Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3619

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
200.253.320/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenlevingsovereenkomst. Regeling ter zake investeringen door de vrouw in de woning van de man. Niet jaarlijks een afrekening gemaakt met betrekking tot de geïnvesteerde bedragen. Bewijslast. Kosten van de huishouding. Partijen betwisten over en weer elkaars stellingen over wat naast de opgesomde lijst van kosten in de samenlevingsovereenkomst onder de kosten van de huishouding viel, partijen hebben geen uitsplitsing per maand van de kosten van de (gewone gang van de) huishouding en van hun in de betreffende periode relevante netto-inkomsten uit arbeid gemaakt, partijen hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe zij maandelijks de uitgaven hebben bestreden. Vorderingen over en weer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.253.320/01

zaaknummer rechtbank : C/15/271238/HA ZA 18-159

arrest van de meervoudige familiekamer van 22 december 2020

inzake

1 [de vrouw] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

2. [dochter van de vrouw],

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. T. Nieuwenhuis te Haarlem,

tegen:

[de man] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. D.E.M. Boukens te Purmerend.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw, [dochter van de vrouw] en de man genoemd.

De vrouw en [dochter van de vrouw] zijn bij dagvaarding van 17 januari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2018, gewezen tussen de vrouw en [dochter van de vrouw] als eiseressen in conventie, tevens verweersters in reconventie en de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens vermeerdering van eis, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 januari 2020 doen bepleiten door hun respectieve advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De man heeft nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De vrouw en [dochter van de vrouw] hebben in principaal appel geconcludeerd dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad - het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover hun vorderingen in eerste aanleg zijn afgewezen en, opnieuw rechtdoende:

I de man zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest € 2.650,- aan de vrouw te betalen, nu de man de bij de vrouw in eigendom zijnde pony “ [pony 1] ” inclusief tuig en zadel zonder haar toestemming heeft verkocht en haar tevens de uit de verkoop voortvloeiende inkomsten niet heeft doen toekomen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en termijn;

II de man zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest € 2.600- aan [dochter van de vrouw] te betalen, nu de man de bij [dochter van de vrouw] in eigendom zijnde pony “ [pony 2] ” inclusief tuig en zadel zonder haar toestemming heeft verkocht en haar tevens de uit de verkoop voortvloeiende inkomsten niet heeft doen toekomen, althans een door het hof in goede justitie te betalen bedrag en termijn;

III de man zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest de advertentiekosten voor de oproep op Marktplaats met betrekking tot pony [pony 2] ad € 360,- aan de vrouw te betalen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en termijn;

IV de man zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest de door de vrouw met eigen middelen gedane investeringen in de woning van de man ad € 20.602,-, vermeerderd met de wettelijke rente die op grond van de samen-levingsovereenkomst daarover betaald dient te worden aan de vrouw te betalen, althans een door het hof in goede justitie te betalen bedrag en termijn;

V de man zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest de door de vrouw teveel betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding ad € 100.332,- aan de vrouw te betalen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en termijn;

VI de man zal veroordelen binnen zeven dagen na dagtekening van dit arrest het door de vrouw aan de man geleende bedrag ad € 10.000,- aan de vrouw terug te betalen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en termijn;

VII de man zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente in het geval dat de man de onder de proceskostenveroordeling vallende bedragen niet binnen zeven dagen na betekening van dit arrest mocht hebben voldaan.

De man heeft in principaal appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw, althans het gevorderde af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man.

In incidenteel appel concludeert de man het bestreden vonnis deels te vernietigen en – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – opnieuw rechtdoende:

1. de vordering van de vrouw ten aanzien pony [pony 1] af te wijzen, aangezien pony [pony 1] eigendom was van de man, waardoor hij de pony mocht verkopen en geen bedrag aan de vrouw verschuldigd is;

2 de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 83.296,35, dan wel een door het hof te bepalen bedrag, vanwege de verplichting van de vrouw om op grond van artikel A van de samenlevingsovereenkomst mee te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

In incidenteel appel hebben de vrouw en [dochter van de vrouw] geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de man.

Alle drie de partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Aan dit geschil ligt het volgende ten grondslag. De man en de vrouw hebben vanaf 2006 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben samengewoond in een woning te [plaats B] , waarvan de man eigenaar is (hierna: de woning). De vrouw heeft de woning op 13 augustus 2017 verlaten. [dochter van de vrouw] is de – meerderjarige - dochter van de vrouw uit een eerdere relatie.

3.2.

Partijen hebben op 24 oktober 2007 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst is door de man bij brief van 30 augustus 2017 ontbonden. In de samenlevingsovereenkomst is – voor zover in hoger beroep van belang - het volgende opgenomen:

“A. KOSTEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJK HUISHOUDING.

1. 1. Uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding worden gedaan ten laste van een nader door partijen te bepalen bank- of girorekening en/of een kas.

2. Partijen verplichten zich maandelijks naar evenredigheid van de netto-inkomsten uit arbeid bij te dragen aan voormelde rekening en/of kas, zodanig dat daarmee de kosten van de gewone gang van de huishouding kunnen worden bestreden.

3. Indien te eniger tijd de inkomsten uit arbeid niet toereikend zijn om de kosten van de gewone gang van de huishouding te bestrijden, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van zijn/haar vermogen bij te dragen aan voormelde rekening en/of kas.

4. Uitgaven ten behoeve van de huishouding

Tot de uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding worden ondermeer gerekend:

1. de maandelijks verschuldigde rente van een hypothecaire geldlening waarvoor hypotheekrechten zijn gevestigd op een door partijen tezamen bewoonde woning;

2. (...)

3. de onroerende zaakbelasting en andere heffingen ter zake van het registergoed voor zover zij betrekking hebben op de gezamenlijk bewoonde woning en de uitgaven voor dagelijks onderhoud en verzekering daarvan;

4. de kosten van gebruikelijke verzekeringen met uitzondering van de onder D. genoemde overlijdensrisicoverzekeringen;

5. kosten voor gezamenlijke vakanties;

6. de kosten voor verzorging en opvoeding van (...) kinderen die met toestemming van beide partijen in het gezin zijn opgenomen, tenzij deze kosten ten laste van derden komen (...).

Eventuele aflossingen van een hypothecaire geldlening en/of premies van een aan een hypothecaire geldlening verbonden levensverzekering worden niet tot de kosten van de huishouding gerekend.

