Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3310

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
200.262.001/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht. Art. 5 lid 1 onder a EVEX-Verdrag. Plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd. Bewijsopdracht inzake gestelde koopovereenkomst aandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.262.001/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/274627/HAZA 18-371

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 december 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. J.W. Spanjer te Heemstede,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , Zwitserland,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.G.M. Scheers te Roermond.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 4 juni 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 13 maart 2019, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, daaronder begrepen de beslagkosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

[appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Korte samenvatting van de zaak

[appellante] vordert in deze zaak van [geïntimeerde] betaling van een bedrag van € 30.000. Volgens haar heeft zij voor dit bedrag van [geïntimeerde] aandelen gekocht in een Zwitserse vennootschap, waarvan [geïntimeerde] de aandeelhouder is. De koopprijs heeft zij op 2 oktober 2014 op verzoek van [geïntimeerde] overgemaakt naar een door hem opgegeven bankrekeningnummer, zo stelt zij. Omdat [geïntimeerde] niet aan zijn verplichting tot levering van de aandelen heeft voldaan, moet hij nu de koopprijs terugbetalen, zo luidt – in het kort – haar betoog. [geïntimeerde] betwist de gestelde koopovereenkomst. De betaling van € 30.000 is volgens hem met een ander doel gedaan.

Het hof dient zich te buigen over de vraag of het bevoegd is over deze zaak te oordelen, omdat [geïntimeerde] in Zwitserland woont, wat – in beginsel – de Zwitserse rechter bevoegd maakt. Als het hof bevoegd is om de zaak te beoordelen, is de hoofdvraag die het hof moet beantwoorden of de gestelde koopovereenkomst tussen partijen is gesloten.

3 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.7) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen neer op het volgende.

3.1

[geïntimeerde] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap naar Zwitsers recht Swiss Finance Asset Management & Trust AG (hierna: SFAM). SFAM houdt zich bezig met vermogensbeheer.

3.2

[geïntimeerde] is tevens bestuurder van de Stichting Administratiekantoor CASA, die op haar beurt enig aandeelhouder is van CASA B.V. te Roermond. Zijn (zakelijk) partner is bestuurder van CASA Ltd, een vennootschap gevestigd op Malta.

3.3

Op 2 oktober 2014 heeft [appellante] een bedrag van € 30.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van CASA Ltd met als omschrijving “Kauf Aktien SFAM”.

3.4

[appellante] is getrouwd met [A] (hierna: [A] ). [A] was in 2014 via Suwest Beheer B.V. (hierna: Suwest) aandeelhouder en bestuurder van [X] Vermogensbeheer B.V. (hierna: [X] ). [geïntimeerde] is werkzaam geweest voor [X] en heeft in 2015 van Suwest de aandelen in [X] gekocht.

3.5

[X] huurde in 2014 een bedrijfsruimte van CASA Ltd en nam ook diensten van CASA Ltd af.

3.6

In oktober 2016 heeft [appellante] een drietal e-mails gestuurd naar het adres [emailadres] , gericht aan [geïntimeerde] , met de vraag wanneer zij haar geld van [geïntimeerde] terug zou krijgen. Hierop is niet gereageerd.

3.7

Tussen [geïntimeerde] enerzijds en [A] en Suwest anderzijds bestaat een geschil over de uitvoering van de in 3.4 genoemde koopovereenkomst betreffende de aandelen in [X] . [geïntimeerde] stelt een aanzienlijke vordering op [A] en Suwest te hebben.

3.8

[appellante] heeft ter verzekering van haar in deze procedure geldend gemaakte vordering in mei 2018 ten laste van [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [A] .

4 Beoordeling

4.1

[appellante] vordert in deze procedure van [geïntimeerde] betaling van € 30.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2014 en met incassokosten. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] in hoger beroep op.

Rechtsmacht

4.2

Het hof dient ambtshalve te beoordelen of het bevoegd is om over de vordering te oordelen, dat wil zeggen of het internationale rechtsmacht heeft. Dat wordt niet anders doordat [geïntimeerde] geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 3 oktober 2018, waarin de rechtbank zich bevoegd heeft geacht. De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn immers van openbare orde.

4.3

Het hof acht zich bevoegd om over de zaak te oordelen. Ter motivering van dit oordeel wordt kortheidshalve verwezen naar de rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.6 van het genoemde incidentele vonnis, waarmee het hof zich verenigt, en waarvan de essentie hier zal worden herhaald, met een verduidelijking.

