Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3383

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
200.279.910/01 en 200.286.268/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling artikel 1:255 eerste lid BW. Gronden in eerste aanleg en hoger beroep aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.279.910/01 en 200.286.268/01

zaaknummer rechtbank: C15/300601/JURK 20-480 en C15/300603/JURK 20-481

beschikking van de meervoudige kamer van 1 december 2020 inzake

[de (pleeg)moeder] en [de (pleeg)vader],

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de (pleeg)moeder respectievelijk de (pleeg)vader, en gezamenlijk: de (pleeg)ouders,

advocaat: mr. N.H. Fridsma te Heemskerk,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [kind A] (hierna te noemen: [kind A] );

- de minderjarige [kind B] (hierna: [kind B] );

- de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de GI).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter) van 31 maart 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De (pleeg)ouders zijn op 24 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 31 maart 2020.

2.2

De raad heeft op 21 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de (pleeg)ouders van 16 september 2020 met als bijlage een verslag van [pleegzorgbegeleider] (pleegzorgbegeleider bij Kenter Jeugdhulp) van 7 september 2020, ingekomen op 17 september 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de (pleeg)ouders van 20 oktober 2020 met bijlagen, waaronder een e-mailbericht van [kind A] van 7 september 2020, ingekomen op 21 oktober 2020.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 22 oktober 2020 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de (pleeg)ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager.

3 De feiten

3.1

Uit [zus van (pleeg)moeder] , de zus van de (pleeg)moeder, is [kind A] geboren [in] 2007. Wie de biologische vader van [kind A] is, is onbekend. Kort na haar geboorte is [kind A] op vrijwillige basis uit huis geplaatst bij haar grootouders van moederszijde.

Bij beschikking van 22 februari 2010 van de rechtbank te Haarlem is [kind A] onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing bij de (pleeg)ouders verleend. Deze kinderbeschermingsmaatregelen zijn nadien enkele malen verlengd.

Bij beschikking van 21 mei 2014 van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) is [zus van (pleeg)moeder] ontheven van het gezag over [kind A] en is de (pleeg)moeder benoemd tot voogd over [kind A] .

Bij beschikking van 16 maart 2017 van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) is bepaald dat de voogdij over [kind A] door de (pleeg)ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend.

3.2

Uit de relatie van de (pleeg)moeder en de (pleeg)vader is [in] 2011 [kind B] geboren. De (pleeg)ouders hebben gezamenlijk het gezag over [kind B] .

3.3

Bij de stukken bevindt zich een tweetal rapporten van de raad, betreffende [kind A] respectievelijk [kind B] , van 9 maart 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikkingen zijn [kind A] en [kind B] (hierna gezamenlijk: de kinderen), overeenkomstig het verzoek van de raad, met ingang van 31 maart 2020 onder toezicht gesteld van de GI tot 31 maart 2021.

4.2

De (pleeg)ouders verzoeken de bestreden beschikkingen te vernietigen en, naar het hof begrijpt, het inleidend verzoek van de raad om de kinderen onder toezicht te stellen af te wijzen.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De (pleeg)ouders stellen –samengevat- dat niet is voldaan aan de gronden tot ondertoezichtstelling van de kinderen. De (pleeg)ouders weigeren geen hulpverlening zodat op vrijwillige basis een regiehouder kon worden aangesteld die het gezin zou monitoren. Er is bovendien geen sprake van een zedelijke of geestelijke bedreiging van de gezondheid van de kinderen. Uit de stukken blijkt niet dat de (pleeg)moeder klachten of ziektes verzint en/of dat de kinderen lijden onder het gedrag van hun (over)bezorgde (pleeg)moeder. Voorts is niet gebleken dat het belaste verleden van de (pleeg)moeder opspeelt en van invloed is op haar rol als opvoeder. Evenmin is gebleken dat zij last heeft van psychiatrische problematiek; er is nimmer een psychiatrische ziekte vastgesteld. De (pleeg)moeder was bereid mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek, maar dit is buiten haar schuld niet van de grond gekomen. Het feit dat [kind A] een belast verleden heeft rechtvaardigt evenmin de conclusie dat sprake is van een bedreigde ontwikkeling. Dat geldt ook voor het verwijt aan de (pleeg)ouders dat zij informatie niet volledig delen en op punten aanwijsbaar anders verklaren dan hoe de situatie is verlopen. Dit blijkt ook nergens uit. De (pleeg)ouders worden al jaren gemonitord door de pleegzorg en pleegzorg heeft nimmer aanleiding gezien Veilig Thuis (VT) of de raad te informeren omdat de kinderen in hun opvoeding zouden worden bedreigd dan wel thuis onveilig zouden zijn, aldus de (pleeg)ouders.

