is echter bereid om samen te werken met de GI en staat open voor hulpverlening.

5.9

Het hof overweegt het volgende.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat sprake is van ernstige en langdurige zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen. De GI is sinds 2010 betrokken bij het gezin. [kind 1] heeft twee jaar onder toezicht gestaan vanwege zorgen over de verbale agressie van de moeder naar [kind 1] en naar anderen, zoals medebewoners en begeleiders van HVO Querido, in het bijzijn van [kind 1] . In juni 2016 is het gezin opnieuw aangemeld bij Jeugdbescherming vanwege een melding van Veilig Thuis over huiselijk geweld tussen de moeder en [verzoeker] in het bijzijn van [kind 1] en [kind 2] . Beide ouders zijn daarbij gewond geraakt en de woning was een puinhoop. Jeugdbescherming heeft hulpverlening ingezet van Vangnet en Advies om zicht te krijgen op de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.

Op 12 november 2017 is de moeder gearresteerd vanwege agressief gedrag bij het uitgaan. De moeder bleek onder invloed van alcohol. De politie trof daarbij de kinderen van destijds 8 jaar, 3 jaar en 3 maanden oud, alleen aan in de woning. De kinderen zijn vervolgens met toestemming van de moeder opgevangen door de zus van de moeder.

Op 19 december 2017 zijn de kinderen teruggegaan naar de moeder onder strikte veiligheidsafspraken. Het lukte de moeder echter niet zich aan deze afspraken te houden en er vonden meerdere incidenten plaats waarvan melding is gedaan bij de politie. Bij beschikking van de kinderrechter van 2 januari 2018 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en wederom uit huis geplaatst in het netwerk.

Het hulpverleningstraject van de moeder is vervolgens niet van de grond gekomen, omdat de moeder geen hulpvraag kon formuleren. Een uitzondering hierop betreft de hulpverlening aan de moeder door HVO Querido in verband met het verkrijgen (en behouden) van een woning. In februari 2018 heeft de moeder een intake gehad bij De Waag. De Waag is echter niet tot behandeling gekomen en heeft geen goed zicht op de persoonlijke problematiek van de moeder kunnen krijgen. Om toch een passend vervolgadvies te kunnen geven, adviseerde De Waag een IQ-test. De conclusie van de Waag was dat de moeder overbelast leek en dat de uitkomsten erg wisselend waren, waardoor geen compleet beeld kon worden gegeven. De moeder weigerde de uitslag te delen met de GI. De Waag adviseerde de moeder te ontlasten door de inzet van Cordaan. In november 2018 hebben Spirit pleegzorg en Spirit trajectbegeleiding samen met de moeder een plan van aanpak opgesteld met daarin doelen om zicht te krijgen op de interactie tussen de moeder en de kinderen en om te kunnen toewerken naar terugplaatsing van de kinderen. In februari 2019 heeft de moeder een intakegesprek gehad bij Cordaan. Omdat de moeder geen hulpvraag had en geen noodzaak tot ondersteuning zag, had Cordaan geen mogelijkheid een samenwerkingsrelatie aan te gaan.

In maart 2019 is aangevangen met een geleidelijke terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Een (nieuw) incident zette echter het terugplaatsingsplan op losse schroeven. De politiemelding van huiselijk geweld op 1 april 2019 betekende een schending van de afspraak om geen overlast meer te veroorzaken, waardoor de moeder dreigde haar woning kwijt te raken. De moeder mocht echter – onder de al geldende voorwaarden – in de woning blijven wonen, omdat zij in het overleg met HVO Querido aangaf dat de problemen voortkwamen uit haar relatie met [verzoeker] , dat deze relatie inmiddels beëindigd was en dat zij [verzoeker] niet meer zou toelaten tot de woning. Ook [verzoeker] gaf in het overleg aan dit in te zien en bevestigde dat de relatie voorbij was. De kinderen zijn vervolgens in de meivakantie 2019 teruggekeerd bij de moeder.

HVO Querido adviseerde om Philadelphia in te schakelen voor de ondersteuning van de moeder. De moeder vond het echter niet nodig hulp te ontvangen voor emotieregulatie, gesprekken met school en de communicatie met de vader. Per oktober 2019 is de hulpverlening van Philadelphia dan ook gestopt. Eind oktober 2019 meldt de leerkracht van [kind 1] dat de moeder in het bijzijn van de kinderen tegen hem had geschreeuwd “zo luid dat het aan het eind van de gang te horen was”.

Op 15 november 2019 ontving de politie een melding van ‘geschreeuw uit de woning’, ‘schreeuwende kinderen’ en ‘spullen zouden gegooid worden’. De politie kreeg geen toegang tot de woning van de moeder en hoorde van de moeder dat zij televisie aan het kijken was. Bij navraag liet de melder aan de politie weten dat zij tijdens het bellen met 112 een vrouwenstem hoorde zeggen: ‘en nu me huis uit’, gevolgd door een klap van de voordeur die werd dichtgegooid.

