Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3478

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
200.266.931/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongeschil fysiotherapiepraktijk, overeengekomen beloningsstructuur is geen all-in-beding in strijd met artikel 7:639 e.v. jo. 7:645 BW en artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn, vordering tot betaling van onder andere vakantiebijslag, vakantieloon, ADV-dagen en ziekengeld afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.266.931/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7177387 CV EXPL 18-19245

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 december 2020

inzake

[appellante] ,

wonende [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. D.S. de Ploeg te Amsterdam,

tegen

FYSIOTHERAPIE [X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. van Kasteel te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [X] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 26 september 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 1 juli 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [X] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord;

- akte houdende overlegging producties;

- antwoord-akte.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [appellante] zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief nakosten.

[X] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellante] heeft tegen deze feitelijke vaststelling een grief gericht. Volgens [appellante] is de door haar in eerste aanleg aangevoerde gang van zaken onvoldoende in het feitencomplex opgenomen. Het hof zal hierop, voor zover van belang, bij de beoordeling terugkomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellante] is van 1 augustus 2008 tot 1 augustus 2017 werkzaam geweest bij [X] in de functie van fysiotherapeut/manueel therapeut.

2.2

In de daartoe gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 1 januari 2010 (hierna: de arbeidsovereenkomst) is, voor zover relevant, het volgende bepaald:
(…) Artikel 4. (…) De werknemer komt in dienst op basis van vast salaris en de arbeidsduur bedraagt …32… uren per week.(…)
Artikel 7. (…) Het basissalaris bedraagt op het moment van afsluiten van deze overeenkomst € 2.600 bruto per maand bij een volledig dienstverband (40 uur) (…). Bij een part-time dienstverband van 80% bedraagt het basissalaris € 2080. bruto per maand.

De werknemer en werkgever komen volgende Resultaat afhankelijke toeslag

overeen:
7.1. Grondslag voor de berekening van het aan de werknemer toekomende Resultaat afhankelijke toeslag zijn de door de werknemer in dienst van de werkgever verrichte behandelingen met dien verstande dat de totale loonkosten (vast salaris plus resultaat afhankelijke toeslag en alle andere verplichte vergoedingen aan de medewerker) voor de werkgever .63.% bedragen van de door de werknemer zelf gerealiseerde zittingen X basistarief. Het basistarief van een reguliere zitting fysiotherapie wordt vastgesteld op € …23…. (zie Bijlage 2. afrekentarieven 2010). De basistarieven (afrekentarief per prestatiecode) zal ieder jaar door de werkgever vastgesteld worden.

7.2

Werkgever zal het Basissalaris en het resultaat afhankelijke toeslag (hierna tezamen: het “Salaris”) onder inhouding van de wettelijk voorschreven belastingen en sociale verzekeringspremies aan werknemer betalen (…).
7.3 Het basissalaris wordt uitbetaald in de maand, volgende op die waarin de Werkzaamheden zijn verricht, tegelijk met de uitbetaling van een voorschot op het resultaat afhankelijke toeslag. De hoogte van voorschot is 1/12e deel van te verwachten jaartoeslag (…).

7.6.

Werknemer ontvangt jaarlijks 8% vakantietoeslag over de som van het Salaris, dat hij in de aan 1 juni van het betreffende kalenderjaar voorafgaande 12 maanden heeft ontvangen.

7.7.

De vakantietoeslag wordt jaarlijks uitbetaald met de salarisbetaling van mei (…).

Artikel 9. (…) De werknemer heeft bij een full time aanstelling van 40 uur recht op

23 werkdagen vakantie per kalenderjaar. (…) ”

2.3

In een bijlage bij de arbeidsovereenkomst (“Bijlage 1 nov 2009”; hierna: de bijlage) is, voor zover relevant, bepaald:
(…)Vergoedingen;
Cursussen; (…)

Praktijkeigenaar bepaald of de medewerker voor vergoeding in aanmerking komt (is er behoefte aan?)

Lidmaatschap;

KNGF vergoeding: (…) KNGF lidmaatschap maximaal 400 euro bij een fulltime aanstelling of naar ratio daarvan bij een parttime aanstelling met een minimum van 200 euro.

