Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3293

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
23-000909-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000909-17

datum uitspraak: 11 november 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-710152-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1957,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 mei 2019 en 28 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 april 2014, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van ongeveer 274.16500,-euro, althans enig geldbedrag, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd geldbedrag gebruik heeft/hebben gemaakt, althans van een (contant) geldbedrag van ongeveer 274.165,- euro, althans van enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende op dit geldbedrag was en/of wie dit geldbedrag voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moet(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Zo leest het hof ‘geldbedrag van 274.16500,- euro’ in de derde zin van de tenlastelegging als ‘geldbedrag van 274.165 euro’. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepersisteerd bij het in eerste aanleg ingenomen standpunt dat het geld, dat bij de medeverdachte [medeverdachte] tijdens haar uitreis uit Nederland is aangetroffen en waarvan de verdachte heeft verklaard dat het van hem is, niet van enig misdrijf afkomstig is. Weliswaar kan de verdachte het evidente bewijs dat het geld een legale herkomst heeft niet leveren, maar uit de wettige bewijsmiddelen kan niet de overtuiging worden bekomen dat de verdachte dit feit heeft gepleegd.

De raadsman heeft op grond hiervan vrijspraak bepleit en heeft verzocht om teruggave van het geld.

Bewijsoverweging

Op donderdag 17 april 2014 heeft de Douane een controle uitgevoerd op de ruimbagage van de medeverdachte [medeverdachte]. [medeverdachte] wilde vanaf Schiphol via Parijs uitreizen naar de Dominicaanse Republiek. In de ruimbagage van [medeverdachte] werden pakketjes aangetroffen met in totaal drie eau de toilette verpakkingen. Nadat de drie verpakkingen waren geopend werden hierin met donkergrijs plastic folie omwikkelde pakketjes aangetroffen. Nadat de donkergrijze pakketjes waren geopend werd een hoeveelheid bankbiljetten van € 500 zichtbaar. In elk van de drie pakketjes is € 91.000 (182 biljetten van € 500) aangetroffen, totaal € 273.000. In de handbagage van [medeverdachte] werd daarnaast nog een bedrag van € 1.165 aangetroffen.

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij een beloning van € 5.000 van de verdachte zou ontvangen voor het transporteren van het geld. Zij heeft verder verklaard, dat de verdachte het geld heeft ingepakt en dat zij het bij aankomst in de Dominicaanse republiek moest afgeven aan de broer van de verdachte. Ook heeft zij verklaard dat zij al eerder met geld voor de verdachte naar de Dominicaanse republiek is gereisd, en dat de verdachte haar heeft gezegd dat als het geld ontdekt zou worden, zij maar een verhaal moest verzinnen. De verdachte heeft bevestigd dat het zijn geld was.

Voor een bewezenverklaring van witwassen is (onder meer) vereist dat komt vast te staan dat de desbetreffende voorwerpen (in dit geval een geldbedrag) middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist of redelijkerwijs moest vermoeden.

Het hof stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat via de luchthaven Schiphol grote bedragen in contanten die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, worden in- of uitgevoerd. Het is in het normale, niet-criminele financiële verkeer hoogst ongebruikelijk om een dergelijk bedrag fysiek te vervoeren, gelet op het risico waarmee dit gepaard gaat. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat coupures van € 500 bijna uitsluitend worden gebruikt in het criminele circuit. Ten slotte vroeg de verdachte de medeverdachte [medeverdachte] naar de Dominicaanse republiek te reizen, een land waarvan bekend is dat er drugs wordt geproduceerd en regelmatig geld naar terug gezonden wordt en zou zij voor het enkele vervoeren een bedrag van € 5000 van de verdachte krijgen.

Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden van witwassen. Gelet op voornoemd vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van het bij de medeverdachte aangetroffen geldbedrag.

De verdachte heeft aangevoerd dat het onder [medeverdachte] aangetroffen geld afkomstig is van casinowinsten, goudhandel, bouwwerkzaamheden en investeringen.

Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte is nader onderzoek uitgevoerd.

