Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3413

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
23-004154-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bïnvloeding getuigen. Uitgebreide bespreking in hoger beroep gevoerde verweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004154-18

datum uitspraak: 4 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-204506-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:

op of omstreeks 9 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens een of meer onbekend gebleven buurtbewoners heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten of ernstige reden had/hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- een smartphone zo zichtbaar mogelijk in de richting van de omstanders gericht en/of

- met een smartphone (met flitslamp) een of meer buurtbewoners gefilmd en/of

- met luide stem en op intimiderende toon geroepen "wij willen geen verraders" en "wij willen geen snitches" en/of

- met een scooter rondjes gereden rondom een of meer buurtbewoners en/of

- geroepen "wij zijn hier de baas" en/of

- geschreeuwd naar een getuige "waarom verraad je, het is niet jouw zaak waar bemoei je je mee".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat van de zijde van de verdachte geen sprake is geweest van a) uitlatingen tegen personen b) met de intentie die personen te beïnvloeden en voorts dat er geen aanwijzingen zijn dat c) de verdachte ernstige reden had te vermoeden dat de personen in kwestie een verklaring zouden afleggen. Voor zover er uitlatingen zijn gedaan, die ertoe strekten iemand te beïnvloeden, zijn deze door de medeverdachte gedaan. De verdachte heeft verklaard dat hij deze uitlatingen niet heeft gehoord. Bovendien heeft de medeverdachte verklaard dat het een impulsieve actie was, waar hij niet over had nagedacht. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte, welke samenwerking zou zijn gericht op het beïnvloeden van de omstanders. Voor zover het hof niet aannemelijk zou achten dat de verdachte de uitlatingen van de medeverdachte niet heeft gehoord, dan is het van belang op te merken dat de verdachte achterop de scooter zat die door de medeverdachte werd bestuurd, waardoor het voor de verdachte niet mogelijk was zich aan de situatie te onttrekken, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 9 september 2018 omstreeks 21:35 vond op de Oostelijke eilanden te Amsterdam een achtervolging plaats door een motoragent van een motorscooter met drie opzittenden naar aanleiding van het feit dat de bestuurder een stopteken van de politie had genegeerd. De vluchtende motorscooter is vervolgens op de [straat 1] tegen een hek gecrasht en de opzittenden zijn weggerend in de richting van het [straat 2] en de [straat 1]. Verbalisant [verbalisant 1], die naar aanleiding van de melding ter plaatste was gekomen, heeft zich bij de motoragent vervoegd om de drie opzittenden van de motorscooter te achterhalen en om de gecrashte motorscooter bij de brug aan de [straat 1] veilig te stellen. De verbalisant zag dat veel buurtbewoners zich ter plaats van het incident hadden verzameld. Ook was er veel zogenoemde hangjeugd aanwezig. Diverse bewoners die op het trottoir stonden gaven de politie aanwijzingen over waar zij de vluchtende jongeren zagen rennen en waar deze spullen hadden weggegooid. Op dat moment zag de verbalisant een scooter met daarop twee personen, van wie hij de verdachte als bijrijder en [medeverdachte] als bestuurder herkende. De situatie was op dat moment nog onoverzichtelijk, onder meer door de aanloop van personen die wat wilden vertellen. De verbalisant zag en hoorde dat [medeverdachte] met luide stem en op intimiderende toon diverse bewoners die op het trottoir stonden van dichtbij aan riep met de woorden: “wij willen geen verraders” en “wij willen geen snitches”. Het was de verbalisant ambtshalve bekend dat “snitches” straattaal is voor verraders. De verbalisant zag dat de verdachte de personen die door [medeverdachte] werden aangeroepen met opgeheven telefoon aan het filmen was. Dat de verdachte daadwerkelijk aan het filmen was, bleek uit het feit dat de verbalisant omstanders op het scherm (het hof begrijpt: van de telefoon die de verdachte vast had) kon zien. De verdachte hield daarbij de telefoon zo zichtbaar mogelijk naar de omstanders. De omstanders liepen daarop weg. Een onbekend gebleven oudere vrouw, die de verbalisant eerder had aangesproken, omdat ze wilde laten zien waar iets door een vluchtende jongen was weggegooid, wilde niet meer verklaren wat ze had gezien. Dit was nadat [medeverdachte] en de verdachte recht op deze vrouw af waren gereden en vlak voor haar keerden.