2.4

Nadat het dienstverband tussen [appellante] en [X] was beëindigd, heeft (de gemachtigde van) [appellante] aanspraak gemaakt op onder andere nabetaling van vakantiebijslag en vakantieloon, onder verwijzing naar een rapportage van PR10RE accountants en belastingadviseurs van 26 april 2018 (hierna: de PR10RE-rapportage).

3 Beoordeling

3.1

[appellante] vordert dat [X] wordt veroordeeld tot betaling van (i)

€ 25.609,71 bruto ter zake van vakantiebijslag, (ii) € 30.571,59 bruto ter zake van vakantieloon, (iii) € 3.073,17 bruto ter zake van ADV-dagen, (iv) € 11.986,71 ter zake van bruto loon, (v) € 497,74 bruto ter zake van ziekengeld en (vi) € 3.301,41 netto ter zake van vergoeding van beroepskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en, ten aanzien van de bedragen onder (i) tot en met (v), de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW. [appellante] heeft daarnaast gevorderd dat [X] op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld tot afgifte van bruto/netto specificaties van de nabetalingen en dat [X] wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.3

Met grief 1 richt [appellante] zich tegen de feitenvaststelling van de kantonrechter onder 1.1 tot en met 1.6 van het bestreden vonnis. [appellante] heeft betoogd dat de kantonrechter ten onrechte niet alle door [appellante] genoemde feiten heeft opgenomen in de feitenvaststelling. De kantonrechter is bij de feitenvaststelling echter vrij en daarbij niet gehouden meer of andere feiten vast te stellen dan hij aan zijn beslissing ten grondslag legt. Grief 1 faalt daarom.

3.4

Grief 2 keert zich tegen de overweging van de kantonrechter dat hij zich aansluit bij de uitspraak in een naar zijn oordeel vergelijkbare zaak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:RBMNE:2019:859). Deze grief kan op zichzelf niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellante] leiden en behoeft daarom bij gebrek aan belang geen bespreking. Grief 2 faalt.

Vakantiebijslag

3.5

[appellante] heeft met grief 3 betoogd dat zij recht heeft op nabetaling van vakantiebijslag. Zij heeft naar voren gebracht dat [X] de vakantiebijslag niet heeft berekend over de som van het basissalaris en de resultaatafhankelijke toeslag, zoals overeengekomen in artikel 7.6 van de arbeidsovereenkomst. In plaats daarvan heeft [X] volgens [appellante] een bedrag aan vakantiebijslag periodiek in mindering gebracht op het brutosalaris en (aldus) de vakantiebijslag opgenomen in het brutosalaris. Verder heeft [appellante] gesteld dat zij nooit expliciet heeft ingestemd met maandelijkse betaling van de vakantiebijslag.

3.6

De door [X] in de procedure bij de rechtbank in het geding gebrachte (half)jaarlijkse afrekeningen en de “ rapporten Looncomponenten (per periode)” vermelden de betaling van vakantiebijslag over de som van het basissalaris en het voorschot op de resultaatafhankelijke toeslag en daarnaast over de nabetalingen van de resultaatafhankelijke toeslag in het kader van de (half)jaarlijkse afrekening. De betaling van deze vakantiebijslag – over zowel het genoemde (maand)salaris als de nabetaling – volgt ook uit de door [appellante] in het geding gebrachte salarisstroken. [appellante] heeft geen grief gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellante] niet heeft betwist dat de maandelijkse betalingen zoals deze blijken uit de loonspecificaties- en afrekeningen ook aan haar zijn betaald. Het hof volgt de stelling van [appellante] dat [X] geen vakantiebijslag heeft betaald over het salaris (de som van het basissalaris en de resultaatafhankelijke toeslag) daarom niet. Daargelaten of is voldaan aan het vereiste van artikel 17 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, [X] heeft jarenlang, vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst, structureel melding gemaakt van de maandelijkse betaling van de vakantiebijslag op de loonspecificaties, afrekeningen en rapporten, zodat dit voor [appellante] kenbaar was en zonder dat [appellante] daartegen heeft geprotesteerd. [X] heeft daarom erop mogen vertrouwen dat [appellante] geen bezwaar had tegen deze gang van zaken. Hier komt bij dat [appellante] weliswaar heeft gesteld dat zij het met de berekening van de vakantiebijslag niet eens is, maar zij heeft nagelaten toe te lichten op welk onderdeel de berekening van de betrokken (wel aan haar betaalde) bedragen niet juist is, en welke bedragen dan wel aan haar uitgekeerd hadden moeten worden. In het licht van het bovenstaande faalt grief 3.

