Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3353

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
23-004494-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen van poging tot zware mishandeling. Vordering benadeelde partij (uitgebreid). Oplegging deels vw. GS en een TS voor de duur van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004494-19

datum uitspraak: 10 december 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-093158-19 tegen

[verdachte],

gedagvaard als [verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 24 maart 2019 te Alkmaar (op het Waagplein) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [benadeelde]

- ( meermalen) (met kracht) (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd heeft geschopt en/of getrapt en/of

- ( meermalen) (met kracht) op/tegen de (boven)rug en/of het (boven)been en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of

- ( meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( meermalen) in/tegen zijn buik (zogenoemde) knietjes heeft gegeven en/of

- dit (deels) terwijl deze [benadeelde] op de grond lag/zat,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 24 maart 2019 te Alkmaar openlijk, te weten, op het Waagplein, in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [benadeelde] door

- ( meermalen) (met kracht) (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen en/of

- ( meermalen) (met kracht) op/tegen de (boven)rug en/of het (boven)been) en/of het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- ( meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of

- ( meermalen) in/tegen zijn buik (zogenoemde) knietjes te geven en/of

- dit (deels) terwijl deze [benadeelde] op de grond lag/zat;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de geweldshandelingen die door de verschillende verdachten zijn gepleegd, dat er geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking, dat de verdachte pas in een later stadium heeft bijgedragen aan de geweldshandelingen en dat de bijdrage van de verdachte aan het geweld alleen bestond uit het geven van knietjes.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de te bezigen bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich op 24 maart 2019, tezamen met (in ieder geval) de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], op het Waagplein in Alkmaar bevond. Op enig moment is [medeverdachte 2] – naar aanleiding van een eerdere conflictsituatie met de aangever die nacht – als eerste doelgericht richting de aangever gerend, die zich eveneens (alleen) op het Waagplein bevond. De verdachte rende op dat moment enkele meters links van [medeverdachte 2], eveneens richting de aangever. [medeverdachte 1] is op enkele meters achter [medeverdachte 2] en de verdachte in de richting van de aangever gelopen. Op het moment dat de aangever weg rende om aan hen te ontkomen, zijn [medeverdachte 2] en de verdachte doelgericht achter de aangever aangerend. [medeverdachte 1] is vanuit zijn positie vervolgens ook doelgericht in de richting van de aangever gerend. Nadat de aangever door toedoen van een ander uit de groep van de verdachten hard op straat ten val is gekomen, zijn de geweldshandelingen vanuit de verdachte en de medeverdachten richting de aangever – zoals ten laste gelegd – begonnen. De aangever is door de verdachte en de medeverdachten geschopt, geslagen en er zijn knietjes gegeven. Deze geweldshandelingen vonden steeds gelijktijdig plaats of volgden zeer kort op elkaar terwijl de verdachte en de medeverdachten steeds gedrieën om de aangever bleven staan. Voor zover de gedragingen niet reeds afzonderlijk de aanmerkelijke kans op (zeer) zwaar lichamelijk letsel in het leven hebben geroepen, is het hof van oordeel dat in ieder geval het samenstel van die handelingen, die zijn verricht in een tijdsbestek van circa dertien seconden, een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid hebben geschapen dat de aangever (zeer) zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich, samen met de medeverdachten, schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de aangever. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, waarbij ieder zijn deel van de gezamenlijke uitvoering voor zijn rekening heeft genomen. De verdachte heeft daaraan een bijdrage van voldoende gewicht geleverd door de aangever vast te pakken en met kracht drie knietjes tegen het lichaam te geven. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 24 maart 2019 te Alkmaar (op het Waagplein), tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, [benadeelde]

- meermalen met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt en;

- meermalen met kracht tegen het lichaam heeft geschopt en;

- meermalen met kracht tegen het hoofd heeft geslagen en;

