Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3366

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
200.266.152/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Aan het hof ligt de vraag voor of inzake de nalatenschap van de erflater een executeur nodig is en of een taak is weggelegd voor de executeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0312
JERF Actueel 2021/4
Jurisprudentie Erfrecht 2021/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.266.152/01

zaaknummer rechtbank: 7518724 \ EJ VERZ 19-24 (rvk)

beschikking van de meervoudige kamer van 24 november 2020 inzake

1. Johan Bastiaan Biezenin zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [X] ;

2. [verzoeker sub 2] ;

3. [verzoeker sub 3] ;

4. [verzoekster sub 4] ;

allen wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk: verzoekers,

advocaat: mr. M.V. Vermeij te Alkmaar,

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

- [belanghebbende A] ;

- [belanghebbende B] ;

- mr. T.E. Wolfswinkel, in de hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [de erflater] (voorheen A.M.H.J.L. Claus).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) (hierna: de kantonrechter) van 12 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Verzoekers zijn op 12 september 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 12 juni 2019.

2.2.

Mr. P.F. Keuchenius heeft namens [belanghebbende A] op 6 november 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een fax van 6 augustus 2020 van mr. T.E. Wolfswinkel met bijlage (indeplaatsstelling excuteur), ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van verzoekers van 14 oktober 2020 met bijlagen (producties 4 en 5), ingekomen op 15 oktober 2020;

- een journaalbericht van de zijde van [belanghebbende A] van 14 oktober 2020 met bijlagen (producties 4 t/m 6), ingekomen op 15 oktober 2020;

- een journaalbericht van de zijde van verzoekers van 26 oktober 2020 met bijlage (productie 6), ingekomen op 26 oktober 2020.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 29 oktober 2020 plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen:

- [verzoekster sub 4] en [verzoeker sub 3] , bijgestaan door hun advocaat mr. M.V. Vermeij;

- mr. J.B. Biezen in zijn hoedanigheid van bewindvoerder namens [X] ;

- [belanghebbende A] , bijgestaan door zijn advocaat mr. P.F. Keuchenius;

- [belanghebbende B] ;

- mr. T.E. Wolfswinkel, in de hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [de erflater] .

De aanwezigen hebben allen het woord gevoerd, mr. Keuchenius mede aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota, namens [belanghebbende A] en [belanghebbende B] .

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling is aan de fungerend bewindvoerder mr. J.B. Biezen de vraag voorgelegd welke procespositie hij namens de rechthebbende inneemt, nu hij als opvolgend bewindvoerder is benoemd na de datum van het aanhangig maken van het hoger beroep. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de fungerend bewindvoerder bij brief van 2 november 2020, ingekomen ter griffie van het hof op 3 november 2020, namens de rechthebbende [X] aan het hof bericht geen grieven in te trekken en zich te refereren aan het oordeel van het hof. Mededelingen omtrent de inhoud van het geschil als gedaan in dit schrijven zal het hof buiten beschouwing laten, nu de uitnodiging van het hof slechts zag op uitlating over de procespositie die de huidige bewindvoerder namens de rechthebbende in hoger beroep wenst in te nemen.

3 De feiten

3.1.

[de erflater] (hierna: de erflater) is geboren [in] 1925 en overleden op 5 juli 2017. De erflater was in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met [X] (hierna ook: de moeder). [belanghebbende A] (hierna: [belanghebbende A] ) [belanghebbende B] (hierna: [belanghebbende B] ) [verzoeker sub 2] (hierna: [verzoeker sub 2] ), [verzoeker sub 3] (hierna: [verzoeker sub 3] ), en [verzoekster sub 4] (hierna: [verzoekster sub 4] ) zijn de kinderen van de erflater en de moeder.

3.2.

De goederen van de moeder staan onder bewind. Bij beschikking van de kantonrechter van 19 januari 2016 is [verzoekster sub 4] benoemd tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder en aan de erflater. Deze beschikking is bij beschikking van dit hof van 3 januari 2017 bekrachtigd. Het bewind over de goederen van de erflater is geëindigd door zijn overlijden.