Het hof is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, de gedragingen van [medeverdachte] en de verdachte – het rijden van rondjes om de omstanders en zelfs op iemand af rijden en dan keren, het roepen van de woorden “wij willen geen verraders” en “wij willen geen snitches” en het duidelijk zichtbaar filmen van de omstanders terwijl deze woorden de omstanders op luide en intimiderende toon werden toegevoegd – naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als uitingen die kennelijk bedoeld waren om de verklaringsvrijheid van de omstanders te beïnvloeden. Er stonden immers op dat moment nog diverse bewoners op het trottoir die aanwijzingen gaven aan de verbalisanten waar zij de vluchtende jongeren zagen rennen en waar deze spullen hadden weggegooid. Het hof betrekt daarbij voorts dat uit het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] blijkt dat er op de Oostelijke Eilanden in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde feit een tweetal schietincidenten hebben plaatsgevonden, waarbij bewoners uit de buurt waren betrokken. Bovendien is er in de buurt overlast van zogenoemde hangjeugd. Er is daardoor sprake van een groot gevoel van onveiligheid onder de bewoners van deze wijk. De verdachte was daarvan op de hoogte, zoals hij ook ter terechtzitting van het hof heeft verklaard.

Uit genoemde feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof tevens dat de verdachte en [medeverdachte] bij hun uitingen en gedragingen tegen de omstanders ernstige reden hadden te vermoeden dat die omstanders iets wensten te verklaren tegen aanwezige politieambtenaren omtrent hetgeen was voorgevallen met de ten val gekomen motorscooter en/of de jongens die daarop hadden gezeten en waren weggerend.

Dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, niet zou hebben gehoord wat [medeverdachte] de omstanders heeft toegevoegd, acht het hof niet geloofwaardig. Immers, de verdachte zat bij [medeverdachte], binnen gehoorafstand, achterop de scooter en uit het eerdergenoemd proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat [medeverdachte] op luide toon sprak, waarbij dit voor de verbalisant en de omstanders op het trottoir op een afstand van een tot drie meter duidelijk hoorbaar was. Dat de verdachte zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard louter uit sensatiezucht omstanders met zijn telefoon aan het filmen was, enkel met de bedoeling om de beelden bij wijze van informatieverstrekking op social media te delen, acht het hof evenmin geloofwaardig. Integendeel, het hof stelt op grond van eerder genoemde bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] vast dat de verdachte de omstanders duidelijk zichtbaar van nabij heeft gefilmd met de kennelijke bedoeling deze (negatief) in hun verklaringsvrijheid te beïnvloeden. Aldus heeft de verdachte de mondelinge uitingen van [medeverdachte] doelbewust kracht bijgezet. Dat sprake is geweest van een situatie waarbij de verdachte zich niet aan de uitingen van [medeverdachte] heeft kunnen onttrekken, omdat hij achterop de rijdende scooter zat, zoals door de raadsvrouw is betoogd, acht het hof niet aannemelijk geworden. Te minder, nu uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat de scooter op momenten dusdanig vaart heeft geminderd dat het voor de verdachte mogelijk moet zijn geweest af te stappen dan wel zich anderszins van de gedragingen van [medeverdachte] te distantiëren.

Het hof is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen en dat hij daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte [medeverdachte].

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2020.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 9 september 2018 omstreeks 21:40 was ik nabij de [straat 1] te Amsterdam. Ik zat achterop de scooter bij [medeverdachte]. Het was druk op straat, er waren veel mensen aanwezig. Ik heb met mijn telefoon de drukte gefilmd. Er zijn in het verleden in de buurt een aantal schietpartijen geweest. Daardoor zijn mensen bang.

2 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018183893-2 van

10 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde

opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (p. 3-5).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 9 september 2018 omstreeks 21:35 uur hoorde ik middels de portofoon dat een motorrijder van de politie in achtervolging achter een zwarte motorscooter zat met drie jonge mannen erop en dat de bestuurder niet voldeed aan een stopteken. Ik hoorde dat de achtervolging op de Oostelijke eilanden was.

Ik hoorde middels de portofoon dat de vluchtende motor was gecrasht tegen een hek in de [straat 1]. Dat was gebeurd toen de vluchtende motor de brug over was gereden vanaf de [park] naar de [straat 1] en de mannen die op de motor zaten waren weg gerend in de richting van het [straat 2] en de [straat 1].

