Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3556

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
200.266.962/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:5743
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.266.962/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/284640 / FA RK 19-690

Beschikking van de meervoudige kamer van 15 december 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in principaal hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.D. Bhagwandin te Nieuw-Vennep.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

- de minderjarige [zoon] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), van 3 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 2 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 21 november 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 10 december 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 18 april 2020 met bijlage, ingekomen op 21 april 2020.

2.5

De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, in aanwezigheid van de griffier, met [de minderjarige] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 17 september 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, vertegenwoordigd door zijn advocaat;

- de vrouw, vertegenwoordigd door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de man en de vrouw (hierna gezamenlijk ook: de ouders) is [de minderjarige] geboren, [in] 2006 te [geboorteplaats] . Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Partijen zijn tevens de ouders van de meerderjarige [de meerderjarige] , geboren [in] 1999 te [geboorteplaats] .

3.2

Bij beschikking van 29 juli 2015 is bepaald dat het door partijen op 19 januari 2015 ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij [de minderjarige] doordeweeks bij de vrouw en in het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede een verdeling van de vakantie- en feestdagen. Partijen zijn in maart 2017 in onderling overleg overeengekomen dat [de minderjarige] elke maand één weekend bij de vrouw is.

3.3

Bij beschikking van 6 oktober 2016 is [de minderjarige] tot 6 oktober 2017 onder toezicht gesteld van Stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: DJGB). De ondertoezichtstelling is nadien niet verlengd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van het door partijen op 19 januari 2015 ondertekende ouderschapsplan en de nadien overeengekomen afspraken tussen hen, de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld met ingang van 3 juli 2019:

- [de minderjarige] verblijft het weekend van vrijdag 5 juli 2019 17.00 uur tot zondag 7 juli 2019 17.00 uur bij de man;

- [de minderjarige] verblijft gedurende drie weekenden per maand van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man en de overige dagen bij de vrouw, waarbij [de minderjarige] het eerste weekend van de maand bij de vrouw is, voor het eerst het weekend van vrijdag 2 augustus 2019 tot zondag 4 augustus 2019;

- [de minderjarige] verblijft in de zomervakantie 2019 van vrijdag 12 juli 2019 om 17.00 uur gedurende drie weken aaneengesloten (dus tot vrijdag 2 augustus 2019 17.00 uur) bij de man;

- [de minderjarige] verblijft de helft van de vakantie- en feestdagen bij de man. Partijen verdelen deze dagen in onderling overleg.

4.2

De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek deels ingetrokken en verzoekt thans in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de beslissing onder 6.1 van die beschikking betreft:

met wijziging in zoverre van het door partijen op 19 januari 2015 ondertekende ouderschapsplan en de nadien tussen hen overeengekomen afspraken, met ingang van 3 juli 2019 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te bepalen dat:

  • -

    [de minderjarige] het eerste weekend van de maand bij de vrouw verblijft, waarbij onder het eerste weekend wordt verstaan: het weekend waarvan de vrijdag in de nieuwe maand valt en wel vanaf die vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vrouw, de overige weekenden van die maand bij de man en wel vanaf vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, ongeacht of de zaterdag of zondag van dat weekend in de volgende maand valt, en de doordeweekse dagen bij de vrouw;

  • -

    [de minderjarige] de helft van de vakantie- en feestdagen bij de man verblijft. Partijen verdelen deze dagen in onderling overleg.

4.3

De vrouw verzoekt het principaal hoger beroep van de man af te wijzen.

Na wijziging van haar verzoek ter zitting in hoger beroep, verzoekt de vrouw in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het rechtsoverweging 6.1, eerste drie gedachtestreepjes, betreft en te bepalen dat [de minderjarige] om het weekend vanaf vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakantie- en feestdagen.

4.4

De man verzoekt het verzoek van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

5.2

De man betoogt in principaal hoger beroep dat de rechtbank er bij de verdeling van de weekenden ten onrechte vanuit is gegaan dat iedere kalendermaand vier weekenden heeft, terwijl dit soms vijf weekenden zijn. De man wenst daarom verwoord te zien dat [de minderjarige] het eerste weekend, waarvan de vrijdag in de nieuwe maand valt, bij de vrouw is en alle overige weekenden bij de man. Inmiddels voeren partijen de zorgregeling op deze manier uit en gaat dat goed, aldus de man.

