Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3312

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
200.267.365/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven. Geweldpleging en bedreiging van verzuimbegeleider tijdens huisbezoek zieke werknemer is bewezen. In eerste aanleg is de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens verwijtbaar handelen en is het handelen van werknemer als ernstig verwijtbaar aangemerkt. Werknemer behoudt recht op achterstallig salaris. Wilco-beschikking mist toepassing.

Art. 7:677, 683 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2020/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.267.365/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7433855 EA VERZ 18-1019

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 december 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. K. Both te Vleuten,

tegen

MACBLAUW FACILITY B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. C.J. van Veen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en MacBlauw genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift met bijlagen, ontvangen ter griffie van het hof op 8 oktober 2019, onder aanvoering van zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaaknummer, op 9 juli 2019 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof de genoemde beschikking gedeeltelijk zal vernietigen, en:

primair de arbeidsovereenkomst per 9 juli 2019 zal herstellen en omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst een voorziening zal treffen als bedoeld in artikel 7:683 lid 4 BW in samenhang met artikel 7:682 lid 6 BW;

subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst niet wordt hersteld, aan [appellant] een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto zal toekennen,

een en ander met veroordeling van MacBlauw in de proceskosten in beide instanties en uitvoerbaar bij voorraad.

Op 28 november 2019 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel met bijlagen van MacBlauw ingekomen, ertoe strekkende in principaal appel de verzoeken van [appellant] af te wijzen. In incidenteel appel heeft MacBlauw het hof verzocht:

i) voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig door MacBlauw is opgezegd wegens dringende redenen;

ii) [appellant] te veroordelen tot betaling van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ad € 3.169,57;

iii) [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van het door MacBlauw als gevolg van de beschikking waarvan beroep betaalde loon, vakantiegeld en emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Verder heeft MacBlauw verzocht [appellant] in principaal appel en in incidenteel appel te veroordelen in de proceskosten waaronder de nakosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

Op 16 januari 2020 is van [appellant] een verweerschrift in incidenteel appel ingekomen ertoe strekkende de verzoeken van MacBlauw af te wijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van MacBlauw in de proceskosten.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 25 september 2020. Bij die gelegenheid hebben de in de kop van deze beschikking genoemde advocaten namens partijen het woord gevoerd, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Bij die gelegenheid hebben zij tevens nadere op voorhand toegezonden producties in het geding gebracht. Partijen hebben voorts vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. De feiten behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.2.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1985, is op 15 mei 2018 voor de duur van een jaar in dienst getreden van MacBlauw in de functie van Medewerker TD. Op 15 november 2018 is de arbeidsovereenkomst met ingang van 14 november 2018 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [appellant] verdiende laatstelijk een bruto maandsalaris van € 2.652,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten op basis van een 40-urige werkweek.

2.3.

Op 20 november 2018 heeft [appellant] zich, na een eerdere ziekmelding op 7 november 2018, wederom ziekgemeld.

2.4.

Op 26 november 2018 heeft [A] (hierna: [A] ), verzuimbegeleider bij de door MacBlauw ingeschakelde arbodienst Profittplan, rond 16:15 uur een huisbezoek gebracht aan [appellant] . [appellant] verbleef op dat moment op het woonadres van zijn ouders. [A] heeft na afloop van het huisbezoek direct telefonisch contact gezocht met MacBlauw.

2.5.

Bij brief van 26 november 2018 heeft [B] (hierna: [B] ), HR Manager bij MacBlauw, na die dag telefonisch contact te hebben gehad met [appellant] , aan [appellant] bevestigd dat hij per direct op non-actief was gesteld hangende het onderzoek naar wat volgens de arbodienst was voorgevallen tijdens het huisbezoek.

2.6.

[A] heeft op 27 november 2018 een e-mail aan MacBlauw gezonden met daarin een beschrijving van het verloop van het huisbezoek. De e-mail luidt onder meer als volgt:

Ik heb werknemer naar zijn klachten gevraagd en hij heeft mij deze aangegeven. (…) Als ik verder uitvraag hoe de huidige situatie is ervaart werknemer dat zichtbaar als vervelend en geeft aan dat hij “ziek is”. Ik heb hem gevraagd om een inschatting te kunnen maken of hij op de schaal van 1-10 aan kan geven hoe de klachten nog door hem worden ervaren op dit moment. Hierop wordt werknemer opnieuw boos en geeft opnieuw aan dat hij heeft gezegd “ziek te zijn”. Ik heb toen aangegeven dat ik het jammer vindt dat hij hier boos om wordt en letterlijk geëxcuseerd hiervoor en aangegeven dat dit niet mijn bedoeling was. Toen werknemer boos bleef en dreigde dat ik uit moest kijken dat hij “me iets aan ging doen” heb ik aangegeven dat ik aan de werkgever over zou brengen dat hij “ziek is” en heb hem “beterschap gewenst”. Opnieuw gaf werknemer toen aan dat ik uit moest kijken dat hij me (iets, hof) aan ging doen. Ik heb me toen omgedraaid en ben weg gelopen van de voordeur. Zonder dat ik dat bemerkte kwam werknemer achter mij aan en drong mij door fysiek geweld (slaan en duwen op mijn rug en nek) uit zijn voortuin. Ik heb hier niet meer op gereageerd en ben naar mijn auto gelopen om verdere escalatie te voorkomen. (…)”

2.7.

Op 27 november 2018 heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen onder anderen [B] en [appellant] waarbij over het huisbezoek is gesproken. In de door [B] opgestelde notitie van dat telefoongesprek staat onder meer het volgende:

Aangegeven door werkgever bij begin gesprek:

Gister is de Arbodienst bij je geweest. Je hebt bij [C] (hof: [C] , Hoofd Onderhoud bij MacBlauw en toen leidinggevende van [appellant] ) aangegeven de medewerker van de arbodienst het tuinpad afgejaagd te hebben en hier niet trots op te zijn. De arbodienst heeft ook een verhaal, maar ik wil graag jouw verhaal horen.

Wat medewerker aangeeft: (dit verhaal is verteld door werknemer, dus op deze manier denkt medewerker erover / geheel volgens hem)

(…)

  • -

    De man van de arbodienst bleef maar vragen hoe hij zich voelde op een schaal van 0 tot 10 en wilde alleen maar weten wanneer hij weer dacht te kunnen beginnen.

  • -

    [appellant] werd hem zat en accepteerde dit niet. Volgens hem was hij te brutaal en daarom gaf hij tegengas.

  • -

    Hij heeft gezegd dat hij moest wegwezen, omdat hij hem zowat wilde aanvliegen.

  • -

    Hij moest wegwezen, voordat hij hem ging aan vliegen. (…)”

2.8.

MacBlauw heeft [appellant] op 27 november 2018 op staande voet ontslagen. In de aan [appellant] gerichte ontslagbrief van diezelfde datum staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

7 Tijdens het gesprek bij de voordeur heeft [A] (onder meer) de gebruikelijke vraag gesteld of je kon aangeven hoe erg je je klachten nu ervaart op een schaal van 1 tot 10;

8 Op deze laatste vraag heb je boos gereageerd;

9 [A] heeft laten weten dat hij het jammer vond dat je boos werd en zijn excuses aan je aangeboden;

10 Je hebt [A] hierna bedreigd door herhaald te zeggen dat hij “uit moest kijken” omdat je hem anders ‘iets aan ging doen”;

11 [A] heeft vanwege jouw dreigende woorden het gesprek afgesloten; aangegeven te rapporteren dat je ziek bent; en je beterschap gewenst;

12 Je herhaalde hierop de eerder geuite dreigementen;

13 [A] heeft zich vervolgens omgedraaid om naar zijn auto terug te lopen;

14 Jij bent achter [A] aangelopen en hebt hem een of meerdere keren van achteren geslagen;

15 Nadat wij van Profittplan een korte terugkoppeling ontvingen waaruit het onder punt 14 omschreven punt bleek, hebben wij jou geschorst;

16 Vanochtend, 27 november 2018, heb ik telefonisch met jou gesproken over de directe aanleiding voor de schorsing. (…)

17 In het telefoongesprek heb je bevestigd dat je een medewerker van Profittplan hebt bedreigd door te zeggen dat je hem “wat aan ging doen”;

18 Tevens heb je bevestigd dat je de medewerker van de arbodienst “van het tuinpad hebt gejaagd”;

19 Nadat wij inmiddels een verklaring van [A] hebben ontvangen, is ons duidelijk geworden wat jij hiermee bedoelde.

Het is ons op basis van de bovenstaande feiten en omstandigheden afdoende duidelijk geworden dat jij je schuldig maakte aan bedreiging en geweld tegen een door MacBlauw in het kader van jouw reintegratie ingeschakelde derde. Beiden zijn niet toelaatbaar op grond van de wet en evenmin op grond van artikel 6.6 van het personeelsreglement van MacBlauw. Zij vormen bovendien dringende redenen die, ieder voor zich en onderlinge samenhang, een onmiddellijk einde van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande rest ons geen andere optie dan je arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Bij onze beslissing hebben wij rekening gehouden met jouw relevante persoonlijke omstandigheden (…)”

2.9.