Op 25 november 2019 vond een incident plaats tussen de moeder en de begeleiders van HVO Querido, waarbij de moeder in het bijzijn van de kinderen boos werd en begon te schreeuwen.

Op 10 januari 2020 vond overleg plaats tussen de GI, HVO Querido en de moeder, waarin aan de moeder duidelijk werd gemaakt dat zij zich aan de voorwaarden moest houden, hulpverlening diende te accepteren en geen overlast mocht veroorzaken, omdat zij anders haar woning zou kwijtraken. De moeder was op dat moment hoogzwanger van [kind 4] en leek doordrongen van de ernst van de zaak. De moeder werkte mee aan de voorwaarden en accepteerde bewindvoering.

Op 4 maart 2020 – kort na de geboorte van [kind 4] – is Levvel gestart met de begeleiding van het gezin. Vanwege de uitbraak van COVID-19 was – na de eerste fysieke kennismaking – enkel telefonisch contact mogelijk, waardoor beperkt zicht was op de situatie.

Op 10 juni 2020 heeft de moeder de politie gebeld, omdat zij [verzoeker] in de woning had toegelaten en hij niet wilde vertrekken. Op 11 juni 2020 volgde een politiemelding luidende dat “er een vrouw door het lint aan het gaan was en spullen uit het raam gooide”. De kinderen waren in de woning aanwezig. De GI heeft naar aanleiding van dit incident geconcludeerd dat het de moeder niet blijvend lukt haar gedrag te veranderen ter bescherming van de kinderen. De GI heeft daarop besloten een spoedmachtiging uithuisplaatsing te verzoeken voor [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] . Tevens heeft zij de raad verzocht om ten behoeve van [kind 4] bij de kinderrechter een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken.

Kort voor de zitting op 21 juli 2020 heeft de raad het verzoek tot uithuisplaatsing van [kind 4] ingetrokken vanwege het belang van de primaire hechting van een baby aan de moeder. De overige verzoeken zijn door de kinderrechter ter zitting toegewezen en zijn thans onderwerp van geschil in dit hoger beroep. Tijdens en na de zitting bij de rechtbank op 21 juli 2020 is de moeder enorm kwaad geworden en ook hiervan zijn de kinderen getuige geweest. Dit incident was de concrete aanleiding om alsnog een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 4] te verzoeken.

Op 3 september 2020 heeft de politie bij Veilig Thuis gemeld dat zij de ouders op straat hebben aangetroffen en dat zij ruzie maakten, schreeuwden en erg dronken waren.

5.10

In voornoemde beschikking van 1 december 2020 heeft het hof geoordeeld dat de gronden voor de (spoed)uithuisplaatsing van [kind 4] ten tijde van de beschikking van 21 juli 2020 aanwezig waren en dat ook nadien gronden voor het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing aanwezig waren, hetgeen heeft geleid tot bekrachtiging van de hiervoor onder 3.6 genoemde beschikking van de kinderrechter van 3 augustus 2020. In de beschikking van 1 december 2020 heeft het hof onder andere overwogen:

Met de raad en GI is het hof van oordeel dat het geheel aan feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de verkregen informatie en zoals hiervoor verkort weergegeven, wijst op structurele en ernstige bedreigingen voor de ontwikkeling van alle vier de kinderen. De ouders zijn onvoorspelbaar en wisselend geweest over de voortzetting van hun relatie en het staat vast dat zij al jaren heftige ruzies hebben en dat de moeder haar emoties heel moeilijk kan reguleren. Daardoor vertoont zij bij herhaling explosief gedrag in het bijzijn van de kinderen. De moeder ziet zelf de ernst van de gevolgen die dit voor haar kinderen heeft niet in. Ook de escalaties tussen haar en de vader en de impact hiervan op de kinderen, worden door de moeder gebagatelliseerd. Zij heeft hulpverlening, die haar inzicht kan geven in de oorzaken van haar handelen en haar kan helpen zich anders te gedragen, keer op keer belemmerd door te ontkennen dat ze hulp nodig heeft. Pas met de komst van Levvel lijkt enig draagvlak voor begeleiding te ontstaan. Voor [kind 4] betekent het gedrag van de moeder en de ruzies tussen de ouders dat zijn ouders onvoorspelbaar zijn en dat hij hun niet altijd kan ervaren als veilige opvoeders waardoor hij emotioneel beschadigd wordt. Om geen verdere schade op te lopen moet [kind 4] tegen het gedrag van zijn ouders beschermd worden. Gelet hierop was het voor zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk om hem uit huis te plaatsen”.

Hieruit volgt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [kind 4] op 21 juli 2020 aanwezig waren, en ook thans nog onverkort aanwezig zijn.