5.3

De vrouw is in principaal hoger beroep van mening dat de grief van de man faalt. Hoewel de vrouw het niet eens is met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling blijkt uit de bestreden beschikking volgens haar wel duidelijk dat de rechtbank heeft bedoeld dat [de minderjarige] alleen het eerste weekend van de maand bij de vrouw is en de overige weekenden niet. De zorgregeling loopt nu goed op die manier, aldus de vrouw.

5.4

De vrouw betoogt in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte haar inleidend verzoek grotendeels heeft afgewezen. De door de rechtbank bepaalde regeling is door de vele wisselingen nog steeds te onrustig voor [de minderjarige] , als gevolg waarvan [de minderjarige] iedere week weestand toont tegen het omgangsweekend. Daarnaast wenst de vrouw meer tijd in de weekenden met [de minderjarige] door te kunnen brengen. Wat de vrouw betreft wordt via de hulpverlening toegewerkt naar een regeling waarbij [de minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, aldus de vrouw.

5.5

De man is van mening dat het verzoek van de vrouw in incidenteel hoger beroep moet worden afgewezen. Zoals gezegd wordt de door de rechtbank bepaalde regeling nagekomen en kan [de minderjarige] deze regeling goed aan. Bij een vermindering van de omgangsfrequentie vreest de man dat [de minderjarige] en hij minder snel aansluiting bij elkaar zullen vinden. Door de beperkingen van [de minderjarige] is een tijdbestek van twee weken veel en heeft hij moeite om weer met de man in contact te treden nadat zij elkaar langere tijd niet hebben gezien. De man begrijpt overigens dat de vrouw meer vrije tijd wenst door te brengen met [de minderjarige] . Nu [de minderjarige] wat ouder wordt zal hij door de week steeds vaker in de avonden meer energie hebben en zal de vrouw op die momenten meer vrije tijd met hem kunnen doorbrengen, aldus de man.

5.6

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd in het belang van [de minderjarige] de zorgregeling zo te houden zoals hij thans is. Dit advies neemt echter niet weg dat er veel te zeggen is voor het verzoek van de vrouw, aldus de raad. Voorts heeft de raad het volgende meegedeeld.

Begin dit jaar heeft de raad op verzoek van de gemeente Hoorn onderzoek gedaan naar de wenselijkheid van een ondertoezichtstelling. Gedurende zijn onderzoek heeft de raad geconstateerd dat er veel zorgen zijn over de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] gerelateerd aan de echtscheidingsproblematiek. Bij rapport van 23 april 2020 heeft de raad geconcludeerd dat hij geen ondertoezichtstelling zal verzoeken en heeft hij de zaak teruggegeven aan de gemeente omdat de raad vooralsnog de hoop heeft dat de problemen in het vrijwillig kader kunnen worden ondervangen.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, heeft de raad zijn zorgen geuit over de problemen en de huidige hulpverlening die daarvoor wordt ingezet. De hulpverlening die de ouders thans geboden wordt vanuit de gemeente lijkt niet volledig tegemoet te komen aan de hulpvragen van de ouders en de raad vraagt zich of deze hulpverlening voldoende is. De raad begrijpt dat de hulpverlening op een laag pitje stond in verband met de lopende procedure. Zodra de procedure tot een einde is gekomen, adviseert de raad de hulpverlening te intensiveren, bijvoorbeeld met de geïndiceerde zorg van Parlan of Altra. Deze hulpverlening dient erop gericht te zijn de ouders te leren hoe zij de reactie van [de minderjarige] op bepaalde zaken, zoals de zorgregeling, kunnen duiden, aldus de raad.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

[de minderjarige] is meervoudig gehandicapt en heeft intensieve zorg en -begeleiding nodig. Hij heeft zowel cognitieve als lichamelijke beperkingen en volgt speciaal onderwijs.

In het ouderschapsplan van 19 januari 2015 zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij [de minderjarige] in het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede een verdeling van de vakantie- en feestdagen.