5.3

De raad voert, onder verwijzing naar de onder 3.3 vermelde rapportages, aan dat is voldaan aan de gronden tot ondertoezichtstelling van de kinderen. De gemeenteconsulent als regiehouder in het vrijwillig kader is onvoldoende ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging van [kind A] en [kind B] , gezien de grote zorgen die er zijn en de ontkenning en verdraaiing door de (pleeg)ouders van de problematiek die er speelt. De raad heeft onvoldoende vertrouwen dat (pleeg)ouders in de toekomst wel alle informatie zullen verstrekken en dan blijft ruis aanwezig. De signalen die tijdens het raadsonderzoek naar voren zijn gekomen, baren zorgen over het huidige welzijn en persoonlijke problematiek van de (pleeg)moeder en vereisen nader onderzoek, aldus de raad.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat [kind A] direct na haar geboorte in 2007 uit huis is geplaatst. Zij is in 2010, toen zij bijna drie jaar was, bij de (pleeg)moeder, zijnde een tante moederszijde, en (pleeg)vader geplaatst in verband met een beschuldiging van seksueel misbruik aan het adres van grootouders. In 2011 is uit de relatie van de (pleeg)ouders [kind B] geboren. [kind A] en [kind B] wonen inmiddels dus (bijna) tien jaar in gezinsverband samen met de (pleeg)ouders.

5.5

Op 19 januari 2020 is [kind A] in het ziekenhuis opgenomen met ernstige vermoeidheidsklachten, waarna er benzodiazepine (diazepam) in haar bloed en urine is aangetroffen. Op 20 januari 2020 heeft de kinderarts in het Rode Kruis ziekenhuis een melding gedaan bij VT. Op 29 januari 2020 is vervolgens een anonieme melding gedaan bij VT. De melder gaf aan dat er zorgen zijn dat de (pleeg)moeder de kinderen ziek zou maken en praten, terwijl ze dat niet zijn. Er was aanleiding voor het vermoeden van ernstige zorgen dat de kinderen zowel lichamelijk als sociaal en emotioneel belast werden met medische onderzoeken en behandelingen die niet te herleiden waren tot daadwerkelijk geconstateerde medische aandoeningen. Dit gaf de raad aanleiding om een beschermingsonderzoek uit te voeren.

5.6

In de daaruit voortgekomen, onder 3.3 vermelde, raadsrapportages komt – samengevat – naar voren dat er grote zorgen zijn over het aantreffen van kalmerende middelen in het lichaam van [kind A] . [kind A] heeft daarover tegenover het personeel in het ziekenhuis verklaard iedere avond een blauw pilletje van (pleeg)moeder te krijgen. Daarnaast zijn er zorgen over het hoge ziekteverzuim van de kinderen en over [kind B] . Op school is hij dromerig, niet actief betrokken bij de les, hangt over tafel, staart veel naar buiten, gaapt en zijn algemene ontwikkeling loopt achter op bepaalde punten. Hij toont weinig emotie, heeft oppervlakkig contact en gaat geen echte vriendschap aan. Verder is zijn concentratie zwak, raakt hij snel afgeleid en geeft hij zelf aan te laat naar bed te gaan. Er zijn periodes geweest dat [kind B] in een rolstoel zat, terwijl hiertoe volgens de in het raadsrapport opgenomen informatie van de kinderarts geen noodzaak bestond. De huisarts en de kinderarts geven aan dat de kinderen regelmatig op het spreekuur komen of in het ziekenhuis met gezondheidsklachten worden gepresenteerd waarvoor onderzoek en behandeling plaatsvindt. Dit lijkt niet in verhouding te staan tot de ernst van de klachten. De huisarts en de kinderarts zijn ongebruikelijk terughoudend bij het verstrekken van informatie, waardoor het beeld onvolledig blijft en het moeilijk is een goed onderzoek te voltooien en een juiste veiligheidsinschatting van de kinderen te maken, aldus VT.