Loon over vakantiedagen

3.7

Met grief 4 richt [appellante] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij geen recht heeft op nabetaling van loon over door haar opgenomen vakantiedagen. [appellante] heeft aangevoerd dat alleen salaris is betaald op basis van door haar uitgevoerde behandelingen en niet over dagen waarop zij geen behandelingen verrichtte. Over haar vrije dagen (waarop zij geen behandelingen uitvoerde) heeft zij dus geen loon doorbetaald gekregen. In ieder geval is het volgens [appellante] aan [X] om aan de hand van de administratie te stellen en onderbouwen dat zij over niet-gewerkte dagen wel salaris heeft betaald. Het door [X] toegepaste beloningssysteem komt volgens [appellante] neer op een all-in-beloning, waarbij de wettelijke looncomponenten zoals vakantieloon en vakantiebijslag, geacht worden te zijn inbegrepen in de loonkosten (het omzetpercentage). Een dergelijk all-in-beding is volgens [appellante] nietig wegens strijd met artikel 7:639 e.v. jo. 7:645 BW en artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (hierna: de Arbeidstijdenrichtlijn). Bovendien heeft [appellante] niet ingestemd met een all-in-beding en is zij daarover bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet behoorlijk geïnformeerd.

3.8

Het hof is van oordeel dat de tussen [X] en [appellante] afgesproken beloningsstructuur geen all-in-beding in strijd met artikel 7:639 e.v. jo. 7:645 BW en artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn inhoudt en dat [appellante] geen recht heeft op nabetaling van vakantieloon. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. Uit de arbeidsovereenkomst tussen [X] en [appellante] volgt dat tussen partijen een vast maandsalaris is afgesproken met daarnaast een variabele looncomponent (de resultaatafhankelijke toeslag). Uit de in het geding gebrachte jaaroverzichten, de “rapporten Looncomponenten (per periode)” en de (half)jaarlijkse afrekeningen blijkt ook dat het aan [appellante] betaalde salaris bestond uit enerzijds het vaste salaris en anderzijds (een voorschot op) de resultaatafhankelijke toeslag. [X] heeft dit genoegzaam toegelicht (onder nrs. 9 t/m 12 conclusie van dupliek in eerste aanleg) aan de hand van de door haar in het geding gebrachte overzichten over het jaar 2013 (overgelegd als productie 6 t/m 9 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg). Uit deze toelichting en de daarbij behorende stukken blijkt dat het bedrag aan vast salaris over 2013 groot € 24.960,00 separaat werd geadministreerd, evenals de resultaatafhankelijke toeslag (in 2013: € 36.975,57). [appellante] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij alleen salaris betaald kreeg over door haar uitgevoerde behandelingen en niet over de dagen waarop zij geen behandelingen verrichtte, nog verwezen naar de PR10RE-rapportage. Uit deze rapportage volgt echter niet dat en, zo ja, op grond waarvan moet worden aangenomen dat [appellante] geen salaris ontving over niet-gewerkte dagen. De stelling van [appellante] dat haar salaris volledig was gekoppeld aan haar omzet, wordt dus niet gevolgd.