Bij beschikking van de kantonrechter van 31 oktober 2019 is [verzoekster sub 4] met ingang van twee weken na de datum van de beschikking ontslagen als bewindvoerder van de moeder en is met ingang van die datum mr. J.B. Biezen benoemd tot bewindvoerder.

3.3.

De erflater heeft bij testament van 3 juli 2012 laatstelijk over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft hij - voor zover hier van belang - :

a. zijn eerdere gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen;

b. tot zijn erfgenamen benoemd de moeder, voor het één honderdste deel en zijn vijf kinderen gezamenlijk voor het overige gedeelte, het negenennegentig honderdste deel;

c. in afwijking van de wettelijke verdeling bepaald dat verdeling van zijn nalatenschap plaatsvindt overeenkomstig variant A dan wel variant B ter keuze van de moeder, waarbij variant A - kort gezegd - inhoudt de last voor de moeder, welke last mede rust op de gezamenlijke erfgenamen, om de nalatenschap van de erflater af te wikkelen als ware er een wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW op de in het testament uitgewerkte wijze met de bevoegdheid voor de moeder om deze verdeling tot stand te brengen (de ‘alsof wettelijke verdeling’) en waarbij variant B inhoudt een keuzelegaat ten aanzien van de tot de nalatenschap behorende goederen tegen inbreng van de waarde daarvan in de nalatenschap en het vruchtgebruik van de nalatenschap (uitgezonderd de op grond van voormeld keuzelegaat verkregen goederen) onder de in het testament opgenomen bepalingen;

d. een executele ingesteld.

3.4.

De erflater heeft in zijn testament [Y] (hierna ook: [Y] ) tot executeur benoemd. [Y] heeft deze benoeming niet aanvaard.

De erflater heeft in zijn testament aan de executeur onder meer de volgende bevoegdheden en taken toegekend:

a. een of meer executeurs aan zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen en daarbij bepaald dat indien de benoemde executeur gedurende de uitoefening van zijn taak komt te ontbreken of geen executeur wordt, de kantonrechter bevoegd is een vervanger te benoemen op verzoek van een belanghebbende;

b. het behartigen van de belangen van de erfgenamen door de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen;

c. de verplichting tot uitvoering van de testamentaire last met betrekking tot de verdeling, een en ander onverminderd de bevoegdheid van de moeder zoals onder de keuzeclausule omschreven (variant A);

d. de vertegenwoordiging van de erfgenamen gedurende de vervulling van zijn taak;

e. het recht om een boedelnotaris aan te wijzen;

f. het geven aan alle erfgenamen van alle door hen gewenste inlichtingen over de uitoefening van zijn taak;

g. het opstellen van een boedelbeschrijving.

3.5.

Op 5 juni 2019 hebben de verzoekers met toestemming van de kantonrechter de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van de erflater ingediend. Blijkens de aanslagen erfbelasting van 30 juni 2020 zijn aanslagen erfbelasting opgelegd aan de verzoekers conform de aangifte en zijn aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ambtshalve aanslagen opgelegd.

Blijkens de aanslag 2017 Inkomstenbelasting en Premie Volksverzekeringen bestaat over 2017 voor de erven [de erflater] recht op een teruggave van € 922,-.

3.6.

Nadat mr. A.M.H.J.L. Claus (hierna: mr. Claus) bij de bestreden beschikking tot executeur was benoemd, heeft hij, blijkens de door hem en door mr. T.E. Wolfswinkel (hierna: mr. Wolfswinkel) op respectievelijk 30 juli 2020 en 31 juli 2020 ondertekende “indeplaatsstelling executeur”, mr. Wolfswinkel in zijn plaats gesteld als executeur van de nalatenschap van de erflater. De kantonrechter heeft deze werkwijze goedgekeurd.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter mr. Claus benoemd tot executeur van de nalatenschap van de erflater. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van [belanghebbende A] in plaats van [Y] [Z] tot executeur te benoemen.