Op 28 november 2018 heeft [A] aangifte gedaan bij de politie. In het proces-verbaal van deze aangifte staat onder meer het volgende:

Ik hoorde de manspersoon voor een tweede keer tegen mij zeggen, met woorden gelijkende: “Kijk uit, want ik doe je wat aan.” (…) Ik wenste de manspersoon nog beterschap en draaide mij om en liep naar mijn auto. Ik liep bij de voordeur weg, richting mijn auto. Ik had mijn rug naar de manspersoon gekeerd. (…) Ik was ongeveer drie (3) meter bij de voordeur van de woning vandaan, toen ik uit het niets, met kracht, een klap op mijn rug voelde. Na deze klap volgde meteen, met kracht, een tweede klap op mijn rug, gevolgd door een krachtige, derde klap die ik voelde aan de linkerzijde van mijn nek. Ik voelde op het moment van slaan pijn in mijn rug en mijn nek. Ik keek om en zag de manspersoon achter mij staan, waar ik net afscheid van had genomen. Ik zag dat het de heer [appellant] was. Ik zei nog net met woorden gelijkende: Ho Ho Ho. Ik liep door naar mijn auto, met een scheve blik gericht naar de manspersoon. Ik zag de manspersoon terug lopen naar de woning. Ik zag dat de man de voordeur sloot. (…)”

2.10.

Bij brief van 7 december 2018 heeft mr. Both voornoemd aan MacBlauw laten weten, kort weergegeven, dat [appellant] het aan hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig achtte, dat [appellant] aanspraak maakte op loondoorbetaling en dat [appellant] bereid was aan re-integratie en hervatting van zijn werkzaamheden na herstel mee te werken.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg verzocht om - samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang - vernietiging van het aan hem gegeven ontslag op staande voet en betaling van (achterstallig) loon en emolumenten vanaf 1 november 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, met veroordeling van MacBlauw in de proceskosten.

3.2.

MacBlauw heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [appellant] . MacBlauw heeft - bij wijze van tegenverzoek - verzocht [appellant] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ad € 3.169,57. Voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou worden geacht, heeft MacBlauw verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen. MacBlauw heeft, ten slotte, verzocht [appellant] te veroordelen in de proceskosten waaronder de nakosten.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, na getuigen te hebben gehoord, geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat de dringende redenen die daaraan ten grondslag zijn gelegd niet zijn bewezen.

Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat hoewel de verklaring van [A] onder ede overtuigend was en [A] een betrouwbare indruk had gemaakt, de verklaring van [A] op een aantal wezenlijke punten inconsistent was, onder meer over de plek waar [appellant] [A] de vermeende klappen zou hebben gegeven en op het punt of [A] na het voorval [appellant] in het oog heeft gehouden tot hij terug was in de woning. Daarnaast heeft de kantonrechter niet bewezen geacht dat [appellant] in het telefoongesprek op 27 november 2018 tegen [B] uit zichzelf heeft gezegd dat hij [A] niet had aangeraakt. De kantonrechter heeft wel een grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst aanwezig geacht. In dat kader heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [A] niet binnen te laten, het gesprek buiten te voeren en [A] na enige tijd met stemverheffing weg te jagen waarbij bewezen wordt geacht dat [appellant] op dreigende toon tegen [A] heeft gezegd dat hij hem wat zou aandoen als hij niet zou ophouden. De kantonrechter heeft de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd, de arbeidsovereenkomst per de datum van de beschikking ontbonden, MacBlauw veroordeeld tot betaling van het achterstallig salaris/ziekengeld ad € 2.652,- bruto per maand, vermeerderd met vakantietoeslag en overige emolumenten vanaf 1 november 2018 tot aan de ontbindingsdatum, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata tot de dag van algehele betaling, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4.

