Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3567

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
200.230.325/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:3735
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2019:3735 en ECLI:NL:HR:2020:810 (prejudiciële vragen). Vernietiging van de leaseovereenkomst op grond van artikel 1:88 in verbinding met 1:89 BW. Bindt de beslissing over de rechtsgeldigheid van de vernietiging in een procedure, waarin slechts één van de echtgenoten partij was, de andere echtgenoot? Strekking artikel 1:88 en 1:89 BW. De rechtsvordering tot vernietiging en de vordering uit onverschuldigde betaling zijn niet verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.230.325/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 5701395 DX EXPL 17-42

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2020

inzake

LEASEPROCES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom Leaseproces en Dexia genoemd.

In deze zaak is op 15 oktober 2019 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar het tussenarrest.

Bij het tussenarrest heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad en is de zaak in afwachting daarvan aangehouden.

Bij arrest van 14 januari 2020 heeft het hof afwijzend beslist op het verzoek van Dexia van 19 december 2019 om tegen het tussenarrest van 15 oktober 2019 onmiddellijk cassatieberoep open te stellen.

Bij arrest van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:810) heeft de Hoge Raad de prejudiciële vragen beantwoord.

Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad voor het verdere verloop van de procedure. Van die mogelijkheid hebben partijen gebruik gemaakt.

Vervolgens is wederom een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest is overwogen.

Relevante feiten en omstandigheden

2.2.

Voor de verdere beoordeling zijn, samengevat weergegeven, de volgende feiten en omstandigheden van belang.
(i) [X] heeft op 23 november 2000 met de rechtsvoorgangster van Dexia een effectenleaseovereenkomst gesloten.

(ii) [Y] is de echtgenote van [X] en heeft bij brief van 1 juli 2005 met een beroep op artikel 1:89 lid 1 BW en artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW de vernietiging van de effectenleaseovereenkomst ingeroepen.
(iii) [X] heeft met een beroep op de buitengerechtelijke vernietiging van [Y] tegen Dexia een vordering ingesteld tot terugbetaling van al hetgeen hij uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald. Bij vonnis van 27 februari 2013 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam zijn vordering afgewezen op de grond dat [Y] de overeenkomst niet tijdig – voor afloop van de verjaringstermijn – heeft vernietigd. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

(iv) In 2016 hebben [X] en [Y] hun vorderingen op Dexia gecedeerd aan Leaseproces.

De vordering en de prejudiciële procedure

2.3.

In deze procedure vordert Leaseproces onder meer (i) een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en (ii) veroordeling van Dexia tot betaling aan Leaseproces van al hetgeen [X] op grond van de effectenleaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald. In verband met het beroep van Dexia op het gezag van gewijsde van het vonnis van de kantonrechter van 27 februari 2013 heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

2.4.

De eerste prejudiciële vraag heeft de Hoge Raad als volgt beantwoord.
Door een echtgenoot ingestelde rechtsvorderingen tot vernietiging, dan wel berustend op vernietiging, van de effectenleaseovereenkomst, kunnen niet op grond van (overeenkomstige toepassing van) artikel 3:171 BW worden beschouwd als ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten. De daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, hebben dan ook niet uit dien hoofde bindende kracht jegens beide echtgenoten.

In dat kader doet niet ter zake welk huwelijksgoederenregime tussen de echtgenoten geldt, noch wie van beiden de rechtsvorderingen heeft ingesteld.

2.5.

Het antwoord van de Hoge Raad op de tweede prejudiciële vraag, in samenhang met de derde en vierde vraag, luidt als volgt.
Een onherroepelijke beslissing in een procedure over de gegrondheid van het beroep op artikel 1:89 lid 1 BW, waarin slechts een van beide echtgenoten als procespartij is opgetreden, heeft niet op de voet van artikel 236 Rv gezag van gewijsde jegens de echtgenoot die niet (van de aanvang af, of na voeging, tussenkomst, of oproeping op de voet van artikel 118 Rv) als procespartij in die procedure betrokken is geweest.
Echter, uit de strekking en de kenmerken van de regeling van de artikelen 1:88 BW en 1:89 BW vloeit voort dat met een onherroepelijke beslissing over de gegrondheid van het beroep op artikel 1:89 lid 1 BW die is gegeven in een procedure tussen de niet handelende echtgenoot en de wederpartij, ook tussen de wederpartij en de handelende echtgenoot vaststaat of de vernietiging rechtsgevolg heeft gehad, ook indien laatstgenoemde niet als partij in die procedure betrokken is geweest.