4.2.

Verzoekers verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt) het inleidend verzoek alsnog af te wijzen en de kosten te compenseren.

4.3.

[belanghebbende A] verzoekt het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking, zo nodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Grieven 1 en 2

5.1.

In hun eerste grief stellen verzoekers dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [verzoekster sub 4] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de moeder nog geen keuze heeft gemaakt met betrekking tot de wijze van aanvaarding van de nalatenschap van de erflater.

In hun tweede grief stellen verzoekers dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er gronden zijn voor benoeming van een executeur.

Zij stellen ter onderbouwing van deze grieven - kort gezegd - het volgende. Er is een keuze uitgebracht voor de wettelijke verdeling. Deze keuze is aan de kantonrechter voorgelegd, die daarvoor toestemming heeft verleend. Omdat de erflater in het testament voor de wettelijke verdeling heeft bepaald dat de moeder bevoegd is al het nodige te doen om de nalatenschap te verdelen, en in samenspraak met [Y] , de accountant van onder andere de besloten vennootschappen waarvan de (certificaten van) aandelen deel uitmaken van de nalatenschap, een boedelbeschrijving is opgesteld, en nu voorts [Y] de aangifte erfbelasting heeft gedaan en de overige noodzakelijke handelingen voor de fiscale afwikkeling van de nalatenschap zal verrichten, is een executeur niet nodig en heeft hij geen taak bij de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater.

5.2.

[belanghebbende A] voert gemotiveerd verweer.

5.3.

In de onderhavige procedure ligt aan het hof voor de vraag of inzake de nalatenschap van de erflater een executeur nodig is en of een taak is weggelegd voor de executeur.

De verzoekers stellen dat dit niet het geval is, omdat variant A als hiervoor onder 3.3 beschreven van toepassing is en (naar het hof begrijpt uit de overgelegde stukken) de belastingaanslagen in verband met de vereiste aangiften ter zake van het overlijden van de erflater al zijn opgelegd.

[belanghebbende A] voert in dit verband aan dat blijkens het testament de executeur de nalatenschap ook bij toepassing van variant A moet afwikkelen en dat een executeur daarnaast nog andere taken heeft, waaronder het opmaken van een boedelbeschrijving, die ontbreekt.

5.4.

Voor de beantwoording van voormelde vraag is het volgende van belang. De executeur heeft, onverminderd de testamentaire lasten die de erflater aan hem mocht hebben opgelegd en voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit de goederen van de nalatenschap moeten worden voldaan (artikel 4:144 BW). De erflater heeft in zijn testament aan de executeur onder meer de bevoegdheden en taken toegekend als hiervoor onder 3.4. beschreven.

Uit de hiervoor onder rechtsoverweging 3.4 opgenomen taak sub c volgt, dat de executeur ook een taak heeft bij de uitvoering van de last de nalatenschap af te wikkelen als ware er een wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW. Onder sub c staat immers dat de executeur verplicht is de testamentaire last met betrekking tot de verdeling uit te voeren. Dat de moeder de bevoegdheid heeft om als vertegenwoordiger van alle erfgenamen al het nodige te doen om de verdeling tot stand te brengen, doet daaraan niet af. Daarbij komt dat zolang deze ‘alsof wettelijke verdeling’ niet tot stand is gebracht en de daartoe benodigde notariële akte niet is opgemaakt, het beheer over de goederen van de nalatenschap onverkort toekomt aan de executeur. Niet gesteld of gebleken is dat de ‘alsof wettelijke verdeling’ inmiddels bij notariële akte is vastgelegd. Anders dan verzoekers stellen, maakt de keuze van de moeder voor de ‘alsof wettelijke verdeling’ en haar daaruit voortvloeiende bevoegdheid de verdeling zelf tot stand te brengen, gelet op het voorgaande niet dat de executeur onnodig is of dat voor hem geen taak (meer) is weggelegd.