5. 5. Inkomsten uit arbeid

Onder inkomsten uit arbeid worden onder meer begrepen alle uitkeringen, die strekken ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen, uitkeringen op grond van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, pensioen-uitkeringen en studietoelagen.

(…)

H. VERGOEDING FINANCIERING EIGEN MIDDELEN

De verschenen personen nemen in aanmerking dat:

- - de man eigenaar is van de woning aan de [adres] , [plaats B] (...);

- dat de vrouw een bedrag van vijfenveertigduizend euro (€ 45.000,-) (hierna te noemen: bedrag A) aan eigen middelen in de woning heeft geïnvesteerd;

- dat de vrouw het voornemen heeft in de toekomst een bedrag van dertigduizend euro (€ 30.000,-) aan eigen middelen in de woning te investeren (hierna te noemen: bedrag B),

(...).

Partijen wensen met betrekking tot bedrag A en bedrag B de volgende regeling te treffen.

1. Bij vervreemding van voormeld registergoed en/of bij beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding, dient de man uit te keren aan de vrouw, bedrag A en bedrag B en zal de vrouw een vordering op de man hebben ter grootte van bedrag A en bedrag B.

2. Partijen dienen jaarlijks aan het einde van het kalenderjaar, bedrag B in onderling overleg vast te stellen, waarvan blijkt uit een door beide partijen ondertekend en gedateerd schriftelijk stuk (...).

3. Over de vordering zal geen rente verschuldigd zijn behoudens het hierna onder sub 5 bepaalde.

4. (...).

5. Indien partijen niet meer met elkaar samenwonen, heeft de vrouw het recht om vanaf de datum waarop de samenleving wordt verbroken, een rente te berekenen over bedrag A en/of bedrag B, welke rente gelijk zal zijn aan de wettelijke rente en wordt berekend op dezelfde wijze en over dezelfde periode als voor de wettelijke rente wordt aangegeven.”

3.3.

De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep van belang - de man in conventie veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 47.947,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 47.447,63 vanaf 30 augustus 2017 tot aan de voldoening daarvan, en wel ter zake van de verkoop van pony [pony 1] door de man (€ 500,-) en op grond artikel H van de samenlevingsovereenkomst (€ 47.447,63). In reconventie is de vrouw veroordeeld aan de man een bedrag te betalen van € 32.172,73 vanwege haar verplichting om op grond van artikel A van de samenlevingsovereenkomst mee te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Hetgeen partijen – voor zover in hoger beroep nog van belang - meer of anders hadden gevorderd, heeft de rechtbank afgewezen.

3.4.

De vrouw en [dochter van de vrouw] hebben in principaal appel zeven grieven en de man heeft in incidenteel appel twee grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. Het hof zal de grieven hierna behandelen, waar mogelijk gezamenlijk.

3.5.

Grief I in principaal appel en grief I in incidenteel appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De grieven hebben betrekking op de gestelde aan- en verkoop van pony [pony 1] . De vrouw stelt dat zij deze pony in maart 2017 van de man heeft gekocht voor € 500,- en dat de man na de verbreking van de samenleving de pony zonder toestemming van de vrouw met zadel en tuig heeft verkocht. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling omtrent de aankoop van de pony een bankafschrift in het geding gebracht, waaruit valt af te leiden dat zij op 13 februari 2017 een bedrag van € 500,- aan de man heeft overgemaakt met de omschrijving “aangekocht pony/paard Fjord naam [pony 1] door [de vrouw] ”.” De vrouw stelt dat de pony € 2.500,- waard is en vordert dit bedrag van de man. Ter onderbouwing van voormelde waarde heeft de vrouw een advertentie overgelegd, waarin een – volgens de vrouw met pony [pony 1] vergelijkbare - pony wordt aangeboden.

De man stelt dat van verkoop van de pony aan de vrouw geen sprake is geweest. De vrouw heeft uit eigen beweging een bedrag van € 500,- aan hem overgemaakt. De man heeft niet ingestemd met de verkoop en heeft het betreffende bedrag daarom contant aan de vrouw teruggegeven. In hoger beroep legt de man ter onderbouwing van voormelde stellingen als productie 9 een uitdraai over van een WhatsApp-gesprek met onder andere de volgende teksten: “Nauw dan heb hij ruzie met mij en anders koop ik [pony 1] voor 1.000 euro van hem stuur ik naar zijn rekening dan is ze mijn. En ik toch [pony 1] der paspoort verstopt dusdan kan je hem zonder toch ook niet kwijt dan zal hij eerst door mij en [dochter van de vrouw] heen moeten (…) Maar ik heb [pony 1] net gekocht maar dat moet ik hem nog vertellen. Voor slachtprijs 500,00 euro. Is toch genoeg betaald voor [pony 1] dacht uk zelf. Maar hij weet het nog niet was werken hij is nu net thuis (…) Kan iedereen zien bij de bank op rekening dat ik fjord aangekocht heb.” Subsidiair stelt de man dat als de pony, zoals de rechtbank heeft beslist, wel eigendom is van de vrouw, hij dan slechts de door hem ontvangen verkoopopbrengst aan de vrouw dient te voldoen, te weten een bedrag van € 125,- inclusief tuig en zadel. De pony was niet meer waard, aldus de man. In dit kader beroept de man zich op een door hem overgelegde advertentie van een (andere) pony.

De rechtbank heeft overwogen dat de enkele stelling van de man dat de vrouw uit eigen beweging heeft gehandeld en hij het bedrag aan de vrouw heeft terugbetaald, onvoldoende is. Daarom is de rechtbank ervan uitgegaan dat de pony eigendom was van de vrouw. De rechtbank heeft overwogen dat de man met de verkoop van de pony onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld en gehouden is de schade die de vrouw heeft geleden te vergoeden. De rechtbank heeft de schade begroot op € 500,-.