Is de niet handelende echtgenoot geen partij geweest in de eerdere procedure, dan kan de wederpartij jegens deze echtgenoot niet met succes een beroep doen op het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak.

In geen van deze gevallen doet ter zake welk huwelijksgoederenregime tussen de echtgenoten geldt.

Gevolgen beantwoording prejudiciële vragen voor de onderhavige procedure

2.6.

Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad volgt dat het beroep van Dexia op het gezag van gewijsde van het vonnis van de kantonrechter van 27 februari 2013 moet worden verworpen. [Y] was als niet handelende echtgenoot geen partij in die eerdere procedure, zodat Dexia jegens haar in dit geding niet met succes een beroep kan doen op het gezag van gewijsde van die uitspraak.

Verjaringsverweer Dexia

2.7.

Uit de akten die partijen na de prejudiciële beslissing van Hoge Raad hebben genomen, blijkt dat tussen hen in geschil is of het hof in de tussenarresten de verjaringsverweren van Dexia al volledig heeft behandeld voor het geval zou worden aangenomen dat Dexia geen beroep toekomt op het gezag van gewijsde. Voor de duidelijkheid wordt daarom in navolgende de vraag naar de verjaring nogmaals in hoofdlijnen besproken. Het hof blijft bij hetgeen op het punt van de verjaring in de tussenarresten is overwogen.
In het navolgende wordt ervan uitgegaan, zoals hiervoor is vastgesteld, dat Dexia geen beroep kan doen op het gezag van gewijsde van het vonnis van 27 februari 2013 in de zaak tegen [X] .

Verjaring vernietiging effectenleaseovereenkomst

2.8.

De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [Y] heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomst te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door haar echtgenoot geen schriftelijke toestemming heeft gegeven. De rechtsvordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst.

2.9.

Leaseproces heeft in deze procedure een beroep gedaan op de stuitende werking van de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure van de stichting Eegalease en anderen tegen Dexia (hierna: de collectieve procedure). Ten aanzien van de mogelijkheid om de effectenleaseovereenkomst op de voet van artikel 1:88 en 1:89 BW te vernietigen heeft de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure stuitende werking gehad en wel tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie Hoge Raad 9 oktober 2015; ECLI:NL:HR: 2015:3018 en Hoge Raad 19 mei 2017; ECLI:NL:HR:2017:936).

2.10.

Dit betekent dat de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure stuitende werking heeft gehad voor de rechtsvordering van [Y] tot vernietiging van de op 23 november 2000 door [X] aangegane effectenleaseovereenkomst. De rechtsvordering van [Y] was daardoor nog niet verjaard toen de buitengerechtelijke vernietiging op 1 juli 2005 door haar is uitgebracht. Anders dan Dexia in haar akte betoogt, hoeft gelet op de stuitende werking van de collectieve procedure niet te worden onderzocht of [Y] eerder dan drie jaar voorafgaand aan de buitengerechtelijke vernietiging dan wel bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst van het bestaan daarvan op de hoogte was. Dit alles betekent dat de effectenleaseovereenkomst op 1 juli 2005 buitengerechtelijk is vernietigd.

Verjaring vordering uit onverschuldigde betaling

2.11.

Dexia heeft verder een beroep gedaan op de verjaring van de rechtsvordering van Leaseproces uit onverschuldigde betaling. Dit betreft de vordering van Leaseproces als rechtsopvolgster van [Y] tot veroordeling van Dexia tot betaling aan Leaseproces van al hetgeen [X] op grond van de vernietigde effectenleaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald.

2.12.

De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomst is op 1 juli 2005 buitengerechtelijk vernietigd en de op dat moment aanhangige collectieve procedure heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van [Y] gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot 25 juli 2007. Leaseproces heeft verder een beroep gedaan op de stuitende werking van de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die zij namens al haar cliënten (waaronder [X] ) en de eega’s van de betreffende cliënten heeft gestuurd. De inleidende dagvaarding van de onderhavige procedure is op 27 januari 2017 uitgebracht.
Uit dit alles volgt dat als deze brieven – naar Leaseproces stelt – stuitende werking hebben gehad, de vordering uit onverschuldigde betaling zoals die in dit geding is ingesteld niet is verjaard.

2.13.

Het hof heeft in het tussenarrest, rov. 2.4 reeds overwogen dat uit de genoemde brieven van Leaseproces blijkt dat deze met zoveel woorden zien op vorderingen van de eega’s op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW. Daaronder zijn begrepen de rechtsvorderingen van de eega’s uit onverschuldigde betaling. Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling is een uit een beroep op de vernietigingsgrond voortvloeiende rechtsvordering van de echtgenoot als bedoeld in artikel 1:89 lid 5 BW.