Geconcludeerd is dat een ondertoezichtstelling voor [kind A] en voor [kind B] noodzakelijk is, omdat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van beide kinderen. Ondanks de meewerkende houding die (pleeg)ouders tijdens het raadsonderzoek hebben laten zien, moet er zicht op de (pleeg)ouders en de kinderen komen en blijven (door een regiehouder). De (pleeg)ouders kunnen daardoor de juiste beslissingen blijven nemen in het belang van de kinderen en de kinderen worden niet belast met de overbezorgdheid van de (pleeg)ouders ten aanzien van hun lichamelijke gezondheid. De raad vindt het zorgelijk dat er onduidelijkheid blijft bestaan over de psychische geschiedenis van de (pleeg)moeder. Mogelijk kan nieuw onderzoek verdere duiding geven. Door het uitblijven van deze informatie ontbreekt het zicht op de rol van de (pleeg)moeder bij de ontwikkeling van de beide kinderen en staan haar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid onder druk. Dit maakt dat het lastig samenwerken is met de (pleeg)moeder. De zorg van de raad is dat de (pleeg)ouders [kind A] niet hebben kunnen beschermen. Hangende het nog lopende politieonderzoek vindt de raad het noodzakelijk dat voor langere tijd door een regiehouder toezicht zal worden gehouden op de veiligheid van de kinderen, zodat de (pleeg)ouders over een langere periode kunnen laten zien dat zij in staat zijn om de juiste voorwaarden voor de kinderen te creëren en de gestelde doelen te behalen. De keuze voor een gedwongen kader is mede gebaseerd op het feit dat is gebleken dat niet alle informatie wordt gedeeld en dat hierdoor de twijfels in stand blijven. Een regievoerder in het gedwongen kader heeft mogelijkheden om het volledige zicht op de informatie te verkrijgen wanneer dit nodig blijkt te zijn. De (pleeg)ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid bovenstaande bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, aldus voormelde rapportages. Uit de rapportages maakt het hof verder op dat de bij het gezin betrokken artsen hun informatie niet met elkaar of met de raad hebben kunnen delen omdat de (pleeg)ouders daarvoor geen toestemming (meer) gaven.

5.7

Op 7 september 2020 heeft [pleegzorgbegeleider] , pleegzorgbegeleider van de (pleeg)ouders, een brief geschreven, waarin zij aangeeft dat er een warme band tussen de (pleeg)ouders en de kinderen is, (pleeg)ouders pedagogisch goed onderlegd lijken en er geen zorgen met betrekking tot opvoedvaardigheden en verzorging zijn. (Pleeg)ouders zijn zeer zorgzaam en beschermend wat hun kinderen betreft, misschien op momenten zelfs overbezorgd vanuit de drang het goede te willen doen, maar dit vindt de pleegzorgbegeleider niet negatief. Vanuit de jaarlijks afgenomen checklist indicatoren veiligheid kind in pleegzorg en vanuit het twee- à driewekelijks contact met [kind A] zijn geen zorgen naar voren gekomen, aldus de pleegzorgbegeleider.

