Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3611

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
22-01-2021
Zaaknummer
19/00077
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-01-2021
FutD 2021-0265
V-N Vandaag 2021/177
NTFR 2021/485
NTFR 2021/557
V-N 2021/10.21.18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 19/00077

15 december 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap [X] B.V., gevestigd te [Y] , belanghebbende,

(gemachtigde D.A.N. Bartels)

tegen de uitspraak van 27 december 2018 in de zaak met kenmerk AMS 17/1200 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar,

en

de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, de Minister,

op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 juli 2016 (hierna: de waardebeschikking) de waarde op grond van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van de onroerende zaak op het adres [straat] te [Y] voor het belastingjaar 2015 vastgesteld op € 502.500. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting gebruikers 2015 (hierna: de aanslag) bekend gemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op

bezwaar van 22 februari 2017 ongegrond verklaard en de hiervoor genoemde waarde van de onroerende zaak gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank van 24 november 2017.

Op die zitting is belanghebbende (met bericht van afwezigheid) niet verschenen. De heffingsambtenaar is bij gemachtigde verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten behoeve van nader vooronderzoek.

1.4.

De behandeling van het beroep is op de zitting van de rechtbank van 19 januari 2018 voortgezet. Op die zitting zijn partijen door hun gemachtigden vertegenwoordigd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting wederom geschorst voor nader vooronderzoek.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft op 8 februari 2018 aan de rechtbank medegedeeld dat de waardebeschikking en de aanslag zijn vernietigd. De gemachtigde van belanghebbende heeft daarop bij brief van 13 februari 2018 het beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht om vergoeding van de proceskosten.

1.6.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 december 2018 het volgende beslist:

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van [belanghebbende] in bezwaar tot een bedrag van € 498,-;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van [belanghebbende] in beroep tot een bedrag van € 1.252,50;

- wijst het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten voor het overige af;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser het door [belanghebbende] betaalde griffierecht van € 333 aan [belanghebbende] vergoedt.”

1.7.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 28 januari 2019. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Op 24 april 2019, 4 juli 2019 en 15 oktober 2020 zijn nadere brieven ontvangen van belanghebbende. Deze brieven zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2020. Op verzoek van de gemachtigde van belanghebbende heeft de zitting (deels) digitaal plaatsgevonden via een Skype-telefoonverbinding (te weten een geluidsverbinding zonder beeld). Hierbij was sprake van een hybride zitting in die zin dat de gemachtigde van belanghebbende niet fysiek in de zittingszaal aanwezig was. Namens de heffingsambtenaar is ter zitting verschenen

[heffingsambtenaar] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1.

Het bezwaarschrift van belanghebbende is door de heffingsambtenaar ontvangen op

1 september 2016.

2.2.

Op 24 februari 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift dat is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van belanghebbende ontvangen.

2.3.

Het Hof heeft op 28 januari 2019 het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ontvangen.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is nog enkel in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De heffingsambtenaar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

4.2.

Voor de beoordeling van het geschil wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nummer 14/03907,

ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140 (hierna: het overzichtsarrest). Dit betekent dat voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat – behoudens bijzondere omstandigheden – de behandeling van een zaak niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De in aanmerking te nemen termijn begint voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet (zie ro. 3.3.1. en 3.3.2. van het overzichtsarrest).

4.3.

Het Hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van belanghebbendes beroep, waarvan het beroepschrift door de rechtbank is ontvangen op 24 februari 2017, is verstreken eerst na afloop van de zeswekentermijn tot het doen van uitspraak. In zo een geval wordt geen verzoek om vergoeding van immateriële schade verlangd en dient het gerecht ambtshalve te beoordelen of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (zie ro. 3.13.2 van het overzichtsarrest). Het Hof zal derhalve doen, hetgeen de rechtbank behoorde te doen, en hierna beoordelen of er in eerste aanleg sprake is geweest van een termijnoverschrijding die aanleiding geeft tot het toekennen van een schadevergoeding.

4.4.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 1 september 2016. Op dat moment heeft de redelijke termijn een aanvang genomen. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 27 december 2018. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met bijna vier maanden. Hierbij wijst het Hof erop dat ook indien de periode van schorsing van het onderzoek ter zitting (die is gelegen tussen 24 november 2017 en 19 januari 2018, zie 1.3. en 1.4.) buiten beschouwing zou worden gelaten als zijnde bijzondere omstandigheid, er nog steeds een overschrijding in eerste aanleg van bijna twee maanden resteert. Bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen, zijn verder niet aannemelijk geworden. Uitgaande van een redelijke termijn voor de bezwaarfase van een half jaar en voor de beroepsfase van anderhalf jaar is de overschrijding van de redelijke termijn naar het oordeel van het Hof volledig toe te rekenen aan de rechtbank. De vergoeding moet derhalve worden voldaan door de Staat der Nederlanden, de Minister.

4.5.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de termijnoverschrijding naar boven wordt afgerond. Dit leidt in dit geval tot een overschrijding van in totaal een half jaar (zie ro. 3.3.3. van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232).

4.6.

Het Hof ziet in het voorgaande aanleiding het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 500 (1 x € 500).

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg dient te worden toegewezen. Beslist dient te worden zoals hieronder is vermeld.

5 Proceskosten

5.1.

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Minister wat betreft de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 juncto artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

5.2.

Voor het onderhavige geval zijn dat de in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op in totaal:

2 punten (hogerberoepschrift + zitting) x € 525 x 0,5 (wegingsfactor) = € 525.

5.3.

In de omstandigheid dat de Minister slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende omdat aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, heeft het Hof aanleiding gevonden om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te hanteren van 0,5 (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    wijst het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade toe;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister) tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt de Minister in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 525, en

  • -

    gelast de Minister aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht ad

€ 508 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, als griffier. De beslissing is op 15 december 2020 in het openbaar uitgesproken en wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.