In principaal appel komt [appellant] met zeven grieven op tegen de beslissing dat [appellant] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. In incidenteel appel zijn de vier grieven van MacBlauw gericht tegen het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Gelet daarop zal eerst het incidentele appel worden behandeld.

Ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven?

3.5.

MacBlauw heeft aan het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat [appellant] zich op 26 november 2018 schuldig heeft gemaakt aan geweldpleging en bedreiging jegens [A] . Gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant] van deze door MacBlauw gestelde dringende redenen, rust op MacBlauw de bewijslast van haar stelling. MacBlauw heeft met grief I in incidenteel appel betoogd dat de kantonrechter ten onrechte niet bewezen heeft geacht dat [appellant] op 26 november 2018 geweld tegen [A] heeft gebruikt. MacBlauw wijst in dit verband naar de verklaringen van [A] en [B] onder ede, ondersteund door de door MacBlauw overgelegde schriftelijke stukken.

3.6.

[A] heeft onder ede onder meer het volgende verklaard. Toen hij [appellant] vroeg of hij op een schaal van 1 tot 10 kon aangeven hoe hij zich voelde, zei [appellant] op dreigende toon “nu moet je ophouden, anders doe ik je iets aan”. Hij heeft toen zijn excuses aangeboden, gezegd dat hij de werkgever zou laten weten dat [appellant] ziek was en hem beterschap gewenst. Daarna heeft hij zich omgedraaid en is het pad voor het huis afgelopen, rechtsaf de stoep op. Na een paar meter is hij een kunstgrasveldje opgelopen. Toen hij ongeveer zijn eerste stap zette op het kunstgrasveldje, voelde hij uit het niets een paar klappen op zijn rug en nek. Het waren drie klappen. Toen hij omkeek stond [appellant] daar. Hij is weggelopen en heeft af en toe nog omgekeken. Toen zag hij [appellant] niet meer.

3.7.

[B] heeft onder ede verklaard dat [A] haar na het voorval telefonisch heeft laten weten dat [appellant] boos was toen hem vragen werden gesteld en dat toen [A] wegging hij meerdere klappen rond zijn hoofd en nek voelde. Volgens [B] klonk [A] tijdens dat telefoongesprek anders dan normaal. [B] heeft verklaard dat [A] normaal een rustige kalme man is en dat hij toen snel praatte, zei dat het hem nog nooit was gebeurd en dat je de emotie in zijn stem kon horen. Zij schrok er zelf ook van, zowel door de manier waarop [A] praatte als door het voorval zelf zoals door hem beschreven. [appellant] heeft in het telefoongesprek op 27 november 2018 tegen haar gezegd dat hij [A] niet had aangeraakt. Ze weet niet meer hoe [appellant] daarop kwam. Wel weet ze dat [appellant] meerdere keren zei dat hij [A] zowat wilde aanvliegen.

3.8.

Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat bewezen wordt geacht dat [appellant] tijdens het huisbezoek van 26 november 2018 geweld tegen [A] heeft gebruikt. Hiertoe dient het volgende. Vooropgesteld wordt dat [appellant] en [A] elkaar vóór 26 november 2018 niet kenden, zoals [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard. Er was dus geen aanleiding voor [A] het door hem beschrevene te verzinnen. Het hof acht het relaas van [A] over wat zich op 26 november 2018 tijdens het huisbezoek tussen [appellant] en hem heeft afgespeeld, mede gelet op de gedetailleerdheid ervan, geloofwaardig. Ten eerste is van belang dat [A] niet aan MacBlauw is verbonden, maar werkzaam is bij een externe arbodienst. [A] had en heeft dus geen enkel belang bij het verdraaien van de feiten. Ten tweede weegt mee de functie van [A] . [A] dient bij een huisbezoek aan een zieke werknemer naar diens gezondheid te vragen om vervolgens een advies aan de werkgever uit te brengen over (mogelijke) re-integratie. [A] kwam dus bij [appellant] met goede bedoelingen. Dat wordt ondersteund door het feit dat [A] , ondanks het voorval, [appellant] dezelfde dag nog netjes ziek heeft gemeld. Verder heeft [A] direct na het voorval telefonisch contact opgenomen met [B] . Wat [B] onder ede heeft verklaard over de inhoud van dat gesprek en de gemoedstoestand van [A] , rijmt met de verklaring van [A] . In al zijn verklaringen waaronder de door hem gedane aangifte bij de politie (zie onder 2.6, 2.9 en 3.6) is [A] consistent geweest in relevante details zoals het aantal klappen dat [appellant] hem heeft gegeven (drie), de plek daarvan (rug en nek), en verder de dreigende woorden die [appellant] daarvóór tegen hem had geuit, te weten dat [appellant] ‘hem iets aan ging doen’. Ten slotte weegt het hof mee dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [A] tijdens het getuigenverhoor een betrouwbare indruk heeft gemaakt en dat zijn verklaring overtuigend overkwam.