3.6.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij pony [pony 1] in 2017 van de man heeft gekocht. Koop is een overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander verplicht is om daarvoor een prijs in geld te betalen. Een koopovereenkomst komt tot stand op het ogenblijk dat sprake is van aanvaarding van een aanbod, met andere woorden wanneer tussen partijen wilsovereenstemming is en vervolgens levering plaatsvindt. De standpunten van partijen staan in dit verband haaks op elkaar. De betaling door de vrouw vond plaats in maart 2017, derhalve enkele maanden voor het feitelijk uiteengaan van partijen. Hoewel de omschrijving op het bankafschrift lijkt te wijzen op aankoop van de pony door de vrouw, wordt het bestaan van een koopovereenkomst tegengesproken door de tekst van het door de man in hoger beroep overgelegde WhatsApp-gesprek. De vrouw heeft in dit verband ter gelegenheid van het pleidooi meegedeeld dat zij dit gesprek in februari 2017 met de (inmiddels) nieuwe vriendin van de man heeft gevoerd. Uit dat WhatsApp-gesprek valt af te leiden dat de vrouw zelf aangeeft dat de man eigenaar is van de pony en dat zij aan de man de slachtprijs van de pony heeft betaald. Dat laatste sluit aan bij de stelling van de man bij pleidooi dat hij de pony wilde verkopen omdat hij een blessure had, en dat de vrouw dat niet wilde, om welke reden zij eigener beweging een bedrag van € 500,- aan hem overmaakte. In het licht van het vorengaande kan naar het oordeel van het hof dan ook niet als vaststaand worden aangenomen dat sprake is geweest van een aanbod van de man aan de vrouw om de pony van hem te kopen en een aanvaarding van dat aanbod door de vrouw, en daarmee ook niet dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Dat betekent dat de pony eigendom is gebleven van de man. De door de vrouw gestelde werkelijke waarde van de pony behoeft dan ook geen bespreking meer omdat de vrouw, nu zij geen eigenaar van de pony is geworden, geen aanspraak op de waarde daarvan kan maken. Een en ander betekent tevens dat de vrouw het bedrag van € 500,- onverschuldigd aan de man heeft betaald, nu de vrouw met de betaling van dit bedrag ten onrechte dacht pony [pony 1] te kopen en te betalen. Weliswaar stelt de man dat hij het door de vrouw per bank betaalde bedrag vervolgens contant aan haar heeft terugbetaald, maar deze stelling is in tegenspraak met zijn verklaring ter gelegenheid van de mondelinge behandeling dat hij het bedrag “in de huishoudpot heeft gedaan”. Zonder nadere onderbouwing van deze stellingen, die in het geheel ontbreekt, terwijl deze onderbouwing van de man mocht worden verwacht gelet op de betwisting door de vrouw, komt het hof niet tot de vaststelling van de juistheid van die stellingen van de man. De man dient dus, zij het op andere gronden dan door de rechtbank aangenomen, aan de vrouw een bedrag van € 500,- (terug) te betalen.
Grief I in incidenteel appel slaagt derhalve, terwijl grief I in principaal appel faalt. Vanwege het bestaan van een andere rechtsgrond leidt een en ander niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.

3.7.

Vervolgens zal het hof grief III in principaal appel bespreken. Deze grief gaat over de eigendom van de pony genaamd “ [pony 2] ”. De stelling van de vrouw en [dochter van de vrouw] is dat deze pony oorspronkelijk van de man was, maar dat de man de pony in oktober 2008 aan [dochter van de vrouw] heeft geschonken en dat de pony sindsdien bij [dochter van de vrouw] in bezit was, zodat [dochter van de vrouw] wordt vermoed tevens eigenaar ervan te zijn. De man heeft de pony na het uiteengaan van partijen verkocht. [dochter van de vrouw] stelt dat de pony € 2.500,- waard was en vordert dit bedrag van de man.

De man betwist dat sprake is geweest van een schenking. De man heeft pony [pony 2] gekocht als gezelschap voor pony [pony 1] . [dochter van de vrouw] mocht op de pony rijden, maar dat betekent niet dat de pony haar bezit was. De man was tot de verkoop in het bezit van het paspoort van pony [pony 2] . De door [dochter van de vrouw] in hoger beroep overgelegde verklaring van haar vader, waarin deze verklaart dat [dochter van de vrouw] de pony cadeau heeft gekregen doet de man af als een verklaring van horen zeggen van zijn minderjarige dochter. Ook de verklaring van [hoefsmid 2] , hoefsmid en ponyfokker met betrekking tot de waarde van [pony 2] , wordt door de man betwist. Volgens de man heeft deze hoefsmid de pony nooit gezien en is haar waardeoordeel slechts gebaseerd op de door de vrouw verstrekte – onjuiste – informatie. Zijn vaste hoefsmid [hoefsmid 1] uit [plaats C] zou nooit een waardebepaling van de pony afgeven.

De rechtbank heeft overwogen dat het op de weg van [dochter van de vrouw] c.q. de vrouw had gelegen om, gelet op de betwisting van de schenking door de man, de stellingen ten aanzien van de schenking nader te concretiseren en onderbouwen, bijvoorbeeld door te stellen en onderbouwen wanneer de pony is geschonken en wat daarover is besproken en met wie dat is besproken. De stelling dat de man de pony voor [dochter van de vrouw] heeft gekocht is onvoldoende omdat daaruit niet blijkt dat de man daarmee de eigendom van de pony op [dochter van de vrouw] heeft willen doen overgaan. Om die reden is de man eigenaar van [pony 2] gebleven en stond het hem vrij de pony te verkopen en de ontvangen koopprijs te behouden, aldus de rechtbank.

3.8.

In hoger beroep heeft [dochter van de vrouw] haar stelling dat ze van houder van [pony 2] , bezitter is geworden, en daarmee vermoed wordt eigenaar te zijn, niet nader onderbouwd. Met de man is het hof van oordeel dat de verklaring van de vader van [dochter van de vrouw] daarvoor te mager en onvoldoende specifiek is. Het hof is derhalve - evenals de rechtbank - van oordeel dat [dochter van de vrouw] ook in hoger beroep te weinig heeft gesteld ter onderbouwing van haar vordering. Het hof komt om die reden niet aan bewijsvoering toe en zal, evenals de rechtbank, de vordering afwijzen. Grief III in principaal appel treft geen doel.

3.9.

De grieven II en IV in principaal appel zal het hof gezamenlijk behandelen. Het betreft de verkoop door de man van de zadels en tuigen van de twee pony’s [pony 1] en [pony 2] , gelijk met de verkoop van de pony’s zelf. De vrouw stelt dat zij op 2 april 2012 € 200,- heeft betaald voor de aankoop van een Kieffer Dressuurzadel ten behoeve van pony [pony 1] . Gelet op de marktwaarde van dergelijke zadels stelt zij de dagwaarde van het zadel en het tuig van pony [pony 1] op € 150,-. Voor wat betreft het zadel en tuig van pony [pony 2] stelt de vrouw dat zij in 2010 een bedrag van € 139,90 voor een zadel en € 332,30 voor een tuig heeft betaald. De vrouw stelt de dagwaarde van dit zadel en tuig op € 100,-. De vrouw vordert derhalve een bedrag van € 250,- totaal van de man.