- meermalen (zogenoemde) knietjes heeft gegeven en

- dit deels terwijl [benadeelde] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft het hof in het kader van de strafoplegging verzocht om rekening te houden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die met zich meebrengt hij opnieuw gedetineerd raakt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer meermalen te slaan en te schoppen tegen zijn hoofd en tegen zijn lichaam en door knietjes te geven. De verdachte en zijn mededaders zijn als groep op het slachtoffer afgerend waarna zij hem – gezamenlijk – in elkaar hebben geslagen. Daarna zijn de verdachte en zijn mededaders weggerend en hebben zij het slachtoffer bewusteloos op straat achtergelaten. Het slachtoffer heeft als gevolg van het op hem toegepaste geweld pijn geleden en letsel bekomen. De verdachte en zijn mededaders hebben met hun handelen op schokkende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is geenszins aan de verdachte te danken dat de gevolgen van hun handelen niet nog ernstiger uitvielen. Door het agressieve optreden van de verdachte en zijn mededaders heeft het slachtoffer bijzonder angstige momenten beleefd en is zijn gevoel van veiligheid aangetast. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens het slachtoffer toegelicht dat hij tot op de dag van vandaag moet leven met de (nadelige) psychische gevolgen van de poging tot zware mishandeling.

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) nemen voor een voltooide zware mishandeling door schoppen tegen het hoofd, een gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt. Het hof acht gelet op de ernst van het feit en dit oriëntatiepunt in aanmerking genomen, een vrijheidsbenemende straf van meerdere maanden in beginsel alleszins gerechtvaardigd. Toch zal het hof daarvoor niet kiezen om de volgende reden.

In strafmatigende zin wordt meegewogen dat het een poging tot zware mishandeling betreft, waarbij gelukkig geen zwaar letsel (in de zin van art. 82 Sr.) is ontstaan. Daarnaast lijkt de verdachte zijn leven inmiddels op de rit te hebben. Hij heeft een eigen bedrijf, woont thuis bij zijn moeder en draagt daar bij aan de (financiële) zorg en tracht jongeren van de straat te houden door activiteiten voor hen te organiseren. Bovendien is de verdachte, blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

12 november 2020, niet eerder maar ook niet na de pleegdatum van het onderhavige feit voor een soortgelijk delict met politie en justitie in aanraking gekomen.

Het hof acht het niet alleen in het belang van de verdachte maar ook in dat van de samenleving dat de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte niet worden doorkruist door een straf die ervoor zorgt dat de verdachte opnieuw van zijn vrijheid beroofd zal raken. Indien dat wel zou gebeuren, is de kans dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt immers veel groter.

Desalniettemin zal het hof aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om de verdachte in te scherpen dat hij zijn agressie in de toekomst in bedwang houdt en zich ook overigens niet aan strafbare feiten schuldig maakt. Het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf zal beperkt blijven tot de dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit zal het hof aan de verdachte daarnaast een taakstraf voor de maximale duur opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een maximale taakstraf passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich ter zake van het tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 6.533,91, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 4.033,91 ter compensatie van materiële schade (bestaande uit: € 242,00 glasschade telefoon, € 325,00 beschadigde schoenen, € 366,33 eigen risico,

€ 23,26 kosten tandarts, € 895,00 cursus [cursus], € 2.135 verlies arbeidsvermogen en € 47,32 reiskosten) en een bedrag van € 2.500,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.786,91 (bestaande uit: € 786,91 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering (hoofdelijk) moet worden toegewezen en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, met als enige uitzondering dat de kostenposten glasschade aan telefoon en beschadigde schoenen moeten worden gematigd tot de volgende bedragen: € 200,00 (glasschade telefoon) en € 150,00 (beschadigde schoenen).

Het standpunt van de verdediging is – kort gezegd – dat de materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van (in totaal) € 500,00. De materiële kostenpost van het verlies aan arbeidsvermogen moet worden afgewezen omdat deze door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Voorts heeft de verdediging gesteld dat de vordering ter compensatie van immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,00.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op vooromschreven wijze. Aldus heeft hij jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij gehouden tot vergoeding van de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade

heeft geleden tot een bedrag ter hoogte van € 736,91. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  1. Glasschade telefoon € 200,00