3.9.

Hiertegenover staan de verklaringen onder ede van [appellant] en zijn moeder. [appellant] heeft evident een groot belang bij het ontkennen dat hij geweld tegen [A] heeft gebruikt. De moeder van [appellant] heeft verklaard dat zij uit het slaapkamerraam heeft kunnen zien wat zich tussen [appellant] en [A] bij de voordeur heeft afgespeeld. Zij bevestigt de verklaring van [appellant] dat hij geen fysiek geweld tegen [A] heeft gebruikt. De verklaringen van [appellant] en zijn moeder leggen onvoldoende gewicht in de schaal om het bewijs dat voortvloeit uit de verklaringen van [A] en [B] te ontkrachten. [A] , geconfronteerd met de foto’s van de woonomgeving van [appellant] , heeft op de zitting in eerste aanleg specifiek de plek van het voorval beschreven. Uitgaande van de gedetailleerde beschrijving van de plek van het voorval zoals [A] die ter zitting in eerste aanleg heeft gegeven, nadat aan hem foto’s van de woonomgeving van [appellant] waren getoond, is niet aannemelijk geworden dat de moeder van [appellant] vanuit het slaapkamerraam heeft kunnen zien wat zich op die plek heeft voorgedaan. Het hof hecht, anders dan [appellant] , geen grote waarde aan het feit dat [A] de plek van het voorval in zijn verklaring onder ede anders heeft beschreven dan in zijn verklaringen vlak ná 26 november 2018. Het is immers goed denkbaar dat [A] zich op die momenten onder invloed van emotie en stress minder details over het woonadres van [appellant] voor de geest kon halen. Op het punt van de geweldpleging wordt aan de verklaring onder ede van [D] , een vriend van [appellant] , geen waarde toegekend omdat hij bij het voorval niet aanwezig was en zijn verklaring niet berust op eigen wetenschap maar is gebaseerd op wat [appellant] hem na het voorval telefonisch hierover heeft verteld.

3.10.

Al het voorgaande brengt mee dat grief I slaagt. Evident is dat het gebruik van geweld tegen een medewerker van de arbodienst in de uitoefening van zijn werk zonder enige aanleiding en deugdelijke reden, zoals in dit geval, een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.

3.11.

Het hof acht, evenals de kantonrechter, daarnaast bewezen dat [appellant] zich tijdens het huisbezoek op 26 november 2018 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [A] . Niet alleen volgt dat uit de verklaringen van [A] , ook [appellant] heeft onder ede verklaard dat hij ‘uit zijn schoen is geklapt’ door te zeggen: ‘nou wegwezen, ik ben het nou zat’ en dat hij daarbij zijn stem heeft verheven. In de telefoonnotitie van 27 november 2018 van [B] (zie 2.7), herhaald in haar verklaring onder ede (zie 3.7), staat dat [appellant] tegenover [B] heeft verklaard dat hij [A] ‘zowat wilde aanvliegen’. De ter zitting in hoger beroep door [appellant] herhaalde stelling dat hij slechts met stemverheffing [A] heeft weggestuurd, acht het hof ongeloofwaardig. In dit verband heeft het hof meegewogen dat [appellant] ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat hij bij zijn vorige werkgever prima heeft gewerkt en nooit een waarschuwing heeft gehad, terwijl hij in juni 2017 vanwege het aannemen van een dreigende houding op de werkvloer geschorst is geweest hetgeen is gebleken uit een door MacBlauw in hoger beroep in het geding gebrachte productie (bijlage 25). Daarnaast is moeilijk voor te stellen dat [appellant] direct na het voorval zijn leidinggevende zou bellen met de bewoordingen dat hij [A] ‘het tuinpad af had gejaagd’ als hij slechts met stemverheffing aan [A] kenbaar had gemaakt dat hij weg moest gaan. Het bedreigen van [A] door [appellant] geldt als een zodanige gedraging dat van MacBlauw niet kon worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst zou voortduren. Grief II in incidenteel appel waarmee MacBlauw betoogt dat de bewezenverklaarde bedreiging eveneens een dringende reden voor het ontslag op staande voet opleverde, slaagt dus.