5.11

Ten aanzien van de gronden voor de uithuisplaatsing van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] overweegt het hof dat de opvoedsituatie bij de moeder de afgelopen jaren structureel bedreigend is gebleken voor de ontwikkeling van de kinderen. De moeder kampt met emotieregulatieproblematiek en onderhoudt al jarenlang een zeer conflictueuze relatie met [verzoeker] . Herhaaldelijk doen zich tussen de moeder en [verzoeker] incidenten voor, die gepaard gaan met verbaal en fysiek geweld, zoals blijkt uit de politiemeldingen, die zich bij de stukken bevinden. De moeder en [verzoeker] betwisten niet dat deze incidenten hebben plaatsgevonden, maar stellen zich, naar het oordeel van het hof ten onrechte, op het standpunt dat deze niet zodanig ernstig waren dat deze kwalificeren als huiselijk geweld. Het hof komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat de moeder en [verzoeker] niet inzien welke schadelijke gevolgen hun gedrag heeft op de kinderen. Effectieve hulpverlening is tot op heden niet tot stand gekomen, omdat de moeder telkens geen hulpvraag heeft. Weliswaar is Levvel sinds maart 2020 bij het gezin betrokken en lijken de moeder en [verzoeker] voor deze vorm van hulpverlening open te staan, maar van een wezenlijke verandering in de opvoedsituatie is nog niet gebleken. Het incident dat op 10 juni 2020 tussen de ouders heeft plaatsgevonden, toont wederom aan dat de kinderen in de thuissituatie geconfronteerd blijven met huiselijk geweld en ouders die emotioneel onvoorspelbaar zijn en waarvan het gedrag beschadigend is voor jonge en opgroeiende kinderen. De gronden voor de uithuisplaatsing waren dan ook aanwezig ten tijde van de beschikking waarvan beroep.

5.12

Hoewel de moeder en [verzoeker] op de zitting van het hof op 23 oktober 2020 hebben meegedeeld bereid te zijn in relatietherapie te gaan, hadden zij – zo bleek ten tijde van de zitting op 12 november 2020 - nog geen concrete stappen in die richting ondernomen. Sinds de uithuisplaatsing van de kinderen heeft Levvel ingezet op het begeleiden van de omgang tussen de ouders en de kinderen. Anders dan de moeder en [verzoeker] stellen, blijkt uit het concept-plan van Levvel dat zij na de zitting in hoger beroep hebben overgelegd, niet zonder meer dat Levvel het perspectief van de kinderen bij de moeder en [verzoeker] thuis ziet. In het concept-plan valt te lezen dat Levvel zich tot taak heeft gesteld de moeder en [verzoeker] te ondersteunen en te versterken in hun bestaanszekerheid en opvoedvaardigheid, zodat zij van betekenis kunnen zijn voor de kinderen, in welke vorm dan ook. Levvel doet geen uitspraken over het perspectief van de kinderen, maar geeft aan dat de moeder en [verzoeker] meewerken aan de hulpverlening, dat de bezoekregeling volgens afspraak loopt, dat deze regeling in het vervolg zonder begeleiding kan plaatsvinden, en met een langzame opbouw kan worden uitgebreid. Het hof acht de wens van de moeder en [verzoeker] om zelf voor de kinderen te zorgen invoelbaar. Echter, zoals het hof reeds in zijn beschikking van 1 december 2020 heeft overwogen, zal moeten worden onderzocht of er de mogelijkheden zijn om de thuissituatie zodanig te verbeteren dat de kinderen weer meer of zelfs helemaal thuis kunnen verblijven. Nader onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder en [verzoeker] – al dan niet in de vorm van een persoonlijkheidsonderzoek – zal duidelijk moeten maken of het perspectief van de kinderen bij de ouders ligt. Van een thuisplaatsing van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] kan op dit moment dan ook nog geen sprake zijn. De gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing zijn dan ook nog steeds aanwezig. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

5.13

In het voorgaande ligt besloten dat met verlening en bekrachtiging van de bij de bestreden beschikking opgelegde maatregelen geen ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM is gemaakt, omdat deze noodzakelijk zijn en tevens evenredig zijn aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen. Het beroep op artikel 8 EVRM faalt dan ook.

5.14

Het verzoek van de moeder en [verzoeker] te bepalen dat [verzoeker] onbeperkt toegang mag hebben tot de kinderen, zal het hof afwijzen, nu dit verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat de kinderen weer bij de moeder thuis zouden wonen. De kinderen blijven thans uithuisgeplaatst bij [tante A] . Het bezoeken van de kinderen door [verzoeker] en de moeder zal volgens de adviezen en aanwijzingen van de GI en Levvel dienen plaats te vinden.

5.15

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummers 200.282.266/01 en 200.282.268/01

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

in de zaak met zaaknummer 200.282.266/02

wijst af het verzoek van de ouders tot het treffen van voorlopige voorzieningen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. P.A.M. Jongens-Lokin, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 22 december 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.