4.4

Het hof ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 5 lid 1 onder a van het EVEX-Verdrag (Verdrag van 30 oktober 2007, PbEU 2009, L 147, zoals laatstelijk gewijzigd op 3 maart 2017, PbEU 2017, L 57), dat naast het gerecht van de woonplaats van de gedaagde voor verbintenissen uit overeenkomst een alternatief forum schept, te weten het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd. Als verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in de zin van deze bepaling moet worden aangemerkt de verbintenis waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van de rechtsvordering (HvJ EU 14 maart 2013, C-419/11, ECLI:EU:C:2013:165). [appellante] grondt haar vordering op de niet-nakoming door [geïntimeerde] van zijn uit de gestelde overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot terugbetaling van de koopprijs (welke verbintenis met zoveel woorden is geformuleerd in artikel 4 van de door [appellante] overgelegde, volgens haar van [geïntimeerde] ontvangen, overeenkomst), althans op de niet-nakoming door [geïntimeerde] van zijn verbintenis tot levering van de aandelen in SFAM. De vraag is vervolgens waar deze verbintenissen moeten worden uitgevoerd naar Zwitsers recht, als het recht dat ingevolge artikel 4 lid 2 Rome I (Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) op de gestelde overeenkomst van toepassing is. De terugbetaling van de koopprijs dient naar Zwitsers recht (artikel 74 B aanhef lid 2 onder 1 Bundesgesetz betreffend die Ergänzung des Schweizerischen Zivilgesetzbuches (Fünfter Teil: Obligationenrecht)) te geschieden aan de woonplaats van de schuldeiser (tenzij anders overeengekomen, hetgeen in dit geval gesteld noch gebleken is), in dit geval dus in Nederland als de woonplaats van [appellante] . De levering van de aandelen door [geïntimeerde] diende ingevolge de gestelde overeenkomst te geschieden door bijschrijving van de aandelen op het aandelendepot dat [appellante] in Nederland bij ABN AMRO aanhoudt, zodat ook die verbintenis in Nederland diende te worden uitgevoerd. De conclusie luidt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

Is de koopovereenkomst gesloten?

4.5

[appellante] stelt gemotiveerd dat zij met [geïntimeerde] een overeenkomst heeft gesloten betreffende de koop van aandelen in zijn vennootschap SFAM voor een prijs van € 30.000. Zij stelt dat zij deze overeenkomst mondeling – via haar echtgenoot [A] , die destijds met [geïntimeerde] samenwerkte en toen nog een goede verstandhouding met hem had – met [geïntimeerde] is aangegaan en dat zij de koopprijs op aanwijzing van [geïntimeerde] heeft overgemaakt op een bankrekening ten name van CASA Ltd. De omschrijving “Kauf Aktien SFAM” die zij aan haar overboeking heeft meegegeven, wijst daar ook op. In hoger beroep heeft zij bovendien (een concept voor) een schriftelijke koopovereenkomst betreffende aandelen in SFAM overgelegd. Zij stelt dat [geïntimeerde] die overeenkomst aan haar ter beschikking heeft gesteld, zij het dat hij die niet heeft ondertekend. In die overeenkomst staat een prijs van CHF 2 per aandeel. Daarin staat verder dat, als voor de aandelen niet voor eind 2015 een beursnotering wordt verkregen én de aandelen een notering van CHF 3 krijgen, de koopovereenkomst zonder gevolg zal blijven, de aandelen niet geleverd zullen worden en de koopprijs zal worden terugbetaald. Zij stelt dat de overeenkomst uiteindelijk met wederzijds goedvinden is ontbonden en dat [geïntimeerde] de koopprijs thans dient terug te betalen, zoals hij ook herhaaldelijk heeft toegezegd.

4.6

[geïntimeerde] betwist de gestelde overeenkomst gemotiveerd. Hij stelt dat de overboeking op de bankrekening van CASA Ltd een andere achtergrond had dan [appellante] stelt. [geïntimeerde] stelt dat de huurpenningen die [X] aan CASA Ltd moest betalen ingevolge de huurovereenkomst tussen hen waren voorgeschoten door SFAM, die dat echter niet wilde blijven doen. In dat verband heeft [geïntimeerde] aan [A] geadviseerd € 30.000 aan CASA Ltd te betalen, aldus [geïntimeerde] . Hij betwist ook de bewijskracht van de door [appellante] overgelegde (concept)overeenkomst en de gestelde toezeggingen om het bedrag van € 30.000 terug te betalen. Hij betwist niet dat hij in 2014 een beursnotering voor de aandelen in SFAM nastreefde. Hij voert aan dat die beursnotering ook is verkregen, maar dat vervolgens de beurs is gefailleerd.

4.7

Het hof zal [appellante] overeenkomstig het door haar gedane aanbod toelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij met [geïntimeerde] een koopovereenkomst betreffende aandelen in SFAM heeft gesloten voor het bedrag van € 30.000. Zij heeft deze stelling voldoende toegelicht, maar de juistheid ervan is in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerde] (nog) niet komen vast te staan. Niet juist is het betoog van [appellante] dat de stellingen van [geïntimeerde] die hiervoor in 4.5 zijn weergegeven een bevrijdend verweer vormen en dat hij daarom met het bewijs van de juistheid van zijn stellingen moet worden belast. [geïntimeerde] betwist de gestelde grondslag van de vordering van [appellante] , zodat [appellante] die zal moeten bewijzen.

4.8

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 Beslissing

Het hof:

laat [appellante] toe tot het bewijs van haar stelling dat zij in 2014 met [geïntimeerde] een overeenkomst tot koop van aandelen in SFAM heeft gesloten voor het bedrag van € 30.000;

beveelt dat, indien [appellante] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. A.P. Wessels, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op dinsdag 23 februari 2021 om 13:00 uur;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door [appellante] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 15 december 2020 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van januari 2021 tot en met maart 2021 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. W.A.H. Melissen, mr. G.C.C. Lewin en mr. A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.