De man betwist het door de vrouw gestelde. Bij memorie van antwoord in principaal appel heeft hij gesteld dat hij het zadel en het tuig van de pony [pony 1] tezamen met de pony heeft verkocht voor € 125,-. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij jaren geleden pony [pony 1] heeft gekocht voor € 1.600,-, inclusief marathonwagen, tuigen en zadel. Hij heeft de pony verkocht met het door hem destijds gekochte zadel. Het door de vrouw gekochte zadel voor [pony 1] heeft hij niet verkocht, waardoor de vrouw ook geen vordering op hem heeft. Voor wat betreft het zadel en tuig van pony [pony 2] stelt de man dat uit de twee door de vrouw als productie 9 overgelegde rekeningoverzichten valt af te leiden dat zij iets heeft gekocht bij Ooteman Paardensport in Hoogkarspel voor € 139,90 en € 332,30, maar dat zij daarmee niet heeft aangetoond dat deze bedragen betrekking hebben op een zadel en tuig, dat zonder factuur niet blijkt in welk jaar de aankopen zijn gedaan, noch dat het zadel en het tuig dat hij tezamen met de pony [pony 2] heeft verkocht dezelfde zijn als het zadel en het tuig dat de vrouw stelt bij Ooteman Paardensport gekocht te hebben.

De rechtbank heeft de door de vrouw ingestelde vorderingen met betrekking tot de zadels en tuigen afgewezen als onvoldoende onderbouwd.

3.10.

Waar de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij pony [pony 1] heeft gekocht met hetzelfde zadel en tuig als waarmee hij haar heeft gekocht, en heeft betwist het door de vrouw gekochte zadel en tuig te hebben verkocht, kan het hof – zonder nadere informatie, die ontbreekt – niet vaststellen dat de man het zadel en tuig, die aan de vrouw toebehoorden, heeft verkocht. Grief II in principaal appel faalt derhalve.

3.11.

Voor wat betreft het zadel en tuig van pony [pony 2] is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat de aankopen die zij bij Ooteman Paardensport in Hoogkarspel deed, betrekking hebben op het zadel en tuig dat de man gelijktijdig met pony [pony 2] heeft verkocht. De handgeschreven omschrijving op de rekeningafschriften is daartoe onvoldoende. Grief IV in principaal appel faalt eveneens.

3.12.

Nadat de man pony [pony 2] had verkocht, heeft de vrouw op Marktplaats een advertentie geplaatst om de pony terug te vinden. De kosten van die advertentie bedroegen € 360,-. De vrouw vordert dit bedrag van de man en stelt in hoger beroep in grief V dat, nu is aangetoond dat [dochter van de vrouw] eigenaar van deze pony was, de man deze kosten dient te vergoeden.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Overigens heeft de rechtbank deze vordering naar het zich laat aanzien ten onrechte gekoppeld aan pony [pony 1] . De vrouw is in hoger beroep duidelijk erover dat de door haar geplaatste advertentie pony [pony 2] betrof.

Wat daarvan overigens zij, nu ook het hof van oordeel is dat [dochter van de vrouw] geen eigenaar van pony [pony 2] was en de man met de verkoop van de pony niet onrechtmatig jegens [dochter van de vrouw] heeft gehandeld, is de man niet gehouden de door de vrouw op eigen gezag en voor eigen rekening gemaakte advertentiekosten om pony [pony 2] terug te vinden, te vergoeden. Grief V in principaal appel treft geen doel.

3.13.

Grief VI in principaal appel gaat over de investeringen van de vrouw in de woning van de man. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over het bedrag A, zoals genoemd in artikel H van de samenlevingsovereenkomst, van € 45.000,- dat de vrouw in de woning van de man heeft geïnvesteerd. Het verschil van mening heeft betrekking op het in artikel H van de samenlevingsovereenkomst genoemde bedrag B, te weten het voornemen van de vrouw om € 30.000,- in de woning van de man te investeren. In eerste aanleg heeft de vrouw € 12.000,- van de man gevorderd als geïnvesteerd in de woning. De man heeft erkend dat de vrouw € 2.447,63 in zijn woning heeft geïnvesteerd en heeft het resterende bedrag betwist. De rechtbank heeft overwogen dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, op de weg van de vrouw had gelegen om haar vordering nader te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten is de vordering met betrekking tot bedrag B toegewezen tot het door de man erkende bedrag.

3.14.

In hoger beroep stelt de vrouw het volgende. Op het moment dat partijen gingen samenwonen had zij één Rabobank rekening met nummer [rekeningnummer 1] . In november 2011 heeft de vrouw een tweede (Rabobank) rekening geopend met nummer [rekeningnummer 2] . De vrouw heeft alle bankafschriften van deze rekeningen opgevraagd dan wel gedownload over de periode van de samenwoning (januari 2006 tot 12 augustus 2017). Met behulp van de heer en mevrouw [X] , die daarover verklaren, heeft de vrouw alle uitgaven over de periode dat partijen hebben samengewoond, gerangschikt naar soort. Daarbij is – voor zover hier van belang - onderscheid gemaakt tussen boodschappen, caravan en auto’s, opgenomen contanten, dieren, elektronica, huishoudelijke artikelen, meubels, overboekingen naar de man, tuin, vakanties en onderhoud woning. De post onderhoud woning sluit op een bedrag van € 20.602,-, welk bedrag de vrouw bij vermeerdering van eis thans van de man vordert als door haar uit eigen middelen gedane investeringen. De vrouw heeft in dit verband in hoger beroep de producties 12 tot en met 23 (afschriften, overzichten en facturen) overgelegd.