2.14.

Ten aanzien van de bevoegdheid om de verjaring namens [Y] te stuiten heeft Leaseproces bij akte van 10 juli 2018 gesteld dat [Y] haar voorafgaand aan 24 januari 2012 volmacht/toestemming heeft gegeven om namens haar de verjaring te stuiten. Van die bevoegdheid is bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 gebruik gemaakt. Ter onderbouwing daarvan heeft Leaseproces als productie 13 een afschrift uit haar administratie overgelegd van de digitaal door [X] verleende toestemming/volmacht die luidt: “Ik geef Leaseproces toestemming om de verjaring van de vordering op Dexia te stuiten. Deze toestemming geldt ook voor mijn eventuele partner en/of familieleden.” Leaseproces stelt op grond daarvan dat [Y] haar de genoemde en toereikende toestemming/volmacht heeft verleend om de verjaring te stuiten en heeft in verband daarmee aangeboden [Y] en [X] als getuigen te horen om dit te bevestigen.

2.15.

De stelling van Dexia, dat productie 13 een onbegrijpelijk document is waaruit niet blijkt van een volmacht die is gegeven door [Y] en waarin haar naam niet voorkomt, wordt gepasseerd. Dexia heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat [X] vóór 24 januari 2012 elektronisch de hiervoor aangehaalde toestemming aan Leaseproces heeft gegeven, terwijl niet ter discussie staat dat [Y] de partner van [X] is. Dit alles brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat Leaseproces bevoegd was namens [Y] de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling te stuiten.

2.16.

Verder is in het tussenarrest, rov. 2.5 overwogen dat Dexia op grond van artikel 3:71 lid 1 BW de mogelijkheid had verklaringen, door Leaseproces als gevolmachtigde afgelegd, als ongeldig van de hand te wijzen, indien Dexia terstond Leaseproces om bewijs van de volmacht had gevraagd en dit bewijs niet op de in deze bepaling omschreven wijze werd geleverd. Gesteld noch gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat [X] als cliënt van Leaseproces haar heeft gevolmachtigd om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens zijn eega te doen, zodat ook op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens [Y] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. De betwisting van de volmacht van [Y] aan Leaseproces, zoals volgens Dexia vervat in haar brief van 31 oktober 2016, hetgeen Leaseproces betwist, doet derhalve niet meer ter zake, want hiermee is door Dexia niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012, om bewijs van haar volmacht gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan, nu gesteld noch gebleken is dat [Y] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd.

2.17.

Het hof blijft bij zijn conclusie (tussenarrest, rov. 2.5) dat de vordering van [Y] , als rechtsvoorgangster van Leaseproces, uit hoofde van onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat het verjaringsverweer van Dexia moet worden verworpen.

Slotsom en kosten

2.18.

Het voorgaande betekent dat de grief van Leaseproces slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vorderingen van Leaseproces zullen alsnog worden toegewezen en die van Dexia zal alsnog worden afgewezen.

2.19.

Uit de stellingen van Dexia volgt dat zij ervan uitgaat wettelijke rente verschuldigd te zijn vanaf zeven dagen na de sommatiebrief van 24 april 2005 en dat als na deze datum betalingen hebben plaatsgevonden wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van ontvangst daarvan. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

2.20.

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen tot een ander oordeel in deze zaak dienen te leiden. De bewijsaanbiedingen zullen daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

2.21.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties. De prejudiciële vragen waren nodig ter beantwoording van gerezen rechtsvragen, zodat het hof geen aanleiding ziet op de voet van artikel 394 lid 2 Rv in de proceskostenveroordeling op te nemen het door de Hoge Raad begrote bedrag voor de door Leaseproces gemaakte kosten. Partijen dienen elk de eigen kosten van de prejudiciële procedure te dragen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de effectenleaseovereenkomst met contractnummer 29405537 (WinstVerDriedubbelaar) rechtsgeldig is vernietigd;

veroordeelt Dexia om al hetgeen [X] op grond van de effectenleaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald aan Leaseproces terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van betalingen voor 24 april 2005 telkens vanaf 2 mei 2005 en ten aanzien van betalingen vanaf 24 april 2005 telkens vanaf de dag van ontvangst daarvan door Dexia, tot aan de dag van algehele terugbetaling aan Leaseproces;

wijst af de vordering van Dexia;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Leaseproces begroot op € 214,31 aan verschotten en € 200,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 823,13 aan verschotten, € 2.685,00 voor salaris op € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, M.P. van Achterberg en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.