Op dat moment had ik mij vervoegd bij de motorrijder om de drie jongens te achterhalen en om de gecrashte motorscooter bij de brug aan de [straat 1] veilig te stellen. Ik zag dat er toegesnelde bewoners ambtshalve bekende hangjeugd in de [straat 1] waren. Ik zag dat er veel bewoners op verschillende verdiepingen van de omliggende panden naar beneden keken. Ik zag dat er steeds meer jonge jongens zich verzamelden in de straat. Ik hoorde dat jongeren schreeuwden. Ik zag en hoorde dat er diverse bewoners die op het trottoir stonden ons aanwijzingen gaven waar zij de vluchtende jongeren zagen rennen en waar deze spullen hadden weggegooid. Ik zag een scooter met twee jonge mannen er op die ik herkende als: [verdachte], [medeverdachte].

Ik zag dat [medeverdachte] de bestuurder was en [verdachte] de bijrijder. Ik zag dat de scooter langzaam om mij heen reed. De situatie was op dat moment nog onoverzichtelijk door de aanloop van personen die wat wilden vertellen, het waarnemen van de gecrashte scooter en het achterhalen van de opzittenden er van. Een van de vermoedelijke opzittenden hield zich nog achter mij schuil op een schoolplein.

Ik zag en hoorde dat [medeverdachte] zich richtte naar diverse bewoners die op het trottoir stonden en hij deze personen van dichtbij aanriep. Ik zag dat dit op een afstand was van een tot drie meter. Ik zag en hoorde dat [medeverdachte] met luide stem deze mensen aanriep met de woorden “wij willen geen verraders” en “wij willen geen snitches”. Ik zag dat [verdachte] hierbij de personen die door [medeverdachte] werden aangeroepen met zijn telefoon filmde. Ik zag dat [verdachte] daadwerkelijk filmde omdat ik op zijn scherm kon kijken en de omstanders erop kon zien. Ik zag dat [verdachte] zijn telefoon hierbij zo zichtbaar mogelijk naar de omstanders hield.

Ik zag dat omstanders door het genoemde gedrag van [verdachte] en [medeverdachte] niets meer kwijt wilden tegen ons. Ik zag dat een onbekend gebleven oudere vrouw, die mij eerder had aangesproken omdat ze mij wilde laten zien waar iets door een vluchtende jongen weg was gegooid, niet meer aan mij wilde verklaren wat ze had gezien. Ik zag dat dit was gebeurd nadat [medeverdachte] en [verdachte] recht op deze vrouw af waren gereden en vlak voor haar keerden.

3 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018210134-25 van

17 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde

opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (p. 9A-9B).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Wij zijn meerdere jaren werkzaam in dit gebied en zodoende bekend met de specifieke criminaliteit en overlast problemen op de Oostelijke eilanden. Vanwege onze werkzaamheden zijn wij vanaf begin dit jaar betrokken bij het project Oostelijke Eilanden waarbij door een mix van interventies gepoogd wordt de leefbaarheid en veiligheid binnen dit gebied te vergroten.

Op 23 november 2017 heeft er een schietpartij plaatsgevonden op [plek] waarbij gericht is geschoten op een viertal jongeren. Hierbij is een 19-jarige jongen afkomstig van de Oostelijke eilanden overleden en zijn drie andere jongeren gewond geraakt. Kort hierop heeft er op 26 januari 2018 wederom een schietpartij in de wijk plaatsgevonden. Hierbij zijn twee verdachten een buurthuis binnengedrongen en hebben met automatische wapens geschoten. Hierbij is de 17-jarige [naam] overleden. Ten tijde van het schietincident was er een grote groep kinderen en jongeren uit dc buurt aanwezig in het buurthuis.

Mede door deze twee ernstige schietincidenten waarbij kinderen en jongeren uit de buurt zijn betrokken is er een groot onveiligheidsgevoel ontstaan onder inwoners op de Oostelijke eilanden. Inwoners verklaarden tijdens buurtbijeenkomsten dat zij hun kinderen niet meer buiten durven laten spelen en dat zij bang zijn dat de schietincidenten te maken hebben met de jongeren uit de buurt. Een groot deel van de jongeren van de Oostelijke Eilanden, waaronder de verdachten [medeverdachte] en [verdachte], staan bij de gemeente en politie naar aanleiding van een groot aantal overlast en criminaliteit meldingen geprioriteerd als overlastgevende jeugdgroep.