3.12.

De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De door MacBlauw verzochte verklaring voor recht hieromtrent zal worden toegewezen. Ook het verzoek van MacBlauw [appellant] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ad € 3.169,57 is toewijsbaar. [appellant] heeft een beroep gedaan op matiging omdat hij financieel aan de grond zou zitten, maar heeft dit beroep niet concreet onderbouwd. Om die reden wordt het beroep op matiging niet gehonoreerd. Verder dient [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. De grieven III en IV in incidenteel appel die op het voorgaande betrekking hebben, treffen doel.

3.13.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat het dienstverband - achteraf bezien - heeft voortbestaan gedurende de periode gelegen tussen 27 november 2018 (datum ontslag op staande voet) en 9 juli 2019 (ontbinding). Het wettelijk stelsel brengt mee dat door de vernietiging van de opzegging de arbeidsovereenkomst (en in beginsel ook de verplichting tot loonbetaling) doorloopt tot het moment dat de arbeidsovereenkomst alsnog rechtsgeldig is beëindigd. Dat laatste is geschied doordat de kantonrechter bij de bestreden beschikking arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft ontbonden met ingang van 9 juli 2019, nog voordat de procedure in hoger beroep aanhangig is gemaakt. Van de door de Hoge Raad in de zogenoemde Wilco-beschikking (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209) gesignaleerde onrechtvaardige verplichting tot loonbetaling gedurende de looptijd van een procedure in meerdere instanties is dus in dit geval geen sprake geweest. Daarnaast is in de onderhavige zaak niet aan de orde dat de beslissing in eerste aanleg in het voordeel van [appellant] is uitgevallen in verband met bewijsproblemen (zoals in de beschikking van de Hoge Raad), met fouten in de procesvoering die in hoger beroep zijn hersteld, met een misslag van de eerste rechter of met een andere oorzaak die geen verband houdt met waardering van de feiten. In deze zaak gaat het juist wel om een andere waardering van de feiten door het hof. Waar de kantonrechter de door MacBlauw aan het ontslag op staande voet van 27 november 2018 ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden en de overige omstandigheden van het geval niet als dringende reden voor een ontslag heeft aangemerkt, komt het hof op grond van waardering van dezelfde feiten en omstandigheden tot een tegengesteld oordeel. Anders gezegd: [appellant] heeft in eerste aanleg geen feiten of omstandigheden ‘achtergehouden’ die, als die bekend waren geweest in de procedure in eerste aanleg, tot een andere uitkomst zouden hebben geleid. Hierin ziet het hof aanleiding om het verzoek van MacBlauw tot terugbetaling van het loon over de periode gelegen tussen 1 november 2018 en de datum van ontbinding, af te wijzen.

3.14.

Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het gegeven ontslag op staande voet leidt ertoe dat de grieven in principaal appel falen en dat de verzoeken van [appellant] in hoger beroep zullen worden afgewezen.

3.15.

De slotsom is dat beschikking waarvan beroep, behoudens de daarbij uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de veroordeling tot betaling van het achterstallig salaris, vermeerderd met vakantiegeld en overige emolumenten en wettelijke rente dient te worden vernietigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg alsook in de proceskosten in principaal appel en in incidenteel appel, waaronder de nakosten.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en in incidenteel appel:

vernietigt de bestreden beschikking behoudens voor zover daarbij de arbeidsovereenkomst is ontbonden met ingang van 9 juli 2019 en MacBlauw is veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris/ziekengeld, vermeerderd met vakantiegeld en overige emolumenten vanaf 1 november 2018 tot aan de ontbindingsdatum, vermeerderd met de wettelijke rente;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af de verzoeken van [appellant] ;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet op 27 november 2018 rechtsgeldig is gegeven en dat de arbeidsovereenkomst van [appellant] per die datum had moeten eindigen;

veroordeelt [appellant] tot betaling van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ad € 3.169,57;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van MacBlauw gevallen, in eerste aanleg op € 700,- voor salaris, in principaal appel op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris en in incidenteel appel op € 1.074,- aan salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij deze beschikking uitgesproken veroordeling(en) en betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden;

verklaart deze (kosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het (in hoger beroep) meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T.S. Pieters, M.L.D. Akkaya en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.