De man stelt in zijn memorie van antwoord dat uit de door de vrouw overgelegde stukken niet blijkt dat die bedragen in de woning van de man zijn geïnvesteerd. Ook blijkt uit de stukken niet wat de vrouw heeft gekocht, aldus de man. Daarnaast kunnen bepaalde door de vrouw opgevoerde aankopen niet aangemerkt worden als investeringen, waarbij nog komt dat het spullen betreft die de vrouw heeft meegenomen na verbreking van de relatie. De man beroept zich voorts op artikel H lid 2 van de samenlevingsovereenkomst, waarin staat dat partijen jaarlijks aan het einde van het kalenderjaar, bedrag B in onderling overleg dienen vast te stellen in een door partijen ondertekend en gedateerd schriftelijk stuk. Partijen hebben dit nooit gedaan omdat van investeringen door de vrouw geen sprake is geweest. Vanwege het ontbreken van een door partijen ondertekend schriftelijk stuk dient de vordering van de vrouw te worden afgewezen. De vrouw diende – aldus de man – op grond van de samenlevingsovereenkomst een deugdelijke en controleerbare administratie bij te houden van de door haar gestelde investeringen; zij kan niet volstaan met het enkel overleggen van bankafschriften. Verder stelt de man dat de vrouw toen haar vader nog leefde in de woning van haar ouders heeft geïnvesteerd en/of geklust en of verbouwd. Omdat de vrouw wist dat de woning te zijner tijd haar eigendom zou worden en zij daar uiteindelijk wilde gaan wonen, deed de vrouw dat. Voor de verhuur van de woning heeft de vrouw ook aanpassingen en onderhoud aan de woning gepleegd. In de woning werden minimaal tien personen gehuisvest, waardoor meerdere kamers in de woning gemaakt moesten worden. Tot slot stelt de man dat de samenlevings-overeenkomst van 24 oktober 2007 is. De door de vrouw gestelde investeringen – die de man betwist – van vóór 24 oktober 2007 kunnen derhalve niet door de vrouw teruggevorderd worden.

3.15.

Het hof stelt voorop dat de omstandigheid dat partijen niet jaarlijks een afrekening hebben gemaakt met betrekking tot het door de vrouw als bedrag B geïnvesteerde bedrag in de woning, op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de vrouw geen vordering heeft op de man omdat zij (helemaal) niet in de woning zou hebben geïnvesteerd. Daarbij komt dat het verweer van de man op dit punt in strijd is met het door hem in eerste aanleg ingenomen standpunt, alwaar hij nog erkende dat de vrouw een bedrag van € 2.447,63 in de zin van bedrag B in de woning had geïnvesteerd. Om thans in hoger beroep te stellen dat de vrouw ter zake bedrag B helemaal geen investeringen in de woning heeft gedaan, omdat partijen hebben verzuimd jaarlijks vast te stellen welk bedrag de vrouw van bedrag B in de woning had geïnvesteerd, is dan ook zonder toelichting niet reëel, te meer daar de man niet heeft gegriefd tegen toewijzing door de rechtbank van laatstgenoemd bedrag. Wel kan artikel H van de samenlevingsovereenkomst aldus worden gelezen, dat deze bepaling ertoe strekte voor beide partijen buiten discussie te stellen welke investeringen de vrouw in enig jaar in de woning van de man had gedaan, en wat de omvang was van haar vordering uit dezen hoofde. Door de bepaling niet volledig te volgen, wordt de vrouw thans geconfronteerd met een stelplicht ten aanzien van haar investeringen in de woning over een periode van circa tien jaren, en een aanzienlijk bewijsrisico, vanwege een bewijslast die zich over deze jarenlange, in het verleden gelegen, periode uitstrekt.

3.16.

Het hof onderschrijft in dit verband het standpunt van de man waar het gaat om de periode waarover met eventuele door de vrouw gedane investeringen rekening moet worden gehouden. Partijen hebben de samenlevingsovereenkomst op 24 oktober 2007 gesloten. Blijkens de samenlevingsovereenkomst was de vrouw op dat moment voornemens om in de toekomst een bedrag van € 30.000,- in de woning van de man te investeringen. Naar het oordeel van het hof kunnen de investeringen die de vrouw heeft gedaan vóór 24 oktober 2007 daarom geen onderdeel uitmaken van het bedrag dat de vrouw vordert op grond van de samenlevingsovereenkomst. Dat betekent dat het hof voor de berekening van de investeringen die de vrouw heeft gedaan, geen rekening houdt met eventuele investeringen die de vrouw in 2006 en in 2007 vóór 24 oktober heeft gedaan.

3.17.

Vervolgens stelt het hof op basis van de door de vrouw (als productie 16) overgelegde bankafschriften over de periode van 24 oktober 2007 tot en met 2010, alsmede de opsomming van diverse uitgaven in punt 100 van de memorie van grieven tevens vermeerdering van eis, vast dat het door de vrouw opgevoerde bedrag aan “onderhoud woning” in de eerste plaats voor een aanzienlijk deel bestaat uit (kleinere) uitgaven bij Karwei, Gamma, Praxis, Kwantum, Hubo en andere bouwmarkten en/of verf- en behang zaken. Van deze uitgaven zijn geen facturen voorhanden. Het hof is – mede in het licht van het hiervoor onder 3.15 overwogene - van oordeel dat enkel op basis van de overgelegde bankafschriften en de daarin opgenomen – zeer beperkte - omschrijving niet is vast te stellen dat bedoelde uitgaven betrekking hebben op investeringen in de woning van de man in de zin van artikel H van de samenlevingsovereenkomst. In zoverre heeft de vrouw haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd. Daarnaast stelt de vrouw nog een aantal andere – grotere - uitgaven te hebben gedaan in voormelde periode. Voor zover zij van die uitgaven facturen heeft overgelegd, zal het hof deze als investering in de woning van de man aanmerken, nu de man deze niet (voldoende) gemotiveerd betwist heeft. Het gaat daarbij om een bedrag van 953,79 bij Wagemaker JCWG (productie 18) en een bedrag van € 3.262,45 bij Snijder Sfeerverwarming (productie 19).

3.18.

Voor wat betreft de door de vrouw overgelegde Excel overzichten met betrekking tot al haar uitgaven in de periode 2011 tot en met 12 augustus 2017 (productie 14 en 15) overweegt het hof als volgt. In punt 101 van de memorie van grieven tevens vermeerdering van eis stelt de vrouw dat van die uitgaven een bedrag van € 9.994,- is toe te rekenen aan investeringen in de woning van de man. Voor zover de vrouw – anders dan bijvoorbeeld in punt 100 van de memorie van grieven tevens vermeerdering van eis – heeft nagelaten deze uitgaven ter zake van de post “onderhoud woning” in een apart overzicht te specificeren en/of toe te lichten, gaat het hof daaraan voorbij, nu van die uitgaven niet nader kan worden vastgesteld dat het investeringen in de woning van de man betreffen. Wat betreft de overgelegde facturen van De Glazenier ad € 2.273,84 (productie 20), Carpet Right ad € 103,93 (productie 21) en Houthandel Bakker ad € 1.195,33 (productie 22) is het hof van oordeel dat de vrouw de door haar gestelde investeringen voldoende heeft onderbouwd. De man heeft deze uitgaven ook niet specifiek betwist. Dat geldt niet voor de uitgave bij Mammoet ad € 600,- (productie 23). Volgens de man betreft deze uitgave een commode, die niet als investering in de woning kan worden aangemerkt. De vrouw heeft zulks naar het oordeel van het hof niet (voldoende) betwist.