5.5.

Onder de testamentaire verplichtingen van de executeur valt verder de verplichting tot het opstellen van een boedelbeschrijving. Met een beroep op de door hun overgelegde opstelling van het vermogen per 5 juli 2017 ten name van de erflater en de moeder, stellen verzoekers dat de boedelbeschrijving al is opgemaakt. In artikel 674 Rv is geregeld wat een boedelbeschrijving zal bevatten. De door verzoekers overgelegde opstelling bevat niet alle in artikel 674 Rv voorgeschreven gegevens. Zo ontbreken bijvoorbeeld een opgave van de plaats waar de beschreven zaken zich bevinden, of waarheen zij zijn overgebracht, een opgave van de aangetroffen boeken en registers betreffende de boedel en de vermelding van de akten die op de goederen en de schulden van de boedel betrekking hebben. Het ontbreken van gegevens in de boedelbeschrijving leidt niet zonder meer tot ongeldigheid daarvan. Of een boedelbeschrijving deugdelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval. De boedelbeschrijving moet in dit geval bruikbaar zijn in het kader van de verdeling van de nalatenschap tussen de erfgenamen overeenkomstig de testamentaire bepalingen van de erflater. De moeder heeft haar keuze laten vallen op de ‘alsof wettelijke verdeling’, hetgeen ertoe zal leiden dat alle goederen van de nalatenschap aan haar worden toegedeeld onder de verplichting om alle schulden voor haar rekening te nemen, waartegenover de vijf kinderen ieder een vordering op haar krijgen ter grootte van 1/5 x 99/100 zijnde 99/500. De wetgever heeft voor de wettelijke verdeling in artikel 4:16 BW voorgeschreven waaraan een boedelbeschrijving in het geval van een wettelijke verdeling moet voldoen. Weliswaar heeft de erflater deze wettelijke verdeling buiten werking gesteld, maar tegelijkertijd heeft hij bepaald dat een erfgenaam kan verlangen dat een boedelbeschrijving conform artikel 4:16 BW wordt opgemaakt. In genoemd artikel is onder meer geregeld dat de echtgenoot en ieder kind partij zijn bij de boedelbeschrijving en jegens elkaar recht hebben op inzage in en afschriften van alle bescheiden en gegevensdragers die zij voor de vaststelling van hun aanspraken nodig hebben.

[belanghebbende A] heeft verzocht om het opmaken van een boedelbeschrijving. Naar het hof begrijpt doelt hij op deze boedelbeschrijving, gelet op zijn toelichting dat geen sprake is van een civielrechtelijke opstelling als bedoeld in het testament, maar van een fiscale opstelling door [Y] . [belanghebbende A] stelt in dit verband aan de orde dat de in de opstelling genoemde hoogte van de rekening-courantverhouding met [de Holding B.V.] niet juist is, dat hij geen weet heeft van de achtergronden van de geldleningen aan kinderen en kleinkinderen, dat hij niet betrokken is geweest bij de opstelling en dat hij niet beschikt over onderliggende bescheiden, waardoor een en ander niet verifieerbaar is. Verzoekers hebben dit niet, althans onvoldoende weersproken. Daarmee staat vast dat geen sprake is van een deugdelijke boedelbeschrijving en daarmee ligt ook de conclusie voor dat voor de verdere opstelling en voltooiing van de boedelbeschrijving, de executeur nodig is en een taak heeft te vervullen. Met de tussenkomst van de executeur kan tevens het hoofd worden geboden aan de omstandigheid dat, vanwege de verstoorde familieverhoudingen, de uitwisseling van informatie moeizaam verloopt.

5.6.

De slotsom is dat beide grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en de kosten compenseren.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de kosten aldus, dat ieder zijn eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. C.M.J. Peters en mr. T.A.M. Tijhuis, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 24 november 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.