De verdachte heeft een contract tussen hem en [NV] NV te Paramaribo, gedateerd 21 mei 2013, overgelegd ten bewijze van zijn verdiensten uit een goudconcessie. Het hof constateert dat uit dit document niets blijkt over de hoogte van eventuele inkomsten daaruit. Op 12 november 2018 heeft de getuige [getuige 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat de goudconcessie de verdachte € 5.000 heeft gekost en hem – de verdachte - niets heeft opgeleverd. Het hof concludeert uit het voorgaande dat onvoldoende is komen vast te staan dat het aangetroffen geld opbrengst uit de goudconcessie betreft.

Ten aanzien van de bouwwerkzaamheden heeft de getuige [getuige 2] op 10 augustus 2018 verklaard dat hij de werkgever van de verdachte is geweest. De verdachte heeft gewerkt als projectmanager, maar de administratieve stukken zijn verloren gegaan door waterschade binnen het bedrijfspand. De getuige heeft verklaard dat de verdachte maximaal 300 Surinaamse dollar per dag heeft verdiend. Nadere stukken met betrekking tot inkomsten uit deze werkzaamheden, zoals loonstroken, belastinggegeven et cetera, zijn niet door de verdachte overgelegd. Ook ten aanzien van deze werkzaamheden is naar het oordeel van het hof daardoor onvoldoende komen vast te staan om hiermee het bij [medeverdachte] aangetroffen bedrag te kunnen verklaren.

Voor wat betreft de door de verdachte gestelde casinowinsten heeft het hof acht geslagen op het proces-verbaal van ambtshandeling – met bijlagen - van 3 september 2019 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Hieruit volgt dat het niet aannemelijk is dat de verdachte in de periode van 7 februari 2013 tot en met 30 juni 2019 als speler in het [casino] aanwezig is geweest. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal en de bij dat proces-verbaal gevoegde bijlagen niet dat de verdachte enige winst heeft behaald in het casino. De verdachte heeft daar zelf ook niets concreets toe aangevoerd of overgelegd.

Nu ook de stelling van de verdachte dat (een deel van) het geldbedrag afkomstig is uit “investeringen” op geen enkele wijze concreet is onderbouwd, is het hof van oordeel dat – ook na nader onderzoek zoals hiervoor weergegeven – bewezen kan worden verklaard dat het onder de medeverdachte [medeverdachte] inbeslaggenomen geld uit misdrijf afkomstig is.

Het verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof is het ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 april 2014 in Nederland een geldbedrag van

€ 274.100 voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en overdragen van een grote hoeveelheid geld, dat van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft getracht het geldbedrag naar de Dominicaanse Republiek te laten vervoeren. Door deze manier van handelen heeft hij geprobeerd inkomsten uit misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus, hetgeen doorgaans resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende (andere) vormen van criminaliteit in de hand. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf is voor feiten als de onderhavige gerechtvaardigd. Het hof is, gelet op de feiten en omstandigheden in casu, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

Het hof houdt in het voordeel van verdachte rekening met het aanzienlijke tijdsverloop sinds het feit. Ook wordt acht geslagen op de geringe justitiële documentatie van de verdachte.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden.

Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is geschonden, nu de dagvaarding in eerste aanleg is betekend op 29 april 2016, het vonnis dateert van
13 maart 2017 en eerst op 11 november 2020 dit arrest wordt gewezen. De totale duur van berechting in twee instanties bedraagt derhalve 4 jaar en 7 maanden. Het hof bepaalt de overschrijding van de redelijke termijn op 7 maanden. Het hof zal daarom voornoemde, als uitgangspunt genomen gevangenisstraf met drie maanden verkorten.

Het hof passeert het verweer van de raadsman strekkende tot teruggave van het inbeslaggenomen geld aan de verdachte, reeds nu dit geld niet onder de verdachte, maar onder de medeverdachte [medeverdachte] in beslag is genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf gegrond op artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden , mr. M. Lolkema, mr. P. Greve en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van
mr. A.S. de Bruin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 november 2020.

Mr. Greve en mr. Bordenga zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]