Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3362

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
23-002726-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling. Beroep op noodweer en noodweerexces verworpen. Overweging omtrent vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002726-19

datum uitspraak: 24 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer
13-069119-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 maart 2019 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door haar (met gebalde vuist) in haar gezicht, in elk geval tegen haar hoofd te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewijsverweer

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld (zo heeft het hof het opgevat) dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat daarom de voor mishandeling vereiste wederrechtelijkheid ontbrak. Subsidiair heeft de raadsman een beroep op noodweerexces gedaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op basis van het dossier vast dat de aangeefster, in ieder geval verbaal, door de verdachte is lastig gevallen in een club. Zij reageerde daarop fel door de verdachte kort bij zijn keel te pakken.1 Wat er ook van haar reactie zij, de reactie daarop van de verdachte om aangeefster met een gebalde vuist in het gezicht te slaan2 acht het hof niet gerechtvaardigd. Hoewel door het handelen van de aangeefster mogelijk sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (oftewel een noodweersituatie), ketst een beroep op noodweer af omdat niet aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan. De verdachte had reële mogelijkheden om zich aan de aanranding te onttrekken. De aangeefster had de verdachte reeds losgelaten,3 zodat hij weg kon lopen en, bijvoorbeeld, de beveiliging kon inschakelen. Echter, de verdachte heeft ervoor gekozen om de aangeefster in haar gezicht te stompen. Dat maakt dat het hof de mishandeling bewezen acht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 maart 2019 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door haar met gebalde vuist in haar gezicht te slaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Subsidiair is door de raadsman verzocht om ontslag van alle rechtsvervolging, daar er sprake was van noodweerexces.

In vervolg op hetgeen hiervoor ten aanzien van het beroep op noodweer is overwogen, overweegt het hof ten aanzien van het subsidiaire beroep op noodweerexces nog het volgende.

De verdachte heeft bij de politie noch ten overstaan van de politierechter of het hof verklaard dat hij aangeefster sloeg onder invloed van een hevige gemoedsbeweging. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte handelde onder zodanige invloed zodat het hof ook dit strafuitsluitingsverweer verwerpt. Nu ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, te vervangen door 15 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Het slachtoffer is daarbij tegen het gezicht geslagen, waarbij zij letsel heeft opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Ook in deze zaak is dat gebleken, zoals naar voren kwam in de toelichting die namens het slachtoffer door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland ter terechtzitting in hoger beroep is gegeven.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.369,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 591,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 82,12 ter zake van gederfde inkomsten (à € 80,44) en reiskosten die zijn gemaakt om naar het ziekenhuis te gaan (à € 1,68). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De opgevoerde reiskosten die zijn gemaakt ten behoeve van een bezoek aan Slachtofferhulp Nederland zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv, maar dienen onder proceskosten in de zin van artikel 532 Sv te worden geschaard. Voor zover deze kosten zijn opgevoerd als materiële schade wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof begrijpt de vordering aldus dat de benadeelde partij de kosten (ook) heeft willen opvoeren als proceskosten en de toewijzing zal dienovereenkomstig plaatsvinden.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering ten aanzien van de materiële schade, gezien de gestelde omvang daarvan de schade en de vragen die de vordering op dit punt bij het hof oproept, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan die slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ernst van de aantasting van de persoonlijke integriteit van benadeelde partij, de aard van de lichamelijke en psychische klachten die deze daarbij heeft opgelopen en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend. Voor het overige gaat het ter vergoeding van immateriële schade gevorderde de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat dat deel van de vordering zal worden afgewezen.

Besluit

Resumerend is de verdachte gehouden om schade te vergoeden tot een bedrag van € 432,12, te vermeerderen met de wettelijke rente. De wettelijke rente over een schadepost wordt telkens toegewezen vanaf het moment waarop die schade is ingetreden. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 432,12 (vierhonderdtweeëndertig euro en twaalf cent) bestaande uit € 82,12 (tweeëntachtig euro en twaalf cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 9,08 (negen euro en acht cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 432,12 (vierhonderdtweeëndertig euro en twaalf cent) bestaande uit € 82,12 (tweeëntachtig euro en twaalf cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op

  • -

    24 maart 2019 over een bedrag van € 1,68 ter zake van bezoek ziekenhuis,

  • -

    25 maart 2019 over een bedrag van € 80,44 ter zake van gederfde inkomsten,

  • -

    24 maart 2019 over een bedrag van € 350,00 aan immateriële schade.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.M.H.P. Houben en mr. R.D. van Heffen,

in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 november 2020.

mr. M.M.H.P. Houben is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 Proces-verbaal van bevindingen (PL1300-2019060701-8), p. 8 politiedossier.

2 Proces-verbaal aangifte (PL1300-2019060701-1), p. 3 politiedossier.

3 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2020.