3.9

De aanspraak van [appellante] op (betaalde) vakantie is vastgelegd in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst en [appellante] heeft niet betwist dat zij vanaf haar indiensttreding iedere maand salaris heeft ontvangen van [X] , ook in de maanden dat zij vakantiedagen heeft opgenomen. Dit strookt ook met de door [appellante] zelf in het geding gebrachte salarisstroken. [appellante] heeft de stelling van [X] dat [appellante] op geen enkele wijze is belemmerd om vakantiedagen op te nemen en dat zij dat ook ruimschoots heeft gedaan, niet betwist. [appellante] heeft wel gesteld dat de recuperatiefunctie van vakantie in het geding is gekomen omdat zij voor en na vakanties extra uren heeft gewerkt. [appellante] heeft ter onderbouwing van deze stelling verwezen naar een app-bericht van 22 mei 2017 van de heer [A] (directeur van [X] ), waarin hij voorstelt het voorschot te verlagen omdat [appellante] in de eerste helft van 2017 duidelijk minder heeft gewerkt. [X] heeft echter toegelicht dat dit bericht was ingegeven door het feit dat [appellante] structureel minder had gewerkt. Uit de tekst van het bericht volgt bovendien niet dat het minder werken door [appellante] samenhing met het opnemen van vakantie, zodat (ook) hieruit niet volgt dat de recuperatiefunctie van vakantie in het geding is geweest door de manier waarop [appellante] werd beloond. Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat op de salarisstroken vanaf 2015 naast de vakantiebijslag ook de opgenomen vakantiedagen expliciet zijn vermeld, terwijl niet is gesteld of gebleken dat vanaf dat moment de wijze waarop [appellante] tijdens vakantie werd beloond feitelijk veranderde. Dat [appellante] tijdens vakanties geen behandelingen uitvoerde en dus geen omzet kon genereren ten behoeve van de resultaatafhankelijke toeslag, is in het licht van bovengenoemde omstandigheden onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat de wijze van beloning in strijd is met artikel 7:639 e.v. jo. 7:645 BW en artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn. Grief 4 faalt.

ADV-dagen

3.10

Met grief 5 richt [appellante] zich tegen de afwijzing van haar vordering tot betaling van € 3.073,17 ter zake van ADV-dagen. Uit de grief blijkt echter onvoldoende op welke gronden [appellante] zich niet kan verenigen met (r.o. 15 van) het bestreden vonnis. De enkele verwijzing naar de dagvaarding, de conclusie van repliek en de PR10RE-rapportage, volstaat daarvoor niet. Reeds op die grond faalt grief 5.

3.11

Voor zover [appellante] heeft betoogd dat zij geen loon doorbetaald heeft gekregen tijdens door haar opgenomen ADV-dagen, stuit dit betoog af op wat het hof hierboven heeft overwogen over de vordering van [appellante] tot nabetaling van vakantieloon. Daarbij komt bovendien dat de wettelijke regeling voor vakantiedagen niet geldt voor ADV-dagen. Artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn geldt evenmin voor bovenwettelijke vakantiedagen (HvJ EU 8 september 2020, ECLI:EU:C:2020:676).

Ziekengeld

3.12

Met grief 6 richt [appellante] zich tegen de afwijzing van haar vordering tot betaling van € 497,74 ter zake van ziekengeld. [appellante] heeft betoogd dat een te laag bedrag aan ziekengeld is betaald, omdat het ziekengeld vermeerderd had moeten worden met de berekende opslagen aan te weinig betaald loon. Ook uit grief 6 blijkt echter onvoldoende op welke gronden [appellante] zich niet kan verenigen met (r.o. 16 van) het bestreden vonnis. De enkele opmerking dat de berekening van het ziekengeld uit de PR10RE-rapportage verschilt van de berekening van [X] , is daartoe niet toereikend. Grief 6 faalt daarom.

Wijziging afrekentarieven

3.13

Met (een deel van) grief 7 keert [appellante] zich tegen de afwijzing van de kantonrechter van de vordering van [appellante] in verband met wijzigingen van de afrekentarieven (tarieven per behandeling) door [X] . [appellante] heeft aangevoerd dat voor zover [X] al de bevoegdheid had jaarlijks afrekentarieven vast te stellen, zij van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik mocht maken om deze tarieven (eenzijdig) te verlagen. Het is volgens [appellante] aan [X] om aan te tonen dat [X] bij die verlaging een zwaarwichtig belang had in de zin van artikel 7:613 BW. Zij heeft verder naar voren gebracht dat de eenzijdige verlaging van de behandeltarieven negatieve effecten heeft gehad op het van de omzet voor deze behandelingen afgeleide brutosalaris van [appellante] en in strijd is met artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) en 7:618 BW (recht op gebruikelijk loon/loon naar billijkheid).