3.19.

Tot slot is het hof van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft weersproken dat de door de vrouw aangetoonde betalingen zagen op investeringen in zijn woning (in plaats van in die van haar ouders). Hij heeft immers niet weersproken dat het dak van zijn woning is geïsoleerd, dat een vloer op zolder is gelegd noch dat een kachel is geplaatst.

3.20.

Het voorgaande betekent dat het hof het volgende bedrag aan de vrouw zal toewijzen. De door de vrouw over 2006 opgevoerde kosten blijven buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor de opgevoerde kosten tot 24 oktober 2007. Over 2007 resteert een investering van € 405,25 ter zake [Y] . Over 2008 tot en met 2010 wijst het hof een bedrag van € 4.216,24 toe (zie rov. 3.17), en over de periode 2011 tot 12 augustus 2017 een bedrag van € 3.573,10 (zie rov. 3.18). Samenvattend betekend een en ander dat het hof een bedrag zal toewijzen van € 8.194,59. Grief VI slaagt dus deels.

3.21.

Grief VII in principaal appel en grief II in incidenteel appel betreffen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en de vraag hoeveel ieder van partijen daaraan dient bij te dragen gelet op de afspraken die partijen daarover hebben gemaakt in de samenlevingsovereenkomst. In eerste aanleg verschilden partijen niet van mening omtrent het inkomen uit arbeid van de man tijdens de samenleving van € 2.400,- per maand en het inkomen uit arbeid van de vrouw tijdens de samenleving van € 700,- per maand. De rechtbank heeft gelet op deze inkomensverhouding beslist dat de man 78% van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding voor zijn rekening diende te nemen en de vrouw 22%. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat hij een bedrag van € 146.239,68 aan de gemeenschappelijke huishouding heeft uitgegeven. Omdat de vrouw bij de rechtbank de door de man gestelde en deels onderbouwde uitgaven niet heeft weersproken, is de rechtbank voor de verdeling uitgegaan van het door de man gestelde bedrag. De vrouw heeft weliswaar in eerste aanleg gesteld een bedrag van € 140.729,75 aan de gemeenschappelijke huishouding te hebben uitgegeven, maar omdat de vrouw dit bedrag niet heeft onderbouwd, heeft de rechtbank dit bedrag buiten beschouwing gelaten. Een en ander heeft tot het oordeel van de rechtbank geleid dat de vrouw nog een bedrag van € 32.172,73 aan de man dient te betalen.

3.22.

In principaal appel betwist de vrouw het bedrag dat de man aan de kosten van de huishouding heeft uitgegeven. Het door de man ingediende kostenoverzicht over 2009 tot 2017 bestaat uit jaaroverzichten hypotheek, jaaroverzichten NUON, aanslagen waterschapsbelasting, facturen PWN en aanslagen gemeentelijke belastingen. Uit dat kostenoverzicht volgt – aldus de vrouw - een totaalbedrag van (slechts) € 109.233,-. Bovendien blijkt uit de door de man overgelegde overzichten niet dat de man de opgevoerde kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. De vrouw stelt dat de man aldus niet heeft aangetoond wat hij heeft betaald aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zodat zij enkel rekening houdt met de door haar betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding. De vrouw verwijst in dit verband naar het uitgebreide overzicht van haar twee bankrekeningen (producties 12, 14 en 15). Het overzicht dat de vrouw heeft gemaakt sluit op een bedrag van € 161.685,-. De vrouw trekt daarvan af de investeringen in de woning ad € 20.602,-, de aankoop van meubels tot een bedrag van € 5.453,-, alsook de overboekingen door de vrouw aan de man met als omschrijving ‘zomaar’ tot een totaalbedrag van € 7.000,-. Dit laatste bedrag betreft leningen van de vrouw aan de man, waarvan de vrouw terugbetaling van de man vordert bij wijze van vermeerdering van eis en die het hof hierna zal bespreken. Samenvattend stelt de vrouw dat zij een bedrag van € 128.630,- aan de gemeenschappelijke huishouding heeft betaald. Nu de vrouw naar evenredigheid van haar inkomen uit arbeid diende bij te dragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, behoefde zij slechts 22% van € 128.630,- bij te dragen, zijnde een bedrag van € 28.298,-. De vrouw concludeert dat zij een bedrag van € 100.332,- te veel heeft betaald en vordert dit bedrag van de man op grond van de samenlevingsovereenkomst.

3.23.

De man grieft in incidenteel appel primair tegen het oordeel van de rechtbank dat de huurinkomsten van de vrouw niet zijn aan te merken als netto-inkomsten uit arbeid zoals genoemd in artikel A lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. De man stelt dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de huurinkomsten van de vrouw als inkomsten in de zin van artikel A lid 2 van de samenlevingsovereenkomst zijn aan te merken. De reden dat deze vorm van inkomsten niet expliciet in de samenlevingsovereenkomst is opgenomen, is dat ten tijde van het ondertekenen van de samenlevingsovereenkomst nog geen sprake was van huurinkomsten. De vrouw had de woning van haar ouders toen namelijk nog niet in eigendom. Volgens de man dient uitleg van de samenlevingsovereenkomst te geschieden aan de hand van het Haviltex-criterium. Het was de bedoeling van partijen bij het opstellen van de samenlevingsovereenkomst dat zij met hun inkomen, ongeacht waarvan dat inkomen afkomstig was, gezamenlijk de kosten van de huishouding zouden dragen. Dit nu heeft de vrouw volgens eigen zeggen ook gedaan (hetgeen de man betwist), waarmee de vrouw de bedoeling van partijen heeft bevestigd. De man mocht dit ook van de vrouw verwachten gelet op de wederzijdse zorgplicht in artikel I van de samenlevings-overeenkomst. Daarin staat vermeld dat de bepalingen in de overeenkomst mede zijn gemaakt ter voldoening aan de jegens elkaar bestaande zorgplicht. Hieruit komt ook weer de bedoeling van partijen bij de samenlevingsovereenkomst naar voren; partijen zullen tijdens de relatie voor elkaar zorgen, waarbij ieder met zijn/haar inkomen zal bijdragen in de huishoudkosten.

