Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3454

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
23-00355-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling; klap op en knijpen in bil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000355-20

datum uitspraak: 17 december 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-231796-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

thans zonder vaste woon-en verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 03 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [benadeelde] door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het (onverhoeds) aanraken van en/of betasten en/of knijpen in en/of slaan op de (rechter)bil(len) van voornoemde [benadeelde];

2.
hij op of omstreeks 3 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het eenmaal of meermalen slaan op de (rechter)bil(len) van voornoemde [benadeelde];

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster, een hem onbekende vrouw, in het station onverhoeds in de bil heeft geknepen. Nadat aangeefster verdachte in niet mis te verstane woorden te kennen had gegeven hier niet van gediend te zijn, heeft hij haar desondanks nogmaals in de bil geknepen. Hierop is aangeefster verder gelopen, waarna de verdachte achter haar aan is gelopen, haar op de bil heeft geslagen en nogmaals in de bil heeft geknepen. Het hof, dat de aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft gehoord, ziet geen grond om te twijfelen aan haar verklaring en acht die geloofwaardig, ook voor wat betreft het knijpen in haar bil dat niet op camera is te zien.

Het hof kwalificeert de door de verdachte verrichte handelingen onder beschreven omstandigheden als ontuchtig. Verdachte heeft de handelingen in onderlinge samenhang en naar hun uiterlijke verschijningsvorm immers met een seksuele intentie verricht, waardoor zij in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 3 augustus 2019 te Amsterdam, door geweld en/of andere feitelijkheden [benadeelde] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het (onverhoeds) knijpen in en slaan op de rechterbil van voornoemde [benadeelde];

2.
hij op 3 augustus 2019 te Amsterdam, [benadeelde] heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het eenmaal slaan op de rechterbil van voornoemde [benadeelde];

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het hof overweegt – anders dan de politierechter – dat ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten geen sprake is van eendaadse maar van meerdaadse samenloop, als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. Niet enkel verschilt de strekking van de betreffende strafbepalingen, tevens is geen sprake van een volledige gelijktijdigheid van de bewezenverklaarde gedragingen.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit te volstaan met het opleggen van een geldboete ter hoogte van € 500,00.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op een avond in de hal van het Centraal Station van Amsterdam schuldig gemaakt aan het meermaals knijpen in en slaan op de bil van aangeefster, die hij niet kende en die hem -na de eerste kneep- volstrekt duidelijk had gemaakt daar niet van gediend te zijn. Hiermee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en eer, en haar pijn gedaan. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en op treinstations in de avonduren in het bijzonder. Het hof neemt dit de verdachte kwalijk.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat uit een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 november 2020 blijkt dat de verdachte eerder meermalen wegens geweldsmisdrijven onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof heeft kennis genomen van een brief van het Leger des Heils aan het ressortsparket Amsterdam van 17 september 2020 inzake de retourzending van een opdracht tot het opmaken van een reclasseringsadvies. De verdachte wilde aan het opstellen van een advies niet meewerken.

Het hof stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 22b, eerste lid onder a, dan wel als bedoeld in artikel 22b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Een taakstrafverbod is derhalve niet van toepassing.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof een vrijheidsbenemende straf thans niet aan de orde. Aan de andere kant doet oplegging van een geldboete zoals door de raadsvrouw bepleit naar het oordeel van de het hof ook geen recht aan de ernst en laakbaarheid van hetgeen bewezen is verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag. Ter terechtzitting heeft zij haar vordering verlaagd tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft bepleit dat er geen grond is voor toewijzing van de vordering en subsidiair verzocht het gevorderde bedrag te matigen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij is, doordat de verdachte haar meermaals in haar bil heeft geknepen en op haar bil heeft geslagen, aangetast in haar lichamelijke integriteit en in haar eer. De impact die het handelen van de verdachte op haar heeft gehad heeft zij ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig toegelicht. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot het bedrag dat dat door de politierechter is toegewezen en waartoe de benadeelde partij haar vordering in hoger beroep ook heeft beperkt.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 augustus 2019.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. M.J.A. Duker en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2020.

===================================================================

[…]