3.14

Het hof oordeelt als volgt. [appellante] miskent dat op grond van de arbeidsovereenkomst de bevoegdheid tot het vaststellen van de afrekentarieven ten behoeve van de berekening van de resultaatafhankelijke toeslag, bij [X] lag en dat [appellante] daarmee heeft ingestemd. In (het onder 2.2 deels geciteerde) artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst is immers overeengekomen dat het afrekentarief ieder jaar door [X] zal worden vastgesteld. Artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst is dus geen beding dat de bevoegdheid geeft tot wijziging van een overeengekomen arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 7:613 BW. [X] had alleen dan de tarieven niet mogen bijstellen zoals zij heeft gedaan als zij dat op een andere manier heeft gedaan dan [appellante] op grond van de arbeidsovereenkomst mocht verwachten, of op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellante] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit dit zou volgen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Sterker, [appellante] heeft niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat [X] ook tariefsverhogingen heeft doorgevoerd en dat [appellante] per saldo niet slechter is geworden van de tariefswijzigingen. [appellante] heeft ook niet betwist dat er voor de tariefswijzigingen aansluiting is gezocht bij de hoogte van door de ziektekostenverzekeraars gehanteerde vergoedingen. [appellante] heeft ten slotte niet nader toegelicht dat en waarom de door [X] gehanteerde tariefswijzigingen in strijd zouden zijn met artikel 7:611 BW en artikel 7:618 BW, welk artikel overigens alleen van toepassing is indien er geen loon is vastgesteld, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Grief 7 faalt in zoverre.

Werkgeverslasten

3.15

[appellante] heeft in grief 8 betoogd dat [X] teveel aan werkgeverslasten heeft ingehouden ten koste van haar brutoloon. Bij de berekening van de totale loonkosten heeft [X] stijgingen in de werkgeverslasten doorberekend, wat niet is toegestaan op grond van artikel 20 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), aldus [appellante] .

3.16

Op grond van (het onder r.o. 2.2 deels geciteerde) artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst vormen de “verplichte vergoedingen aan de medewerker” een van de componenten van de totale loonkosten die een rol spelen bij de berekening van de resultaatafhankelijke toeslag. Tussen partijen is niet in geschil dat hieronder (in ieder geval) de werkgeverslasten worden begrepen. De werkgeverslasten spelen dus een rol bij de berekening van het gedeelte van de gerealiseerde omzet dat aan de werknemer als brutoloon toekomt. Hierop heeft artikel 20 Wfsv geen betrekking. Grief 8 faalt daarom.

Wettelijke rente en wettelijke verhoging

3.17

In het kader van de eindafrekening heeft [X] aan [appellante] op 23 oktober 2018 een (na)betaling gedaan van € 1.861,00. Met grief 9 keert [appellante] zich tegen de afwijzing in het bestreden vonnis van haar vordering tot betaling van wettelijke rente en wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW over deze betaling.

3.18

[appellante] heeft bij dagvaarding in eerste aanleg ter zake van niet betaald netto loon € 1.027,24 gevorderd en [X] heeft vervolgens in het kader van de eindafrekening een aanzienlijk hoger bedrag, te weten € 1.861,00, aan haar voldaan. Na deze betaling heeft [appellante] haar vordering van € 1.027,24 netto ingetrokken. Het hof begrijpt uit r.o. 22 van het bestreden vonnis dat de kantonrechter heeft overwogen dat (onder andere) de vordering tot betaling van wettelijke rente en de wettelijke verhoging geacht moet worden in de (na)betaling van € 1.861,- netto te zijn begrepen, althans dat de kantonrechter het beroep op matiging van [X] heeft gehonoreerd gelet op de hoogte van de nabetaling. Uit de grief en de toelichting blijkt niet op welke gronden [appellante] zich niet kan verenigen met dit oordeel. [appellante] heeft niet toegelicht waarom dit oordeel niet juist zou zijn, noch heeft zij gesteld dat het aan wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigde bedrag hoger is dan het verschil tussen het door haar gevorderde en door [X] (na)betaalde bedrag. De enkele stelling dat wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigd is, volstaat niet. Grief 9 faalt.