Direct gevolg van de twee schietpartijen is dat er cameratoezicht is geïnstalleerd op de Oostelijke Eilanden. Tevens is er voor de duur van een half jaar een mobiel onderkomen van de politie op het [plein] geplaatst met extra politie toezicht, handhaving en straatcoaches die in de wijk aanwezig zijn. Door de plaatsing van vaste camera's in de wijk heeft de overlastgevende jeugd zich verplaatst naar een hangplek buiten het cameragebied namelijk op de [straat 3] nog steeds op de Oostelijke eilanden.

Wij krijgen informatie van buurtbewoners, wijkagenten, jeugdwerkers en andere ketenpartners dat er nog steeds een grote angst heerst onder bewoners voor de plaatselijke jeugd. Er zijn meldingen van drugshandel en er is zeker sprake van overlast door de jongeren echter durven veel bewoners de jongeren niet aan te spreken en zeker geen melding te maken bij de politie. Er heerst angst om de groep jongeren te passeren wanneer zij gezamenlijk ergens staan. Tevens is er een constante stroom van op en afrijden van scooters en auto's. De uitspraken en het gedrag van de verdachte [medeverdachte] en [verdachte] past bij de angstcultuur die deze overlastgevende groep in stand wil houden en waarbij praten met de politie als verraad wordt gezien. Dit past ook bij het beeld van recent aangebrachte graffiti in de wijk waarbij collega's worden beledigd maar ook een buurtbewoner die zich mogelijk tegen deze groep zou hebben gekeerd.

4. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2018210134-7 van 16 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (p. 49-55, in het bijzonder p. 53).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 oktober 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [medeverdachte]:

V: Wat kun jij verklaren over het beïnvloeden van getuigen waarvan je wordt verdacht op 9 september (het hof begrijpt: 9 september 2018)?

A: Ik kan verklaren, dat ik toevallig op dat moment daar langsreed en ik zag een motorscooter op de grond liggen. Maar de politie was al overal in de straat en ik hoorde dat er nog een verdachte of iets gezocht werd, in de bosjes of achter de auto’s en toen zei de getuige: “hij ligt daar” en toen schreeuwde ik naar de getuige “waarom verraad je, het is niet jouw zaak, waar bemoei je je mee.”

V: Waar heb je die dingen geroepen?

A: [straat 1] of zo.

V: Waarom riep je dat?

A: Omdat ik vind dat wanneer het niet je zaak is, je je er niet mee moet bemoeien.

(…)

A: Eén persoon wees aan waar de verdachte zou zitten en tegen diegene heb ik gezegd dat hij niet moest verraden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 9 september 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mondeling en door gebaren zich jegens onbekend gebleven buurtbewoners heeft geuit, kennelijk om hun vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader:

- een smartphone zo zichtbaar mogelijk in de richting van de omstanders gericht en

- met een smartphone buurtbewoners gefilmd en

- met luide stem geroepen "wij willen geen verraders" en "wij willen geen snitches" en

- met een scooter rondjes gereden rondom buurtbewoners en

- geschreeuwd naar een getuige "waarom verraad je, het is niet jouw zaak waar bemoei je je mee".

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals deze hierboven zijn opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk mondeling en door gebaren zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn medeverdachte hebben door hun gedragingen de vrijheid van de omstanders om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen beïnvloed, terwijl ze ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd. Hiermee hebben de verdachte en zijn medeverdachte duidelijk laten weten dat het geven van informatie door buurtbewoners aan de politie over de betrokkenen bij de gecrashte motorscooter niet zonder gevolgen zou blijven. Zij hebben buurtbewoners daardoor angst aangejaagd voor represailles en het al bestaande gevoel van onveiligheid in de buurt aangewakkerd. De verdachte en de medeverdachte hebben geprobeerd de opsporing van personen door de politie te belemmeren en daardoor het opsporingsonderzoek gefrustreerd. Hiermee hebben zij er blijk van gegeven de vrijheid van elke getuige om een verklaring af te leggen, niet te accepteren. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Bij de strafoplegging heeft het hof in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de positieve ontwikkelingen in zijn leven, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het voorwerp behoort de verdachte in eigendom toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 47, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een telefoon met het goednummer 5646349 (Apple iPhone).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.S.G. Verhoeff, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R. Oude Breuil, in tegenwoordigheid van

mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2020.

(…)