Subsidiair, mocht het hof van oordeel zijn dat de huurinkomsten van de vrouw niet mede zijn begrepen in het gestelde in artikel A lid 2 van de samenlevings-overeenkomst, stelt de man dat de vrouw erkent dat de inkomsten uit arbeid niet toereikend waren, doordat zij stelt dat zij méér dan haar inkomsten uit arbeid heeft uitgegeven aan de gemeenschappelijke kosten van de huishouding. In dat geval merkt de man de huurinkomsten aan als vermogen van de vrouw als bedoeld in artikel A lid 3 van de samenlevingsovereenkomst, waarmee de vrouw in de kosten van de huishouding dient bij te dragen.

Tot slot stelt de man dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een door de man betaald bedrag aan huishoudkosten van € 146.239,68. De man heeft een bedrag van € 166.592,69 uitgegeven. De man brengt een overzicht van dit bedrag als productie 12 in het geding, als aanvulling op productie 3 tot en met 8 in eerste aanleg. Als productie 13 brengt de man de bankafschriften waaruit deze betalingen blijken in het geding. De man stelt dat de vrouw gelet op haar inkomsten uit arbeid, huurinkomsten en vermogen, minstens 50% van de kosten van de huishouding dient bij te dragen en vordert dat het hof de vrouw veroordeelt aan hem een bedrag te betalen van € 83.296,35.

3.24.

De vrouw voert bij memorie van antwoord in incidenteel appel gemotiveerd verweer tegen het door de man gestelde. Zo stelt zij dat het volgens vaste rechtspraak voor de hand ligt aan te nemen dat onderlinge afrekening periodiek dient plaats te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar, en dat de man geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan in deze zaak van de geldende rechtspraak behoort te worden afgeweken. De door de man gestelde berekening van wat de vrouw had moeten voldoen, komt reeds op grond daarvan niet voor enige verrekening in aanmerking. Voor zover al van verrekening sprake zou kunnen zijn, staat volgens de vrouw niet ter discussie dat uit de samenlevingsovereenkomst op geen enkele wijze volgt dat inkomsten uit verhuur onder inkomsten uit arbeid zouden vallen. Ook volgt uit geen enkel ander stuk dat (later) zou zijn afgesproken dat de inkomsten uit verhuur onder inkomsten uit arbeid zouden vallen. Volgens de vrouw is niet voor niets gekozen voor de bewoordingen “inkomen uit arbeid”. Indien partijen hadden bedoeld dat het zou gaan om inkomen, ongeacht waarvan dat inkomen afkomstig was, mag ervan uitgegaan worden dat zij juist niet expliciet hadden gekozen voor de bewoordingen “inkomsten uit arbeid”. Voorts benadrukt de vrouw dat tijdens de samenleving het gezamenlijk netto inkomen uit arbeid toereikend was voor de voldoening van de kosten van de huishouding. Dat de vrouw niet alleen met haar inkomen uit arbeid heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding is enkel het gevolg van het feit dat de man niet naar rato van zijn inkomen uit arbeid bijdroeg aan de kosten van de huishouding. De vrouw betwist daarnaast het door de man genoemde bedrag van € 166.592,69 dat hij stelt aan de gemeenschappelijk huishouding te hebben uitgegeven. Met betrekking tot de post ‘onderhoud woning’ stelt de vrouw dat deze kosten hoe dan ook niet vallen onder de kosten van de huishouding, nu het gaat om kosten die de man in zijn eigen woning heeft geïnvesteerd en van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij een deel van deze kosten dient te dragen.

3.25.

Het hof overweegt dienaangaande al volgt. Partijen vorderen over en weer een vergoeding voor de kosten van de huishouding, omdat hij/zij meer zou hebben bijgedragen aan deze kosten dan waartoe hij/zij gehouden was. Zij twisten over wat onder de kosten van de (gewone gang van de) huishouding valt, over de omvang daarvan gedurende de samenleving, wie welk deel van de kosten van de huishouding heeft voldaan, of de kosten van de huishouding alleen ten laste van de inkomsten uit arbeid komen/kwamen en of de inkomsten uit arbeid toereikend waren voor de bestrijding van de kosten van de huishouding. Partijen hebben - naar het hof aanneemt juist ter voorkoming van deze geschilpunten - in hun samenlevingsovereenkomst afspraken gemaakt. Zij hebben niet precies, maar indicatief afgesproken wat “onder meer” onder de kosten van de gewone gang van de huishouding valt: de onroerende zaakbelasting en andere heffingen ter zake van het registergoed voor zover zij betrekking hebben op de gezamenlijk bewoonde woning en de uitgaven voor dagelijks onderhoud en verzekering daarvan, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met uitzondering van eventuele overlijdensrisicoverzekeringen, kosten voor gezamenlijke vakanties en de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen die met toestemming van beide partijen in het gezin zijn opgenomen, tenzij deze kosten ten laste van derden komen. Zij hebben voorts afgesproken dat de kosten van de gewone gang van de huishouding worden voldaan van een door partijen nader te bepalen bank- of girorekening en/of kas en dat zij maandelijks naar evenredigheid van hun netto-inkomsten uit arbeid bijdragen aan deze rekening en/of kas zodanig dat daarmee deze kosten kunnen worden bestreden. Zij hebben daarnaast afgesproken gehouden te zijn bij te dragen naar evenredigheid van ieders vermogen indien op zeker moment de inkomsten uit arbeid ontoereikend zijn. Vervolgens hebben partijen gedurende ruim tien jaar een gemeenschappelijke huishouding gevoerd zonder uitvoering te geven aan voormelde afspraken in de samenlevingsovereenkomst. Zij hebben geen gezamenlijke rekening of een kas aangewezen waaruit maandelijks betalingen werden gedaan en waarop ieder maandelijks naar evenredigheid van zijn/haar inkomsten uit arbeid heeft bijgedragen ter bestrijding van de kosten van de gewone gang van de huishouding. Partijen hebben naast de indicatieve opsomming in de samenlevingsovereenkomst niet afgesproken of en, zo ja, wat verder onder de kosten van de gewone gang van de huishouding valt en partijen hebben nooit verrekend, hetgeen vanwege het ontbreken van een sluitende definitie een extra complicerende factor is.