5.8

De (pleeg)moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de kinderen therapie hebben gehad en dat het goed met ze gaat. [kind B] zit nu op een andere school in een kleinere klas en doet het daar heel goed. De (pleeg)ouders houden zich aan alle gemaakte veiligheidsafspraken en er is geen sprake (meer) van schoolverzuim bij de kinderen. Er zijn geen ontwikkelingen in het strafrechtelijk onderzoek naar de in [kind A] aangetroffen kalmerende middelen. Voorts is buiten (pleeg)moeders schuld om geen persoonlijkheidsonderzoek bij haar uitgevoerd omdat zij geen hulpvraag had. Zij erkent dat zij zeer bezorgd is over de kinderen en geeft aan dat dit voorkomt uit de moeizame totstandkoming van de zwangerschap en van de geboorte van [kind B] . Ongeacht of de ondertoezichtstelling in stand blijft zullen de (pleeg)ouders meewerken aan het binnenkort gepland overleg tussen alle betrokkenen, aldus de (pleeg)moeder.

De gezinsmanager heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat geen sprake (meer) is van schoolverzuim en (eerst) is ingezet op hulpverlening voor de kinderen. De kinderen hebben baat gehad bij therapie en het gaat goed met ze. Er heeft geen overleg plaatsgevonden met artsen omdat daar (nog) niet op is ingezet. De (pleeg)ouders houden zich aan het veiligheidsplan en binnenkort vindt overleg plaats met alle betrokken instanties en de (pleeg)ouders om te bekijken wat het gezin verder te bieden valt. Op dit moment loopt alles zoals het zou moeten. Indien een goede regiehouder in het vrijwillig kader wordt gevonden, hoeft een ondertoezichtstelling niet lang meer te duren. De praktijkondersteuner huisarts (POH) heeft zich bereid getoond de rol van regiehouder op zich te nemen, aldus de gezinsmanager.

5.9

Het hof overweegt dat blijkens de onder 5.7 en 5.8 vermelde verklaringen van de pleegzorgwerker, de (pleeg)moeder en de gezinsmanager duidelijk sprake is van positieve ontwikkelingen. Deze nemen echter de uit het raadsonderzoek naar voren gekomen en door het hof gedeelde zorgen over de medische voorgeschiedenis van de kinderen en over de ontwikkeling van de kinderen als gevolg van de (over)bezorgdheid van de (pleeg)ouders niet weg. Zo hebben de (pleeg)ouders niet alle informatie gedeeld en hebben zij hun toestemming voor het onderling delen van informatie door de betrokken artsen niet gegeven of weer ingetrokken. Tot op heden is onduidelijk gebleven hoe de kalmerende middelen in het lichaam van [kind A] zijn terechtgekomen. Ook is de reden dat de kinderen in de afgelopen jaren regelmatig artsen hebben geconsulteerd en er onderzoeken bij hen zijn uitgevoerd nog niet opgehelderd. Daargelaten de oorzaak, is er (nog) geen zicht op de psychische omstandigheden van de (pleeg)moeder. Bovendien is vooralsnog te weinig gebleken van (een goede) samenwerking c.q. afstemming tussen alle bij het gezin betrokken instanties en medische hulpverlening en is er onduidelijkheid (geweest) over de medewerking van de (pleeg)ouders daarbij. Een overgangsperiode is dan ook noodzakelijk, waarin op een goede en verantwoorde wijze alle taken van de huidige regiehouder (zijnde de gezinsmanager) aan de nog aan te wijzen regiehouder in het vrijwillig kader kunnen worden overgedragen. Het hof is van oordeel dat op deze wijze de verdere ontwikkeling van de kinderen in een veilige omgeving, waarbij zij niet worden belast en kind kunnen zijn, als ook de verdere begeleiding van de ouders op weg naar hulpverlening in een vrijwillig kader onder heldere regievoering, het beste is gewaarborgd.

5.10

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel ten tijde van de bestreden beschikkingen als ook thans in hoger beroep voldaan is aan de gronden tot ondertoezichtstelling van beide kinderen. Het hof zal de bestreden beschikkingen dan ook bekrachtigen.

5.11

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 31 maart 2020.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. W.F. Groos en mr. A. van Haeringen, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en is op 1 december 2020 in het openbaar uitgesproken door mr. M.T. Hoogland.