  2. Beschadigde schoenen € 100,00

  3. Eigen risico (medische kosten) € 366,33

  4. Kosten tandarts € 23,26

  5. Reiskosten € 47,32

Ad a. glasschade telefoon

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 242,00 gevorderd ter zake van glasschade aan zijn telefoon. Uit het dossier blijkt dat de telefoon van de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde is beschadigd, zodat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij op dat punt rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft een foto overgelegd van zijn beschadigde telefoon maar geen aankoopbon en/of (reparatie)factuur van dit goed. Daarom zal het hof gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid om de materiële schade naar redelijkheid vast te stellen. Het hof zal onder de gegeven omstandigheden het schadebedrag schatten en vaststellen op € 200,00. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering nadere bewijslevering zou vergen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

Ad b. beschadigde schoenen

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 325,00 gevorderd ter zake van beschadigde schoenen. Uit het dossier blijkt dat de schoenen van de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde

zijn beschadigd, zodat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft diverse foto’s overgelegd van zijn beschadigde schoenen, maar geen aankoopbon en/of (reparatie)factuur van deze goederen. Daarom zal het hof gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid om de materiële schade naar redelijkheid vast te stellen. Nu uit de foto’s is af te leiden dat het geen nieuwe schoenen betreft zal het hof onder de gegeven omstandigheden het schadebedrag schatten en naar algemene ervaringsregels vaststellen op € 100,00. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering nadere bewijslevering zou vergen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

Ad c. en d. eigen risico en kosten tandarts

Uit de bijlagen achter het schadeopgaveformulier blijkt dat deze opgevoerde kosten noodzakelijk zijn gemaakt als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte (en zijn mededaders). Daarmee heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het handelen van de verdachte. Het hof wijst daarom een bedrag van € 366,33 toe voor het eigen risico van 2019 en € 23,26 voor kosten tandarts.

Ad e. reiskosten

Uit het schadeopgaveformulier blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit kosten heeft moeten maken voor (psychische) medische hulp. Deze reiskosten zijn als rechtstreekse schade aan te merken die voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Het hof zal deze kosten, die in redelijkheid zijn gemaakt en naar hun omvang redelijk zijn, begroten op het gevorderde bedrag van € 47,32.

Cursus en verlies arbeidsvermogen

Ten aanzien van het gevorderde verlies aan arbeidsvermogen en de cursus bij [cursus] is het hof van oordeel dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. Zonder nader onderzoek kan niet worden vastgesteld of sprake is van (rechtstreekse) schade als gevolg van dit strafbare feit. Het verrichten van een dergelijk onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Immateriële schade

Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de

benadeelde partij lichamelijk letsel heeft bekomen in de vorm van een hoofdtrauma en traumatisch letsel aan zijn buik, diverse schaafverwondingen en een neusbloeding met mogelijk scheefstand van de neus.

Daarnaast is sprake van geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatisch stressstoornis – die mede is veroorzaakt door onderhavig incident – waarvoor de benadeelde partij onder behandeling is bij GGZ team [adres 2]. Hieruit kan naar het oordeel van het hof gevoeglijk worden afgeleid dat de benadeelde partij lichamelijk en geestelijk letsel bij het incident heeft opgelopen.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is in het bijzonder gelet op de

ernst van de aantasting van de persoonlijke integriteit van benadeelde partij, de aard van het lichamelijke en geestelijke letsel en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend.

Totaal toegewezen bedrag

De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)

€ 3.236,91 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Als aanvangsdatum voor de wettelijke rente zal het hof steeds het moment nemen waarop de schade is ingetreden. Ten aanzien van de tandartskosten wordt daarbij de factuurdatum als uitgangspunt genomen. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 57 (zevenenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de

uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.236,91 (drieduizend tweehonderdzesendertig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 736,91 (zevenhonderdzesendertig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen respectieve aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.236,91 (drieduizend tweehonderdzesendertig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 736,91 (zevenhonderdzesendertig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen respectieve aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 24 maart 2019 over een bedrag van € 666,33 ter zake van glasschade telefoon, beschadigde schoenen en kosten eigen risico, en

- 27 maart 2019 over een bedrag van € 47,32 ter zake van reiskosten, en

- 5 april 2019 over een bedrag van € 23,26 ter zake van kosten tandarts.

en van de immateriële schade op 24 maart 2019.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. N. van der Wijngaart en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 december 2020.

mr. M.L.M. van der Voet is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.