Aantal behandelingen

3.19

In (een deel van) grief 7 en grief 10 heeft [appellante] gesteld dat [X] een aantal door haar verrichte behandelingen niet heeft meegenomen bij de berekening van haar loon. Deze grieven lenen zich in zoverre voor gezamenlijke behandeling. [appellante] heeft ter onderbouwing van deze stelling haar persoonlijke praktijkagenda en een overzicht uit het patiëntenadministratiesysteem Intramed (hierna: Intramed) van [X] in het geding gebracht. Zij heeft ter toelichting daarop gesteld dat in haar praktijkagenda meer door haar verrichte behandelingen zijn opgenomen dan in Intramed. Nu [appellante] daarbij niet duidelijk heeft gemaakt welke behandelingen, op welke data, niet zouden zijn meegenomen bij de berekening van haar loon, heeft zij haar vordering onvoldoende toegelicht. Het door haar in het geding gebrachte overzicht, waarop uitsluitend verschillen tussen haar eigen praktijkagenda en het vergoedingenoverzicht van [X] in aantallen behandelingen worden genoemd, volstaat daarvoor niet. Nu [appellante] , tegenover de betwisting van [X] , onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat er te weinig behandelingen zijn meegenomen bij de berekening van haar loon, wordt haar bewijsaanbod gepasseerd. Bij dit alles komt dat [X] onbetwist heeft gesteld dat Intramed binnen haar praktijk leidend was en dat [appellante] zelf haar gegevens invoerde in dit systeem. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat [X] terecht van de gegevens in Intramed is uitgegaan. Grief 10 faalt.

Beroepskosten

3.20

Met grief 11 richt [appellante] zich tegen de afwijzing van de door haar gevorderde vergoeding van beroepskosten. De (deels onder r.o. 2.3 geciteerde) bijlage, die deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, bepaalt over de vergoeding van kosten voor cursussen dat de praktijkeigenaar bepaalt of de kosten van een cursus aan een medewerker worden vergoed (op basis van de vraag of aan de betreffende cursus behoefte is). [appellante] heeft niet gesteld dat ze toestemming aan [X] heeft gevraagd voor de cursussen waarvoor zij een kostenvergoeding vordert. Reeds hierop stuit de vordering tot kostenvergoeding af. [appellante] heeft betoogd dat de toestemming impliciet was gegeven omdat de cursussen noodzakelijk waren voor haar opleiding en deze zijn gevolgd met instemming van [X] . Daarnaast heeft ze aangevoerd dat een redelijke uitleg van de bijlage meebrengt dat de kosten van de cursussen vergoed (moeten) worden. Het hof volgt dit betoog niet. Uit de bijlage volgt juist dat [X] uitsluitend de kosten vergoedt van die cursussen waaraan binnen haar praktijk behoefte bestaat.

3.21

Ten aanzien van de vergoeding van de KNGF-bijdrage over 2017 geldt dat [X] bij conclusie van dupliek in eerste aanleg (onder verwijzing naar de conclusie van antwoord) heeft aangevoerd dat zij op 23 oktober 2018 een bedrag van € 1.861,00 aan [appellante] overgemaakt in het kader van de eindafrekening, en dat de vergoeding van de KNGF-bijdrage van € 231,89 daarvan onderdeel uitmaakte. [X] heeft hierbij verwezen naar producties 29 en 30 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg. Productie 29 betreft een overzicht “afrekening 2017” met eindbedrag € 1.861,-, waarop een bedrag van € 232,00 aan KNGF-bijdrage is vermeld, productie 30 is een salarisspecificatie van december 2017 voor een totaalbedrag € 810,05 netto, waarop eveneens een bedrag van € 231,89 is opgenomen, met als omschrijving “KNGF Vergoeding”. Bij memorie van grieven heeft [appellante] betwist dat zij het op de salarisspecificatie genoemde bedrag van € 810,05 netto heeft ontvangen, maar zij heeft niet betwist dat de KNGF-vergoeding onderdeel uitmaakte van de nabetaling van

€ 1.861,- netto die op 23 oktober 2018 aan haar is overgemaakt. Bij memorie van antwoord heeft [X] nog toegelicht dat het netto bedrag van € 810,05 niet aan [appellante] is uitbetaald maar onderdeel vormt van de nabetaling van 23 oktober 2018. In het licht hiervan kon [appellante] niet volstaan met de enkele betwisting dat zij de vergoeding heeft ontvangen. De grief faalt.

3.22

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] heeft geen bewijs aangeboden van feiten of stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep (inclusief de nadere aktewisseling), tot op heden aan de zijde van [X] begroot op € 2.020,00 aan verschotten en € 2.938,50 voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, F.J. Verbeek en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 december 2020.