3.26.

Tegen deze achtergrond begrijpt het hof de vorderingen van partijen aldus, dat zij alsnog uitvoering wensen te geven aan de afspraken over de kosten van de huishouding in de samenlevingsovereenkomst en wensen te reconstrueren dat hij/zij te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding ter vaststelling van zijn/haar vergoedingsrecht voor het ‘teveel’ bijgedragene op de ander. Een dergelijke reconstructie kan uiteraard maximaal leiden tot één vergoedingsrecht voor één van partijen; de partij die (naar verhouding) het meest heeft bijgedragen. Voor een reële en zinvolle reconstructie moet het hof echter kunnen vaststellen:

a. wat onder de kosten van de (gewone gang van de) huishouding viel;

b. hoe hoog deze kosten maandelijks waren;

c. wie wat maandelijks in deze kosten feitelijk heeft bijgedragen en hoeveel hij/zij eigenlijk moest bijdragen;

d. of de inkomsten uit arbeid daartoe toereikend waren en, zo nee,

e. in hoeverre deze ten laste van het vermogen van een partij zijn gekomen of moesten komen.

Nu ieder van partijen zich beroept op het bestaan van een vergoedingsrecht, dient elke partij voor een geslaagd beroep op het bestaan van een vergoedingsrecht, voldoende feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen, en deze zo nodig ook te bewijzen, ter beantwoording van de vragen onder a tot en met e. Naar het oordeel van het hof heeft geen van partijen hieraan voldaan. Partijen betwisten over en weer elkaars stellingen over wat naast de opgesomde lijst van kosten in de samenlevingsovereenkomst onder de kosten van de huishouding viel, partijen hebben geen uitsplitsing per maand van de kosten van de (gewone gang van de) huishouding en van hun in de betreffende periode relevante netto-inkomsten uit arbeid gemaakt, partijen hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe zij maandelijks de uitgaven hebben bestreden. Nu partijen ook geen bewijsaanbod hebben gedaan, zal het hof de vordering van de vrouw afwijzen, het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van de man alsnog afwijzen. Grief VII in principaal appel slaagt in zoverre, dat de veroordeling van vrouw in eerste aanleg om aan de man te betalen een bedrag van € 32.172,73 ter zake de kosten van de gemeenschappelijke huishouding wordt vernietigd. Grief II in incidenteel appel faalt.

3.27.

De vrouw vordert tot slot nog bij vermeerdering van eis een bedrag van € 10.000,- van de man. De vrouw stelt daartoe dat zij met de man is overeengekomen dat zij hem € 10.000,- zou lenen, zodat de man privéschulden als gevolg van zijn eerdere echtscheiding kon aflossen. De vrouw heeft bij overboekingen van 26 juni 2015, 6 juli 2015, 27 juli 2015, 25 augustus 2015, 29 maart 2016 en 4 april 2016 in totaal € 7.000,- aan de man overgemaakt met als omschrijving ‘zomaar’. Daarnaast stelt de vrouw dat zij in totaal nog € 3.000,- contant aan de man heeft gegeven, zoals blijkt uit de als productie 29 overgelegde bankmutaties. Bovendien blijkt het bestaan van de lening uit de omschrijving van de overboeking van 4 april 2016, te weten: “geld zo maar 900,00 euro totaal betaald schulden voor jou 10.000”.

De man ontkent met de vrouw een overeenkomst van geldlening te hebben gesloten. Uit de omschrijving op de overboekingen kan juist worden afgeleid, zo begrijpt het hof de stelling van de man, dat de vrouw zo maar voor de man betaalde uit vrijgevigheid en dat tegenover de betaling zeker geen terugbetalingsverplichting bestond.

3.28.

Het hof zal deze vordering van de vrouw afwijzen. Dat de vrouw geld aan de man overmaakte met als omschrijving ‘zomaar’ blijkt wel uit de overgelegde bankafschriften. Gelet echter op de betwisting door de man dat er aan de betalingen door de vrouw een overeenkomst van geldlening ten grondslag lag, kan aan de enkele omschrijving op het afschrift van 4 april 2016 niet de conclusie worden verbonden dat sprake is geweest van een geldlening. De omschrijving ‘zo maar’ kan net zo goed betrekking hebben op door de vrouw aan de man gedane schenkingen. Op de vrouw rust het bewijs van haar stelling dat sprake is van een geldlening, doch die stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd zodat het hof niet aan bewijslevering toekomt.

3.29.

Voor zover partijen overigens bewijs van hun stellingen hebben aangeboden zijn die stellingen te algemeen en te weinig specifiek, zodat het hof deze bewijsaanbiedingen passeert.

3.30.

De conclusie van het voorgaande is:

- dat de man aan de vrouw een bedrag van € 500,- dient te betalen op grond van onverschuldigde betaling in verband met de betaling door de vrouw voor de pony [pony 1] ;

- dat de man aan de vrouw een bedrag van € 8.194,59 ter zake bedrag B dient te betalen, te weten investeringen door de vrouw in de door de man in eigendom toebehorende woning, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag dient de man te betalen naast het bedrag van € 45.000,- dat hij op grond van bedrag A aan de vrouw schuldig is met de wettelijke rente vanaf genoemde datum;

- dat de veroordeling van vrouw in eerste aanleg om aan de man te betalen een bedrag van € 32.172,73 ter zake de kosten van de gemeenschappelijke huishouding wordt vernietigd;

- dat de overige vorderingen zowel in principaal als in incidenteel appel worden afgewezen;

- dat, gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, het hof de kosten van het hoger beroep zal compenseren als na te melden. Er is geen aanleiding tot een kostenveroordeling zoals door de vrouw gevorderd, te meer daar partijen allen (deels) in het ongelijk zijn gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover de man is veroordeeld aan de vrouw een bedrag te betalen van € 2.447,63 ter zake bedrag B, en de vrouw is veroordeeld aan de man te betalen een bedrag van € 32.172,73 ter zake de kosten van de gemeenschappelijke huishouding,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen (naast het bedrag van € 45.000,- ter zake bedrag A) een bedrag van € 8.694,59 (€ 8.194,59 ter zake bedrag B + € 500,- voor pony [pony 1] ), voor wat betreft een bedrag van € 8.194,59 (naast het bedrag van € 45.000,- ter zake bedrag A) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2017 tot de dag van algehele voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en voor zover aan hoger beroep onderworpen;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en mr. C.M.J. Peters, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.