Van 6 oktober 2016 tot 6 oktober 2017 heeft [de minderjarige] onder toezicht gestaan van DJGB in verband met de onderlinge strijd tussen de ouders en het feit dat zij onvoldoende konden samenwerken. Deze strijd leidde tot grote spanningen, wat zijn weerslag had op [de minderjarige] . Hij had last van een loyaliteitsconflict. Uit een brief van DJGB van 20 juli 2017 aan de ouders blijkt dat de ouders gedurende de ondertoezichtstelling goed tot afspraken konden komen, behalve over de verdeling van het Persoonsgebonden Budget (PGB) van [de minderjarige] . Uit het Gezinsplan van DJGB van 20 juli 2017 blijkt dat de ouders in maart 2017 in onderling overleg aanvullend op de bestaande zorgregeling hebben afgesproken dat [de minderjarige] elke maand één weekend bij de vrouw is. De samenwerking en communicatie tussen de ouders verslechterde nadien echter opnieuw. Naar aanleiding van een incident in april 2019 kwam [de minderjarige] enige tijd niet bij de man. Inmiddels is dit contact weer hersteld en wordt weer uitvoering gegeven aan de zorgregeling zoals die was overeengekomen, dat wil zeggen dat [de minderjarige] doordeweeks en in het eerste weekend van de maand bij de vrouw is en de overige weekenden bij man. Ter zitting hebben de ouders verklaard dat deze regeling nu goed verloopt. Van de zijde van de vrouw is daarbij wel de kanttekening geplaatst dat [de minderjarige] weerstand vertoont, die hij volgens de man niet bij hem laat zien. Voor verbetering van de communicatie en samenwerking tussen de ouders is hulpverlening in het vrijwillig kader vanuit de gemeente Hoorn ingezet.

5.8

Het hof is van oordeel dat de zorgregeling dient te blijven zoals die thans verloopt. In maart 2017 hebben zij de zorgregeling uit hun ouderschapsplan in onderling overleg gewijzigd zodat de vrouw één weekend per maand met [de minderjarige] kan doorbrengen. Sindsdien zijn geen veranderingen opgetreden die aanleiding zouden kunnen geven tot de nogal ingrijpende wijziging zoals door de vrouw verzocht. Gezien de spanningen en moeizame communicatie tussen de ouders lijkt de door de vrouw ervaren weerstand van [de minderjarige] tegen de omgang met de man deels te zijn ingegeven door zijn loyaliteit richting de vrouw. Concrete aanwijzingen dat de weerstand een andere oorzaak heeft, zijn er niet. Volgens de man heeft [de minderjarige] bij aankomst bij hem enige tijd nodig om te acclimatiseren. Hij verwacht dat [de minderjarige] , mede gezien zijn beperkingen, hiermee meer moeite zal hebben en meer tijd nodig zal hebben indien hij twee weken niet bij hem is geweest. Met de man acht het hof het, ondanks de weerstand tegen de omgang van [de minderjarige] die de vrouw bij hem ziet, niet in zijn belang om zijn vader langere tijd niet te zien. Een zorgregeling van een weekend per veertien dagen met een omgangsmoment door de week, zoals de raad ter zitting in hoger beroep heeft geopperd, is niet passend omdat de man in de ochtend vroeg voor zijn werk van huis moet en dan geen zorgtaken kan dragen, terwijl bezoeken in de middagen voor [de minderjarige] teveel onrust zullen meebrengen. Daarom acht het hof de zorgregeling zoals die in de bestreden beschikking is bepaald, het meest in het belang van [de minderjarige] . Ter verduidelijking zal het hof in overeenstemming met het verzoek van de man bepalen dat [de minderjarige] ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, behalve het eerste weekend van de maand waarvan de vrijdag reeds in de nieuwe maand valt.

5.9

Het hof heeft ter zitting in hoger beroep van de vrouw begrepen dat partijen ten aanzien van de vakantie- en feestdagen in onderling overleg zijn overeengekomen dat de weekendregeling het hele jaar doorloopt behalve in de zomervakantie, die bij helfte gedeeld tussen de ouders. Niettemin zal het hof, gelet op de met elkaar en de bestreden beschikking overeenstemmende verzoeken van partijen, de bestreden beschikking wat betreft de vakantie- en feestdagen bekrachtigen. Het staat partijen steeds vrij om in onderling overleg tot andere afspraken te komen.

5.10

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en vult daarop ter verduidelijking aan dat [de minderjarige] ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, behalve het eerste weekend van de maand waarin de vrijdag reeds in de nieuwe maand valt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 15 december 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.